Ger Groot

Knobbeltje

Het was duidelijk dat ik er niet op mijn plaats was. Nagestaard door uitsluitend vrouwenogen verdween ik in de röntgenruimte. Het was een heel gedoe de borst tussen de platen van het apparaat te klemmen. De verpleegster trok en sjorde met enige stuursheid. Opgelucht moet ze me hebben zien vertrekken. Míjn opluchting kwam later. Ik had geen borstkanker.

Dat was tien jaar geleden. In mijn borst zit nog altijd weefsel dat daar niet thuishoort, maar opeenvolgende controles blijven geruststellend. Éven had ik vrouwelijk terrein betreden en onverdeeld prettig was dat niet geweest. Het was alsof ik een privilege had geüsurpeerd dat me niet toekwam, en hoe twijfelachtig het voorrecht ook was, het net niet gedeelde lot leek me bijna als iets onzedelijks kwalijk te worden genomen.

Er hangt, schrijven Marleen Finoulst en Jaak Janssens in hun boek e borstkankerplaag (uitg. Houtekiet) een taboe rond de masculiene vorm daarvan. Er zijn niet veel mannen die ermee te maken krijgen (zo’n honderd per jaar) maar de curve stijgt. De gêne, vijandigheid en zelfs onwetendheid zijn er inmiddels bij het medisch personeel wel af, maar de verwarring blijft. «Komt u maar mee, mevrouw», klonk het als vanzelfsprekend in de wachtkamer waar de psycholoog Henk Van daele samen met zijn vrouw op behandeling wachtte. «Het is voor mijn man», zei mevrouw Van daele.

Anders dan ikzelf bleek Van daele wél door de ziekte aangetast. In zijn boekje Borstkanker met puntjes (ook Houtekiet) doet hij daar verslag van. Het kwam goed met hem, maar als een rode draad loopt door zijn boek de schaamte, want het taboe van de ziekte gold allereerst hemzelf. Lijden aan een «vrouwenziekte» is voor een man even kwetsend als het voor een vrouw is vanwege haar wat té lage alt voortdurend te worden aangesproken met meneer.

We hechten nu eenmaal aan de grens tussen de geslachten, ook al wordt de wereld volgens deskundigen steeds androgyner — en misschien wel juist daarom. Scheidslijnen kunnen vervagen en symbolisch worden, maar als symbool worden ze vervolgens sterker dan ooit. «Vrouw worden» gold in de Franse filosofie, in het kielzog van het feminisme, ooit als de oplossing van veel cultureel en wijsgerig ongemak. We wilden er niet aan, net zo min als de vermannelijkte vrouw op den duur een succes is gebleken.

De mode maakte al eerder zichtbaar wat niemand nog durfde uitspreken. En ook Van daele ervoer alleen maar een onbehaaglijk zelfverlies, toen hij geconfronteerd werd met de feminisering van zijn lichaam en dus van zijn identiteit. De seksueel geobsedeerde wezens die wij volgens de menswetenschappen zijn, vragen kennelijk om één geslacht, hoe uitdagend Michel Foucault zijn studie over de hermafrodiet Herculine Barbin ook nog kon beginnen met de retorische vraag: «Hebben wij werkelijk een echt geslacht nodig?»

Foucault schreef vanuit een politieke en emancipatoire wil die meende voordeel te hebben bij een vertroebeling van de geslachten. Net als Virginia Woolf, wier transseksuele klassieker Orlando samen met Mrs Dalloway en Een kamer voor jezelf zojuist in een dikke omnibus is heruitgegeven (De Bezige Bij). Ook zij laat haar held soepel de geslachtelijke barrière over glijden en een heldin worden. Het is meer een literaire dan een biologische tour de force, want het lichamelijke en geestelijke verschil tussen mannen en vrouwen is uiteindelijk maar dun.

Maar op die smalle rand verheft het geslachtsverschil zich opnieuw in zijn massieve symboliek. Jawel, Foucault, we hebben werkelijk één geslacht nodig. Geen betere getuigen daarvoor dan echte transseksuelen, die zich aan hun nieuwe geslacht vastklampen met de overgave van de ware bekeerling.

Er door een knobbeltje in de borst aan te worden herinnerd dat men een borst heeftýwerpt over de mannelijke identiteit net zo’n schaduw als voor de vrouwelijke het vooruitzicht daardoor de borst die men heeft te moeten verliezen. Hulpmiddelen en overredingskracht moeten er dan aan te pas komen om te bevestigen dat men nog is die men was, en dus nog iemand is.

Ïeruststellende medische berichten nemen de onrust daarover niet weg. Net zo min als die andere onrust. Ook mijn knobbeltje voelt de laatste maanden weer wat pijnlijker aan. Het wordt tijd voor een controle.