Hoofdcommentaar

Knollen en citroenen

Moet het nieuwe Europese verdrag in Nederland worden onderworpen aan een referendum? Jazeker. Niet omdat een referendum een onontbeerlijk instrument in onze parlementaire democratie zou zijn. Want dat is het niet. In de praktijk is een referendum te vaak een vluchtheuvel voor bestuurders die de schuld willen delen. Maar wel om drie andere redenen.

Ten eerste omdat de Nederlandse regering nu eens gedwongen moet worden te doen wat ze afgelopen jaren heeft nagelaten met Europa. Bondskanselier Angela Merkel mag dan een heldin zijn – ze heeft als halfjaarlijks voorzitter van de EU een complete chaos weten te verijdelen – het compromis verdient na het verworpen eerdere Grondwettelijke Verdrag een politieke verdediging. Het zou behoorlijk treurig zijn als een verdrag, waartegen sp en pvv volstrekt verschillende bezwaren hebben die beide partijen met de mantel der liefde kunnen bedekken, gewoon parlementair wordt geratificeerd, omdat de regering geen zin heeft om Europa te politiseren nu het moet en kan. Laffe varianten op de pr-campagne van Ton Elias (‘Europa, best wel belangrijk’) zijn na het fiasco van 2005 (heeft potentieel vvd-kamerlid Ton Elias indertijd trouwens een no cure no pay discount berekend of het reguliere tarief gedeclareerd?) uit den boze.

Bovendien is niet uitgesloten dat er in andere landen alsnog referenda worden gehouden. In Ierland komt zo’n plebisciet er mogelijk aan, in Denemarken wordt erover gedacht en ook in Frankrijk is het niet uitgesloten als ondertekening een grondwetswijziging vereist en dus een tweederde meerderheid in het parlement.

Ten tweede omdat het zogeheten Hervormingsverdrag veel constitutioneler is dan het vierde kabinet-Balkenende sinds afgelopen zaterdag doet voorkomen. Vlag, lied, woord en andere symbolen mogen dan geschrapt zijn, de verschuiving van de machtsverhoudingen naar het nationale niveau heeft minder om het lijf dan wordt gesuggereerd. Zeker, de Tweede Kamer heeft wat meer macht gekregen. Maar de krachtpatserij dat het kabinet de verworvenheden van de Nederlandse welvaartsstaat voor de poorten van de Brusselse hel heeft weggesleept, is licht overdreven.

Volgens de regering blijft de unieke gezondheidszorg en volkshuisvesting overeind. De corporaties mogen voor de gewone markt blijven bouwen, omdat de woningbouwverenigingen zullen worden opgevat als gemandateerde non-gouvernementele organisaties zonder winstoogmerk. Dat zou inderdaad mooi zijn. Zonder de corporaties zouden er amper huizen beschikbaar komen in het eerste segment boven de sociale sector. Commerciële projectontwikkelaars hebben namelijk geen belangstelling voor woningen tot circa duizend euro. Maar het laatste woord over dit systeem, dat kenmerkend is voor de Nederlandse volksaard, is nog niet gezegd. Eurocommissaris Kroes voor mededinging kan, als ze wil, de interpretatie van de Europese concurrentieverhoudingen tot het gaatje voeren.

Neelie Kroes heeft bovendien de tijd. Want er zijn afgelopen weekeinde weliswaar afspraken over compromissen gemaakt door de regeringsleiders, maar die moeten ook nog zwart op wit worden gezet. Het ressentiment bij de ja-zeggers binnen de EU tegen de nee-knikkers zou wel eens kunnen gaan opspelen als er concrete teksten moeten worden geformuleerd. Want de overgrote meerderheid van de 27 lidstaten heeft reden zich beledigd te voelen. Niets leuker dan wraak nemen via een komma in de definitieve tekst. De Benelux-partners en premiers Guy Verhofstadt en Jean-Claude Juncker hebben daarop al een voorschot genomen.

En dan is er nog een derde, zij het indirect, argument voor een referendum. De EU heeft een serieus probleem in het oosten, in het bijzonder in Polen. Sinds de krap veertig miljoen Polen worden geregeerd door president Lech en premier Jaroslaw Kaczynski is een ongemakkelijk feit aan het licht gekomen. De tweelingbroers Kaczynski geven de voorkeur aan regressie boven verdere Vergangenheitsbewältigung. Het tot nu toe gekoesterde idee dat verzoening zinvoller is dan afrekening komt meer en meer in gevaar.

Dat Polen reden heeft zich te beroepen op een tragische geschiedenis – sinds de eerste Poolse deling van 1772 heeft het land tussen Rusland en Duitsland amper rust gekend – staat buiten kijf. Dat 1945 geen bevrijding van de totalitaire overheersing betekende, is onloochenbaar. Dat het tijd kost om zo’n noodlottig verleden met een historische bril onder ogen te zien, is dus logisch. Het duurde in Duitsland tot begin jaren zestig – bijna twintig jaar ná de ondergang van Hitler – voordat historicus Fritz Fischer met Griff nach der Weltmacht zijn beulswerk begon. En dan ging dat boek ook nog over de veel veiligere Eerste Wereldoorlog. In Rusland is bijna twee decennia na de val van de Muur geen spoor meer te bekennen van breder geschiedkundig bewustzijn. Dankzij president Vladimir Poetin is daar eerder een rehabilitatie van Stalin aan de orde dan een historiserende kijk op de ‘leider’. Dus waarom zou Polen, per saldo geen dader- maar slachtoffernatie, zichzelf binnen twintig jaar binnenste buiten moeten keren? Inderdaad, die eis mag het westen niet stellen. Maar dat neemt niet weg dat Warschau niet kan blijven speculeren op schuldgevoel en/of angst ten westen van de Oder. Als volwaardig lid van de EU, met relatief te veel stemrecht, moet Polen zichzelf serieus durven nemen.

Een referendum in Nederland biedt uiteraard geen garantie op een ontspannen ontwikkeling van Europa. De Unie loopt nog steeds gevaar, met of zonder plebisciet in de polder. Maar het kan wel de boel op scherp zetten. Een volksraadpleging voorkomt één rampje hoe dan ook. De campagne voor het vorige referendum had niveau, zij het dat dit louter was te danken aan de tegenstanders van de grondwet en niet aan de regering. De campagne voor het komende referendum moet wederzijds niveau hebben. Omdat Europa geen depolitisering meer duldt en de Nederlandse politiek geen debilisering.