Groen

Knotten

Bij de Multimate in Anna Paulowna moest ik nog even een klein zaagje kopen omdat ik mijn vorige zaag stukgemaakt had. ‘Is goed’, zei mijn vader, die me ophaalde van het station. Een uur later gooide ik de zaag in de sloot waarlangs de vijf te knotten wilgen stonden: blad krom en handvat dubbelgeklapt. Dat vond mijn vader niet goed, hij had hem willen ruilen. Ik dacht aan de fietsen, hamers en nijptangen die ik vroeger in de sloot gooide. Ik verbaasde me vooral over mijn eigen drift, dacht niet aan inruilgeld. Na de wilgen had hij nog flink wat stammetjes liggen die niet kort genoeg gezaagd waren. De kettingzaag werd erbij gepakt en ik ging zagen. Toos, de chocoladebruine labrador van mijn broer, vond het gezellig. Ze stal eieren, ik weet niet waar ze die vandaan haalde, en probeerde die vlak bij de zaagbok op te eten. Toos vindt het niet nodig daarover stiekem te doen. Uiteindelijk had ze door hoe ze de schaal kon breken en de eieren verdwenen luid smakkend in het keelgat, ze kneep van genot haar ogen samen.
Volgens Gerrit Hiemstra was het druilerig weer. Maar mijn vader en ik en Toos vonden dat Gerrit uit zijn nek lulde, want druilerig weer is stil en nat weer, en die zaterdag stond er een windkracht vijf. Na de stammetjes, vond mijn moeder, moest de appelboom nog om, want die droeg nauwelijks appels en stond verder ook nogal in de weg. Ik had na al dat zagen geen armen meer over en wees haar op de halve kokosnoot tegen de stam waaruit de bonte specht dagelijks zijn pindakaas eet. Ze zag denk ik mijn vermoeide lijf en drong verder niet aan. Daarna bakte ze aardappels en eieren, maakte sla. In de auto, terug naar de trein, zei mijn vader: 'Het lijkt wel herfst.’ Ik zei 'Ja’, want het leek inderdaad wel herfst. Ook hij was moe, van het verslepen van de wilgentakken. Bij het kettingzagen had ik hem zoals eerder weggestuurd omdat ik altijd maar die handen zie, zo dicht bij de veel te scherpe ketting.