Amerika versus Cuba op het baseballveld

Knuppeldiplomatie

Over twee weken begint in Amerika de eerste World Baseball Classic. Zullen de Cubanen erbij zijn? 35 jaar na Nixons pingpongdiplomatie met China blijkt honkballen met Cuba nog erg moeilijk.

WASHINGTON – «Hoewel ik achter dit Witte Huis sta, geef ik toe: dit is onhandig aangepakt, vanaf het begin.» Steve Johnson is Cuba-deskundige bij de conservatieve denktank Heritage Foundation: «Als we de Cubanen van begin af aan ruimhartig welkom hadden geheten, was de propagandaoorlog voor de verandering eens gewonnen.»

In navolging van het basketbal proberen protagonisten van het honkbal, de machtige Amerikaanse honkbalbond voorop, de internationale populariteit van de sport te vergroten. Omdat het Internationaal Olympisch Comité begin februari besloot het de komende Olympische Spelen zonder honkbal te stellen, is alle hoop nu gericht op de eerste wereldkampioenschappen voor profs. Die gaan binnen twee weken van start en hebben direct de naam «Classic» gekregen, wellicht omdat de bond de eigen Amerikaanse competitie de World Series noemt, met een «wereldkampioen» als winnaar.

Niet alleen Europees kampioen Nederland, ook Cuba is uitgenodigd, het land dat drie van de vier keer dat de sport deel uitmaakte van de Olympische Spelen het goud veroverde. Honkbal is razend populair op het eiland. Stadions zitten uren voor aanvang van een wedstrijd al barstensvol. Honkbal kent in Cuba een bijna even lange geschiedenis als in de VS. Het kreeg er vleugels door de associatie met de opstand tegen de Spaanse overheerser die niets van het spel moest hebben. Castro, ooit een rebel, is een grote fan.

Op Cuba wordt er goed gespeeld. Tientallen uitgeweken spelers verdienen momenteel miljoenen in de Amerikaanse profcompetitie. En van de tientallen keren dat de VS en Cuba tegen elkaar speelden, wonnen de VS slechts drie keer. Kanttekening daarbij is dat Amerika nooit aantrad met beroepsspelers. De bond hield die voor zichzelf. In maart zal dat anders zijn. De bond is immers inspirator van het nieuwe toernooi. Honkballiefhebbers kijken er daarom al maanden naar uit.

Zo niet de Amerikaanse overheid, die al jarenlang toeziet op een strikte boycot van nagenoeg alles wat Cubaans is. Dat beleid is verder verscherpt nadat Bush in 2000 het presidentschap verwierf met hulp van de Cubaanse immigrantengemeenschap, die voornamelijk in electoraal belangrijk – en soms beslissend – Florida leeft.

Geconfronteerd met het toernooi vertoonde de regering stante pede een pavlovreactie. Cuba mocht niet moedoen. Eerst was er het argument dat Castro een propagandistisch slaatje uit het evenement zou slaan. «Bij het ministerie (van Financiën, dat toeziet op de boycot – pvo) was iedereen als de dood dat Cubaanse honkballers hier op de buis anti-Amerikaanse teksten zouden uitkramen», zegt Steve Johnson: «Maar al snel drong het besef door dat weigering de anti-Amerikaanse retoriek juist zou voeden.» Toen ontstond de zorg dat Cuba geld aan het toernooi zou verdienen. Dat argument voor uitsluiting kwam als een boemerang terug, zeker publicitair, omdat de Cubaanse regering het Amerikaanse ministerie van Financiën beloofde dat eventuele opbrengsten naar de slachtoffers van de Katrina-ramp gaan. Dat werd op de nationale sportzenders die – niet anders dan in Nederland – uitblinken in vaderlandsliefde knarsetandend geaccepteerd. Vervolgens werd door allerhande honkbalkenners het argument geventileerd dat de Amerikaanse organisatoren van het toernooi geen medeplichtigheid zouden mogen accepteren aan de «barbaarse» behandeling en onderdrukking van Cubaanse honkballers.

Johnson: «Amerikaanse sporters vinden de salarissen van Cubaanse collega’s natuurlijk schandalig laag, maar dat zegt meer over henzelf dan over Cuba, waar sporters relatief goed verdienen. Ach, we zijn nu eenmaal nogal gevoelig als het om Cuba gaat.»

