Daniel Kehlmann, Het meten van de wereld

Knorrige landmeters

Daniel Kehlmann
Het meten van de wereld Uit het Duits (Die Vermessung der Welt, 1975) vertaald door Jacq VogelaarQuerido, 289 blz., e 19,95

Het door elkaar husselen van feiten en fictie is een hachelijke zaak. De lezer kan over het algemeen moeilijk onderscheiden waar de feiten ophouden en de fantasie van de auteur begint. Bovendien is de werkelijkheid vaak tragisch, gruwelijk, intrigerend of spannend genoeg. Daar hoeft de verbeelding niets aan toe te voegen.

Al deze bezwaren gelden in wezen ook voor de roman Die Vermessung der Welt van de in 1975 in München geboren, maar in Wenen woonachtige auteur Daniel Kehlmann, waarvan dezer dagen de Nederlandse vertaling is verschenen. Het meten van de wereld gaat over twee geniale Duitsers die in de eerste helft van de negentiende eeuw hun stempel op de wetenschap hebben gedrukt. Maar wie weet nog, zeker in Nederland, wie Alexander von Humboldt en Carl Friedrich Gauss waren en wat zij hebben gedaan? En wie hen wel kent, weet ook dat het leven van ontdekkingsreiziger Humboldt zo avontuurlijk en interessant is geweest dat daar geen roman tegenop kan.

Medium wereldmeten2koloms

Dat je bij Kehlmann toch gemakkelijk over al deze bezwaren heen stapt, komt doordat zijn roman hoogst amusant is. Deze jonge, veelbelovende auteur heeft gevoel voor humor, spot en zelfspot. En hij kan goed en onderhoudend schrijven. Hij vult deze dode geleerden met nieuw leven, laat ze uit het stof herrijzen, zij het dat ze nu helden in een roman zijn geworden.

Het idee dat dit ook een leerzaam boek zou zijn, moet worden bestreden. Natuurlijk wordt aangeduid wat deze mannen voor de wetenschap hebben betekend. Maar wie dat echt wil weten, kan beter hun werken lezen, zoals het grote, indrukwekkende boek Kosmos van Humboldt, dat vorig jaar in Duitsland opnieuw is uitgegeven. Of de Disquisitiones arithmeticae, het baanbrekende wiskundige werk dat Gauss schreef toen hij 24 jaar was.

Nee, dit knap gecomponeerde boek moet het toch vooral hebben van de grote tegenstellingen tussen de beide, wat zonderlinge hoofdpersonen. Alexander von Humboldt, van adellijke afkomst, kosmopoliet en humanist, trok erop uit om in de wildernis van Zuid-Amerika en de oneindige steppen van Rusland de geheimen van de natuur te ontraadselen. Zijn grote passie was meten met het doel de nog onbekende delen van de wereld zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen.

Carl Friedrich Gauss was de zoon van een tuinman, een wonderkind dat al op jeugdige leeftijd wiskundige vraagstukken doorgrondde. Hij kwam niet veel verder dan Braunschweig en Göttingen. Aan reizen had hij een hekel. Wetenschap was voor hem vooral nadenken, je hersens gebruiken. Gauss had voldoende aan een blad papier, een schrijftafel en een telescoop om de sterren te bekijken. De grote wijde wereld was hem vreemd. Toen hij in een krant een eerste reisverslag van Humboldt onder ogen kreeg, was volgens Kehlmann zijn reactie: «Wat een man, indrukwekkend! Maar onzinnig ook, alsof de waarheid ergens anders te vinden was en niet hier. Alsof je voor jezelf kon weglopen.»

Maar gemeen hebben ze dat ze landmeten. Gauss deed dat in zijn eigen omgeving, in het koninkrijk Hannover, en niet uit passie, maar omdat hij geld moest verdienen en het thuis bij zijn tweede vrouw niet kon uithouden.

Zonderlinge types waren het. Humboldt was zich steeds bewust van zijn waardigheid: ook op zijn ontdekkingsreizen hoorde een gala-uniform tot de standaarduitrusting. Van vrouwen moest hij niets hebben en toen hij met kannibalisme werd geconfronteerd besloot hij dit feit te negeren.

Gauss daarentegen kon niet zonder vrouwen, aldus Kehlmann, die hem voor, maar ook na zijn eerste huwelijk de hoeren van Göttingen laat bezoeken. Maar zijn wiskundige formules gingen hem boven alles. Kehlmann laat hem in de huwelijksnacht uit de echtelijke sponde springen om snel een formule te noteren, die hem te binnen was geschoten tijdens het bedrijven van de liefde. Het is te vermakelijk om waar te zijn.

Dat deze zeer verschillende geleerden elkaar in 1828 in Berlijn hebben ontmoet bij een congres van natuurkundigen is echter wel een feit. Wat Kehlmann van deze ontmoeting heeft gemaakt is fictie. De logeerpartij van Gauss bij Humboldt thuis behoort tot de meest geslaagde hoofdstukken. Twee wat knorrige heren, die elkaars wetenschappelijke ontdekkingen betwistten, maar die elkaar toch ook hielpen en op de een of andere manier waardeerden. Hun wetenschappelijke terreinen kwamen ook steeds nader tot elkaar. Beiden bestudeerden de sterren en het aardmagnetisme. Maar moest je daarvoor wel zo ver reizen?

Grappig is wat Kehlmann beide mannen over kunst laat zeggen. Ze hebben een hekel aan boeken zonder getallen en tabellen en houden niet van «romans die opgingen in leugenachtige sprookjes, omdat de auteur zijn kletspraatjes met de namen van historische personen verbond». Ze vinden dat kunst de waarheid moet dienen.

Kehlmann neemt hier zichzelf een beetje in de maling, en hij kan dat, achteraf bezien, ook gemakkelijk doen, want de Duitse lezers vinden zijn «kletspraatjes rond historische personen» prachtig. Zijn roman staat nu al geruime tijd aan de top van de bestsellerlijst van Der Spiegel. Kehlmann is pas dertig, maar in de huidige Duitse literatuur heeft hij het al helemaal gemaakt.