KUNST Frederico Carasso

KNUPPEL, HOENDERHOK

Frederico Carasso (1899-1969) was in 1922 als communist het Italië van Mussolini ontvlucht, had zijn heil gezocht in Parijs en België, maar werd vanwege politiek activisme uitgezet. In 1934 vestigde hij zich in Amsterdam. Hij was een beeldhouwer en surrealistisch tekenaar, een politiek geëngageerd en scherpzinnig publicist en, van 1956 tot kort voor zijn overlijden, docent aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Maar het meest was hij beeldhouwer, op het grensvlak van figuratie en abstractie. Hij heeft de scherpe dogmatische afbakening tussen figuratie en abstractie nooit als criterium geaccepteerd. Voor hem gold uitsluitend: is het goede kunst of niet?
In 1953 schreef hij in het toen gezaghebbende tijdschrift Kroniek van Kunst en Kultuur (jrg. 13, no. 7) het artikel ‘De knuppel in het hoenderhok’. En dat was het ook. Op gepassioneerde wijze uitte hij zijn bedenkingen bij een tendens tot abstrahering in de beeldhouwkunst die hij als modieus beschouwde ‘… vooral wanneer deze tendens tot agressieve onverdraagzaamheid wordt en met geweld zijn dogma’s tracht op te dringen aan allen die weigeren, zonder geleverde bewijzen, hun hoofd met as te bedekken en hun heiligdom (van de abstractie – jr) te betreden’. Carasso richtte zijn pijlen met name op het beeld De verwoeste stad van Zadkine.
De reactie op dit artikel, waarmee Carasso een inhoudelijk debat tussen abstractie en figuratie wilde bevorderen, was er een van naargeestige kleinzieligheid en stigmatisering. Leden van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, waarvan Carasso vanaf 1939 gewaardeerd lid was, dienden bij het bestuur zelfs het verzoek in hem uit de Kring te stoten omdat hij met zijn artikel de goede verstandhouding tussen beeldhouwers zou hebben ondermijnd. Dat gebeurde niet, maar vanaf dat moment was binnen de Kring jarenlang geen serieus debat meer mogelijk over abstractie en figuratie. Carasso werd vervolgens in het traditionele figuratieve kamp ingedeeld terwijl zijn collega’s Willem Reijers (1910-1958) en Wessel Couzijn (1912-1984) als vertegenwoordigers van de abstracte richting golden.
Hoe beperkend dit onderscheid is bewijst de expositie Atelier Carasso in het Museum Beelden aan Zee. De nadruk ligt op zijn grote collectie kleinplastiek die in langdurige bruikleen aan het museum is geschonken, waaronder een serie penningen en terracotta beeldjes van enkele centimeters groot. Natuurlijk heeft zijn werk overwegend de vrouwelijke figuur als uitgangspunt, maar in essentie ging het hem om het weergeven van beweging in een harmonieuze vorm. Hierbij liet hij zich inspireren door de classicistische beeldhouwkunst, etnografica en door erotica. Hij was een eclectisch kunstenaar – we zouden hem nu ‘intercultureel’ noemen – die veel heeft betekend voor de introductie van de moderne Italiaanse beeldhouwers in Nederland.
In de kleinplastiek, de kern van het oeuvre, is goed te zien hoe hij dynamiek en evenwicht tracht te combineren, in studies van schrijdende, zittende en achteroverleunende vrouwenfiguren. Uit deze collectie van studies kan het ontstaan van de grote monumentale werken beter worden begrepen, zoals de oorlogsmonumenten waartoe hij als oud-verzetsman veelal werd uitgenodigd ontwerpen in te dienen. Zoals de gestileerde gedenkzuil De boeg, het Nationaal Monument voor de Koopvaardij in Rotterdam, dat na vele strubbelingen tussen de opdrachtgever, de jury en de deelnemers aan de prijsvraag in 1957 officieel werd onthuld – maar pas in 1965, toen er voldoende geld was verzameld, werd gecompleteerd met een groep van vijf figuren: een roerganger en drie zeelieden die een drenkeling dragen.

Atelier Carasso, Museum Beelden aan Zee, Scheveningen, t/m 15 maart