Dat geldt niet voor iedereen. Ex-president Carter noemt die gevoeligheid al jaren een «bespottelijke obsessie». De enige Amerikaanse president die Fidel Castro ooit een officieel bezoek bracht, schrijft in zijn meest recente boek Our Endangered Values, al weken een bestseller, dat die obsessie het gehele Amerikaanse buitenlandse beleid ten aanzien van Zuid-Amerika ondergraaft. Behalve dat het embargo «eenvoudige Cubanen verarmt, Amerikanen hun eigen vrijheden ontneemt en het dictatoriale regime van Cuba bestendigt», verleent het volgens Carter in de hele regio geldigheid «aan Castro’s onverdiende status van David die succesvol strijdt tegen Goliath in Washington». Daarom is Amerika’s Cuba-beleid contraproductief.

De honkbalaffaire toont Carters gelijk. Enkele belangrijke Zuid- en Midden-Amerikaanse honkballanden dreigden zich terug te trekken toen er berichten kwamen dat Cuba eventueel zou worden uitgesloten van deelname. Dat was effectief. Amerika bond in. Een vernederend domino-effect is daarmee ternauwernood voorkomen, maar de obsessieve gevoeligheid voor Cuba werd opnieuw duidelijk.

O

ok het bedrijfsleven nam er begin februari weer eens kennis van. Omdat Castro niet het eeuwige leven heeft, was een delegatie Amerikaanse olieboeren, waaronder enkele van Exxon, naar Mexico-Stad afgereisd om daar in het Sheraton-hotel met topfunctionarissen van de Cubaanse regering te praten over de mogelijke exploratie van olievelden in de zee ten noorden en westen van het eiland. De Cubanen ontberen de techniek en knowhow om dat zelf te doen en tekenden al langlopende contracten met China, Canada en Spanje. Om niet al het lekkers aan hun neus voorbij te laten gaan, hadden de Amerikanen hun landgenoot Kirby Jones gevraagd de bijeenkomst te organiseren. Jones werd door Newsweek ooit «de Amerikaan met de beste contacten in Cuba» genoemd. Begin jaren zeventig interviewde hij Castro voor cbs. Later zette hij zijn eigen bedrijf op, Alamar Associates, dat Amerikaanse bedrijven helpt de gaatjes in het Amerikaanse embargo te vinden. Op de website van het bedrijf staan verscheidene kiekjes van Jones met Castro, lachend en met de armen om elkaars schouders.

Het ministerie van Financiën was niet gecharmeerd van Jones’ actie en telefoneerde naar het Sheraton-hoofdkantoor in Amerika om de hotelleiding eraan te herinneren dat de Amerikaanse wet burgers verbiedt om goederen te leveren aan Cubanen. Al vond de bijeenkomst, het misdrijf, plaats op Mexicaans grondgebied, het moederbedrijf zou zonder pardon worden vervolgd. Het Mexicaanse Sheraton-filiaal stuurde zijn gasten vervolgens tot hun grote verbazing en ergernis weg. Ze weken uit naar een Mexicaans hotel. De opwinding was enorm. De burgemeester dreigde het plaatselijke Sheraton zelfs met sluiting, omdat het in overtreding zou zijn van antidiscriminatiewetgeving in Mexico.

In het kantoor van de organisatie Inter-American Dialogue vertelt Jones over zijn ervaringen met het ministerie van Financiën: «Er zitten daar een paar misselijke fanatici. Neem nu het toernooi. Je denkt dat het ministerie uiteindelijk zijn lesje heeft geleerd, maar niets daarvan. Alle deelnemende landen krijgen zestig wedstrijdballen en een lading honkbalknuppels toegestuurd om te oefenen met het nieuwe materiaal dat op het toernooi wordt gebruikt. Zo niet Cuba. Ook zijn de Cubanen als enigen nog niet zeker of de zestig mensen die ze opgaven – meer mag niet – ook daadwerkelijk een visum krijgen. Je zult zien dat op de dag voor het toernooi de belangrijkste werper de toegang tot Amerika wordt ontzegd.»

