Knock-out

In Rusland bestond een simpele manier om beren te vellen, zo vertelt de Russische schrijver Charles Bukowski. Ze hangen in een boom een zwaar blok hout. Als de beer langskomt duwt hij het blok weg. Een beer wijkt immers voor niemand. Maar het blok komt terug met dezelfde kracht als waarmee het is weggeduwd. De trotse beer pikt dit niet en geeft het blok een steviger zet, waarna het even hard terugzwaait. Uiteindelijk mept de beer zichzelf knock-out. Paars II gedraagt zich als deze Russische beer. Het gaat niet ten onder in een groots gevecht met de oppositie. Er staan geen zaken op het spel die het waard zijn om politiek voor te sneuvelen. Het dreigt te bezwijken aan zelf toegebrachte verwondingen. Voor de oppositie moet het verschrikkelijk zijn. Maanden voert ze strijd tegen de regering, maar nietsdoen blijkt effectiever.

Het ligt aan de arrogantie van de Partij van de Arbeid, zegt de een. Het ligt aan de frustraties en het leidersschapsvacuüm van D66, zegt de ander. Misschien dat het reces nog redding kan brengen. Maar nu de Democraten hebben gedreigd om in de Eerste Kamer de vorming van Twentestad te zullen torpederen, en niet zoals met de benoeming van de burgemeester in Utrecht te zullen wijken voor het machtswoord van Peper, is een vroegtijdig einde van Kok II waarschijnlijker. De sfeer zal verziekt zijn, dat geloof ik best. De nacht van Wiegel, de mislukte sollicitaties van Sorgdrager en Kohnstamm, het ontslag van Apotheker en de denigrerende commentaren van Kok zullen allemaal kwaad bloed hebben gezet. En met gekrenkte ego’s is het moeilijk regeren, ook daar ben ik van overtuigd. Maar stel nu dat politiek niet alleen gaat om een zucht naar erkenning. Stel dat gekrenkte trots geen rol speelt. Stel dat onder de huidige perikelen wel degelijk een politiek relevante kwestie ligt. Hoewel Kok zelf zijn eerste kabinet een gewoon kabinet noemde, was er de ambitie om nu zaken te regelen die met het CDA lastig waren: euthanasie, homohuwelijk en natuurlijk het referendum. Belangrijker was echter het aanpakken van het maatschappelijk middenveld. De VVD was daar altijd al voorstander van en de PvdA had na de enquêtecommissie onder leiding van Buurmeijer ook behoefte aan radicale maatregelen. De rol van de sociale partners in de sociale zekerheid moest worden teruggedraaid, de invloed van de Ser worden beperkt, het Groene Front van landbouworganisaties worden geïsoleerd. Het CDA was meer dan de PvdA, zowel in ideologie als in de praktijk de partij van het maatschappelijke middenveld. Voor de ambitieuze missie om een nieuwe verhouding te ontwikkelen tussen staat, markt en civiele maatschappij, was Paars dus nuttig. Het internationale succes van het poldermodel heeft deze grootse opdracht echter al snel gesmoord. Wat overbleef was Nederland distributieland, waarvan in feite Elco Brinkman de grondlegger was, en de kroonjuwelen van D66. Na de Nacht van Wiegel is er geen enkele reden meer waarom Paars II noodzakelijk is. Er is niets dat niet ook met het CDA kan worden geregeld. Het enige dat telt is een vaag loyaliteitsbesef: samen uit, samen thuis. Die loyaliteit verkruimelt nu. Maar in feite is dat een randverschijnsel. Het echte probleem is dat er niets is dat Paars bindt, buiten deze kwetsbare persoonlijke loyaliteit. Als de beer echt honger had, zou hij gewoon voor het blok opzij stappen.