De eeuwige richtingenstrijd binnen de eta

Knokken houdt je jong

Samen met een parkeergarage en twee slapende Ecuadorianen blies de ETA eind 2006 het vredesproces op. Om vervolgens doodleuk te verklaren dat het bestand met de overheid van kracht blijft. Profiel van een gespleten familie.

Waren het de onstuimige jonge honden, was het een ontevreden fractie van hardliners, of kwam de aanslag op een parkeergarage bij het Madrileense vliegveld toch voort uit een weloverwogen keuze van de eta? Het was in ieder geval niet de eerste keer dat de Baskische afscheidingsbeweging een bestand verbrak. Op de rand van de millenniumwisseling deed ze hetzelfde, nadat de wapens 439 dagen gezwegen hadden. Zowel de beslissing om die wapenstilstand af te kondigen als om deze plotsklaps op te zeggen, zorgde destijds voor de nodige strijd in eigen gelederen. Er is geen reden om aan te nemen dat dit nu anders is. Zo zou een voortvluchtige oudgediende en ex-lid van Batasuna, Urrutikoetxea, zijn invloed hebben aangewend om de aanvoerders tot een wapenstilstand te bewegen. Daarvoor moest naar verluidt een stevige richtingenstrijd worden uitgevochten. Diezelfde richtingenstrijd lijkt nu in het voordeel van de haviken omgeslagen. Hoe de organisatie intern in elkaar steekt, blijft voor de buitenwereld een geheim. Maar dat de radicale nationalistische beweging veelkoppig is, staat vast. Historicus Ludger Mees, verbonden aan de Universiteit van Baskenland, onderscheidt in zijn boek Nationalism, Violence and Democracy: The Basque Clash of Identities twee aanhoudende controverses in de geschiedenis van de eta. De eerste betreft de verhouding tussen de nationale bevrijdingsstrijd en sociale emancipatie. De tweede is de keuze tussen een minder gewelddadige, opener politiek gericht op massamobilisaties en een zelfopvatting van gewapende voorhoede.

Het meest zichtbaar werden die dilemma’s aan het einde van de dictatuur van Franco – door commentatoren ook wel eta’s ‘vader’ genoemd, wiens onderdrukking van de Baskische cultuur het radicale nationalistische verzet schiep. eta staat voor Euskadi Ta Askatasuna, oftewel Baskenland en Vrijheid. De groep ontstond aan het eind van de jaren vijftig uit de jeugdbeweging van de burgerlijk-nationalistische pnv. Ze zette zichzelf op de kaart met de spectaculaire moord op de premier en beoogde opvolger van de fascistische dictator Franco, Carrero Blanco. Met de komst van een parlementaire democratie ontstond een discussie over de noodzaak van het voorzetten van de ondergrondse strijd. Opeenvolgende groepen dissidenten bepleitten een minder dominante rol van de militaire tak van de organisatie. Hun pogingen de eta te veranderen in een open, brede revolutionaire partij die zich voornamelijk moest richten op massamobilisaties liepen spaak. De voorstanders van de lijn van de eta als gewapende voorhoede bleven, de critici vertrokken of werden in enkele gevallen zelfs het slachtoffer van afrekeningen.

Nog in 2004 pleitten zes vooraanstaande eta-leden vanuit de gevangenis voor het opgeven van de militaire strijd ten gunste van de ‘institutionele strijd’ en ‘een strijd van de massa’s’. Tevergeefs, de dominantie van de militaire tak staat buiten kijf. Daar heeft overigens ook de Spaanse overheid een flink steentje aan bijgedragen. Haar keiharde repressie – onder de sociaal-democraat Gonzalez werden zelfs rechtse doodseskaders georganiseerd – maakt de claims van de eta dat zij zich wel moet verdedigen tegen een fascistische vijand geloofwaardiger.

Het resultaat is een gewelddadig politiek perpetuum mobile. De eta is te klein om haar idealen te verwezenlijken, maar te groot om haar aantrekkingskracht voor nieuwe activisten te verliezen. Laat staan om door het centrale gezag de kop ingedrukt te worden. Volgens de politie bestond de eta een jaar geleden nog slechts uit cellen met in totaal zo’n dertig leden. Waarschijnlijk is hier de wens de vader van de gedachte, iets wat ook geldt voor de talloze claims van de autoriteiten in het verleden dat zij de organisatie ‘onthoofd’ zouden hebben. Alleen al het aantal democratisch gekozen vertegenwoordigers van Batasuna, de politieke vleugel van de eta, bedroeg aan de vooravond van haar verbod bijna duizend mensen, van gemeenteraadsleden en burgemeesters tot een europarlementariër. En ondanks het partijverbod wist de eta bij de laatste regionale verkiezingen in Baskenland aan te tonen nog steeds over een aanzienlijke aanhang te beschikken. Na een op het laatste moment uitgebracht stemadvies door een Batasuna-voorman kreeg de onbekende Communistische Partij van de Baskische Gebieden geheel onverwacht negen zetels, oftewel meer dan tien procent van de stemmen.

Misschien is de harde kern van de eta klein, de omringende subcultuur is in ieder geval veel groter. Zo is er een financieel netwerk dat naar verluidt bestaat uit 170 bedrijfjes in zes verschillende landen, met een jaarlijkse winst van in totaal twaalf miljoen euro. De nauw aan de eta verwante krant Gara verschijnt dagelijks. In het bredere radicaal-nationalistische Umfeld zijn daarnaast allerlei sociale bewegingen actief, van milieuclubs en feministische groepen tot een vakbond. De eta-achterban heeft zelfs min of meer een eigen voetbalclub: Real Sociedad.

