Reportage: Spanje jaagt op immigranten

Knuppels en kettingen

Spanje houdt niet van immigranten. Althans, zolang het geen Nederlandse tuinders of Britse badgasten zijn. In het land dat nog niet zo lang geleden zelf arbeiders aan West-Europa leverde, worden vooral Noord-Afrikanen hard aangepakt.

Het is de markt van vraag en aanbod. Groepjes Afrikanen en Zuid-Amerikanen staan in de schemer van half acht in de morgen te kleumen op een pleintje aan de rand van El Ejido. Ze kijken uit op een lelijk metalen beeld ter ere van de modernisering van de Spaanse landbouw. Er gebeurt verder niet veel. Af en toe stopt een busje van een tuinderbedrijf om een paar van de mannen op te pikken.

Maar het is moeilijk aan de slag te komen sinds in Spanje de nieuwe vreemdelingenwet van kracht werd. Eigenaren van kassen kunnen sindsdien forse boetes krijgen voor het inhuren van illegale werknemers. «Vaak wacht je voor niets», zegt Clement, een 29-jarige jongen uit Kameroen en zonder papieren. «Als je geluk hebt kun je een contract voor twee weken bemachtigen.» Hij is eigenlijk econoom en denkt er soms over naar Kameroen terug te keren. «Toch is hier alles nog beter, in vergelijking met Afrika.»

Spanje is veranderd. Het is niet langer het land dat boerenjongens uit verpauperde regio’s voor een betere toekomst naar Zuid-Amerika en Noord-Europa moet sturen. Spanje heeft nu zelf arbeidskrachten nodig. En veel ook, aangezien het monster van de vergrijzing flink de kop opsteekt. In Spanje wonen rond het jaar 2050 nog maar 30,2 miljoen mensen, is de verwachting. Dat betekent een inkrimping van de bevolking met een kwart.

Om de economie en het pensioenstelsel overeind te houden, heeft Europa jaarlijks 1,4 miljoen nieuwe arbeidskrachten nodig, becijferde het statistische bureau Eurostat eind april. Dat betekent voor een land als Duitsland 350.000 nieuwe buitenlandse werknemers per jaar. En voor een betrekkelijk nieuwe economie als Spanje 240.000. En ze komen er: uit Polen (blank, katholiek en dus zeer geliefd), Zuid-Amerika (handig vanwege de taal), Afrika (zwart, maar goed bestand tegen de hitte in de kassen, zeggen de Spanjaarden). Onderaan de ladder bevinden zich de Marokkanen die worden geconfronteerd met regelrechte haat die terugvalt te voeren op de Spaanse Reconquista van de vijftiende eeuw.

Maar zo hortend als de Spaanse economie — gemeten vanaf de boom van het toerisme halverwege de jaren zeventig — omhoog is geschoten, verloopt ook de acceptatie van de nieuwe werkkrachten. In de Catalaanse industriestad Terrassa lieten skinheads in de zomer van 1999 uit pure balorigheid hun rott weilers los op groepjes Marokkanen, en ramden en passant wat koffiehuizen in elkaar. Dat ging met eenzelfde agressie als waarmee afgelopen maand protesten plaatsvonden tegen de komst van een moskee in een voorstad van Barcelona. En als die bij Murcia waar buitenlandse arbeiders met knuppels en kettingen werden aangevallen omdat ze verantwoordelijk werden gehouden voor wat werd genoemd de onveiligheid op straat.

Wellicht het grimmigst waren de rellen die vorig jaar in El Ejido plaatsvonden. Het begon met een ordinaire moord op twee tuinders die op een morgen gelyncht naast hun kassen werden aangetroffen. Hierop volgde een steekpartij op de zaterdagmarkt, begaan door een geesteszieke Marokkaan. Als reactie openden honderden met honkbalknuppels bewapende Spanjaarden hun «jacht» op de immigranten. Toegangswegen werden afgegrendeld, huizen, winkels en auto’s van buitenlanders vernield, benzinebommen onder gejoel bij woningen van immigranten naar binnen gemikt.

De politie deed weinig om het geweld te stoppen en de onlusten hadden nimmer juridische gevolgen voor de Spanjaarden. Elf herrieschoppers werden destijds gearresteerd, maar zijn nooit veroordeeld. Van de bijna zevenhonderd aangiften van de zijde van de immigranten werden er welgeteld twee ontvankelijk verklaard. De centrumrechtse burgemeester van El Ejido weigert daarover met De Groene Amsterdammer te spreken.