O

ok journalist Kevin Baxter, groot baseballfan en tevens schrijver van het boek Miracle over Miami: How the 2003 Marlins Shocked the World en promotor van de World Baseball Classic, is teleurgesteld in de houding van het ministerie. Voor het honkbal reisde Baxter vaak naar Cuba. Hij verheugt zich enorm op de confrontatie tussen de Cubaanse staatsamateurs en de Amerikaanse profs, die zich nooit eerder internationaal lieten meten. Maar hij vreest dat Castro de trip op het laatst zal afblazen: «Daar heeft hij genoeg redenen toe. Ten eerste is er de angst dat spelers in Amerika politiek asiel aanvragen, wat in het verleden al vaker is gebeurd. Castro verliest dan alsnog de propagandaoorlog. Bovendien zijn de Cubaanse coaches door die angst gedwongen oudere spelers te selecteren die kinderen in Cuba achterlaten of die al eerder in Amerika hebben gespeeld maar zijn teruggekeerd. Er speelt wel een zestienjarig wonderkind mee, maar de afwezigheid van goedspelende twintigers maakt de kans op Cubaans verlies erg groot. En je moet niet vergeten: op internationale toernooien was Cuba altijd superieur. In Amerika valt er daarom niets te winnen, maar alles te verliezen. Ik vraag me af of Castro het risico van een publieke vernedering aandurft. Onderschat ook niet hoe slecht die visumproblemen voor een team zijn. Denk je eens in dat Duitsland enkele dagen voor het WK voetbal een rechtsvoor, rechtermiddenvelder en rechterverdediger van het Nederlands elftal de toegang tot het land ontzegt.»

Baxter heeft ook aanwijzingen dat Castro zich bedenkt: «Nicaragua is eerste reserve. Cuba heeft het land inmiddels gevraagd zich voor te bereiden. Daar zijn ze momenteel ook duchtig aan het trainen, zelfs met de zestig wedstrijdballen en de nieuwe knuppels van de toernooiorganisatie.»

Kirby Jones, «de Amerikaan met de beste contacten in Cuba» en ook een liefhebber, is het niet met Baxter eens. «Je kunt veel van hem zeggen, maar Castro is niet een man die een uitdaging uit de weg gaat. Natuurlijk zal hij zich ergeren aan het kinderachtige gedoe met knuppels en ballen, maar hij heeft voor heviger vuren gestaan. Al weken begint hij bijna iedere speech met ‹áls we mee mogen doen, dan…› Iemand die dat doet, trekt het eigen team niet terug als dat uiteindelijk toch mag meedoen.»

H

onkbalkenner en Cuba-watcher Tim Wendel, schrijver van het boek Castro’s Curveball, ziet enorm uit naar het toernooi. Hij weigert om slechts over de «Cubaanse affaire» te praten. Eerst moet de Nederlandse ster worden besproken, Endruw Jones, de meest verdienende sporter met een Nederlandse nationaliteit. Afgelopen jaar sloeg Jones, die geboren en getogen is op Curaçao, maar liefst dertien miljoen euro bij elkaar. Daarmee laat hij voetballers Van Nistelrooy (8,5 miljoen) en Makaay (6,7 miljoen) ver achter zich. Wendel meent dat Jones ons Nederlanders nog wat zal laten zien in Puerto Rico, waar Oranje zijn eerste wedstrijden speelt. Toch geeft Wendel na enig aandringen wel toe dat hij vooral uitziet – al jaren – naar een confrontatie tussen Amerika en Cuba: «Ik baal enorm. Juist als dit een propagandaoorlog is, moeten we die Cubanen erbij halen. We hadden een vliegtuig moeten sturen, een paar honderd visa, dozen honkbalknuppels en ballen die we met duizenden hadden moeten uitdelen. Via de televisie had het Cubaanse publiek kunnen zien hoe het er in het ‹duivelse imperium› Amerika aan toegaat, hoe het alternatief voor hun communistische regime eruitziet.»

Baseballdiplomatie is duidelijk niet Amerika’s grootste kracht, vindt Wendel: «Maar er is één troost. Het is volgende maand precies 35 jaar geleden dat Nixons pingpongdiplomatie met China van start ging. Politiek gezien was dat misschien een groot succes. Maar als poging om pingpong populair te maken in Amerika, waar het officieel om was te doen, heeft die diplomatie grandioos gefaald. Hopelijk is het dit keer andersom en wordt de politieke mislukking gevolgd door sportief succes.»

=