Het belangrijkste onderdeel van de eta-familie is de jongerencultuur. Zij drijft op de herriko tabernas – Baskische volkskroegen annex actiecentra –, op concerten, nationalistische bands en radiopiraten. De radicale scene is het sterkst in de kleinere gemeenten. De jeugdorganisaties, eerst Jarrai en Haika, tegenwoordig het ook al weer verboden Segi, speelden daarin de afgelopen decennia een belangrijke rol. Zo schrijft de jonge Ierse Sinn Féin-politicus Eoin Ó Broin in een boek over Baskisch nationalisme en radicale jeugdbewegingen: ‘Hun propaganda – tijdschriften, posters, stickers, T-shirts – is vernieuwend en uitdagend. In een tijd waarin jonge mensen steeds minder geïnteresseerd zijn in politiek, slaagt hun succesvolle mix van populaire cultuur met serieus politiek activisme erin diverse generaties jonge Basken te mobiliseren.’

De jeugdige aanwas stelt de eta in staat telkens op te krabbelen na een arrestatiegolf. Niet voor niets sprak de Spaanse onderzoeksrechter en fanatiek eta-jager Baltasar Garzón over Haika als ‘de kraamkamer van de eta’. De organisatie ondergaat keer op keer een verjongingskuur. Saillant detail: wapenstilstanden bleken in het verleden nuttig om te hergroeperen en nieuwe aanhang te rekruteren. De kale boroka, de voortdurende straatgevechten tegen de politie in Baskische steden, speelt daarin een centrale rol. Die relletjes dienen volgens sommigen als een soort initiatierite. Onder brede lagen van de bevolking doet het straatgeweld de populariteit van de radicale nationalisten geen goed. Maar als middel om nieuwe generaties te radicaliseren is het wel degelijk succesvol. Tegen een stevige confrontatie met het geweld van de sterke arm kan geen ideologische scholing op.

De verse aanwas houdt de eta behalve jong en vitaal ook radicaal. Steeds weer neemt een nieuwe generatie het stokje over van de ouderen die vaak in de gevangenis komen of naar het buitenland vluchten. En steeds bewijzen ze hun mannetje of vrouwtje te staan in de onafhankelijkheidsstrijd. Wellicht is dat ook nu het geval.

Het is de vraag in hoeverre in een organisatie met zo’n doorstroom serieuze debatten over de koers kunnen plaatsvinden, op basis van gezamenlijk doorgemaakte ervaringen. De eta-lijn is dan ook allerminst duidelijk, het formele streven naar onafhankelijkheid en socialisme ten spijt. De radicale nationalisten zitten gevangen in een spiraal van geweld en staatsrepressie. De strijd daartegen lijkt een doel op zich geworden. Verspreid over het hele land zaten een jaar geleden zo’n vijfhonderd eta-aanhangers in de gevangenis. Berichten over martelingen, opzettelijke opsluiting in ver afgelegen detentiecentra, hongerstakingen en ‘preventieve arrestaties’ van sympathisanten leiden tot nieuw geweld en nieuwe repressie. Dit uitzichtloze, zichzelf voedende proces spreekt onbedoeld ook uit de eta-slagzin van het afgelopen jaar: ‘Wij zijn er omdat de anderen er (vóór ons) waren.’

Het grotere politieke doel raakt daarbij uit het zicht. De dictatuur is al lang verleden tijd. Ook het socialisme vervult steeds meer een bijrol, een ontwikkeling die de eta gemeen heeft met vele andere nationale bevrijdingsbewegingen. Zelfs het streven naar een eigen natiestaat is niet zonder complicaties. Baskenland heeft inmiddels een eigen parlement, politiemacht, belastinginning, televisiezenders en zeggenschap over het onderwijs. Het gematigde streven naar autonomie en eventueel onafhankelijkheid is het handelsmerk van de conservatievere pnv. Daarmee blijft voor de eta alleen nog een radicaal volksnationalisme over.

Het grootnationalistische denken leidde een aantal jaren terug tot een opmerkelijke uitglijder. Op het Europees Sociaal Forum in Parijs werden Batasuna-posters verspreid met daarop een kaart van het ideale ‘Europa van de volkeren’. Wat bleek? Nederland bestond daarin niet meer. Een Duitsland van vooroorlogse proporties strekte zich uit tot aan de Noordzee. Misschien een foutje? De centrale boodschap van de kaart betrof immers het zuidelijker gelegen Groot-Baskenland, dat tot diep in Frankrijk en Spanje reikte. Twee probleempjes: de bevolkingen van het door de radicale nationalisten begeerde Navarra en Frans Baskenland zijn nog niet echt overtuigd van de historische noodzaak van een staatsrechtelijke transfer. En Spanje en Frankrijk zullen er uiteraard nooit mee instemmen. Kortom: voer voor een eindeloze strijd. Voor de hardliners aan Baskische zijde is dat allerminst een probleem. Zolang de wapens spreken, verstomt het interne politieke debat. De haviken in Madrid zullen er op hun beurt allerminst rouwig om zijn. Met zulke ambities blijft er ook in de 21ste eeuw nog genoeg over om voor te knokken.