«Die rellen zijn een hete aardappel. Je zult niemand vinden die er iets over wil zeggen. Dat kost in de ogen van politici alleen maar stemmen», meent Ton Olsthoorn, een Nederlandse kweker die al vijftien jaar in El Ejido werkt. Toch mag je de inwoners van El Ejido die rellen niet aanrekenen, gelooft hij. «Al met al spelen andere oorzaken een rol. Enerzijds bestaat hier een voortdurend tekort aan werknemers. Aan de andere kant komen de migranten bij bosjes binnen. Zonder centen, zonder huis, zonder papieren. Dat geeft een onleefbare situatie.» Hij heeft veel vrienden onder de tuinders van El Ejido. «Ik ken een tuinder die zijn vrouw niet alleen over straat durft te laten gaan. Dan wordt ze lastiggevallen door Marokkanen.» Uiteindelijk is die geladen stemming de reden geweest voor de puinhoop in de stad, gelooft Olsthoorn. «De sfeer is daarna niet echt veranderd. Het is goed verpest.»

Zijn plantenkassen staan langs de zuidkust. Het gebied is een zandbak die tot in de jaren zestig nergens anders goed voor leek dan het draaien van spaghettiwesterns (Once Upon a Time in the West) omdat het er zo op Arizona leek. Maar nadat een boer bedacht hoe hij op de zandgrond tomaten onder plastic kon verbouwen, werd alles anders. Rond El Ejido zijn nu 6.500 tuinderbedrijven gevestigd. Reclameborden glimmen er over de voorspoed die «De revolutie van het plastic» bracht. Maar het samenleven tussen de tuinders en hun plukkers verloopt moeizaam.

In het vorig jaar verschenen boek El peaje de la vida (De tol van het leven) vergelijken de auteurs Juan Goytísolo en Sami Naïr de succesvolle Spaanse toeristenplaatsen met tuinderdorpen als El Ejido. «De situatie is dezelfde. Buitenlanders die tussen Spanjaarden leven. Maar het is maar waar je vandaan komt. De Europese bezoekers doen niet al te veel moeite met de Spanjaarden te integreren, hebben hun eigen kranten en televisiestations. In El Ejido hebben de buitenlanders niks, ook al willen ze maar een ding: integreren in de Spaanse samenleving. Maar natuurlijk zijn ze arm, accepteren inhumane arbeidsomstandigheden, zijn anders door hun cultuur, gebruik en geloof. Ze zijn, kort gezegd, ingedeeld in een inferieure sociale klasse.»

In Roquetas del Mar proberen Britse en Duitse gepensioneerden het natte voorjaar in hun eigen land te vergeten. Het is een klein wit Andalusisch stadje aan het water van de Middellandse Zee waar alles in vakantiesfeer is vormgegeven, inclusief appartementen met minaretjes om aan de Moorse geschiedenis te herinneren. Het Playa Hotel van Roquetas kost 120 gulden per nacht — het is nog laagseizoen. De gasten zwemmen traag in het lauwe zwembad. Voor vanavond staat de bingo aangekondigd. Dat is rond het moment waarop Mustafa, een Marokkaanse jongen van 28 jaar, een paar kilometer verderop in El Ejido zijn aardappelen schilt. Hij woont in een wijkje van ongeveer dertig krotten, opgetrokken uit stukken spaanplaat en landbouwplastic. Het huis bestaat uit twee delen: een slaapvertrek en een voorkamertje van twee bij drie. Een kippenpoot hangt aan een stuk waslijn om het buiten het bereik van de zwerfkatten te houden. Zwerfvuil strekt zich uit tot de rand van de Almere-Buitenachtige nieuwbouwwijk, waar boerentrekkers en vrachtwagens voor de huizen staan geparkeerd.

«Natuurlijk zouden we gewoon in een huurhuis willen zitten, maar er is niemand die aan ons wil verhuren.» Mustafa lijkt op de jongen uit de reportage die het Spaanse Canal+ uitzond. Een van de Marokkanen uit de krottenwijk was met een verborgen camera een bar van El Ejido binnengegaan. Hij moest er zeseneenhalve gulden voor zijn biertje betalen, de «officiële» prijs voor immigranten. De kroegbaas gaf toe dat de andere klanten nog niet de helft betaalden, maar hij hield nu eenmaal niet van de «moros» — een scheldwoord voor Marokkanen.

Tijdens de rellen van vorig jaar moest Mus tafa lijdzaam toezien hoe een aantal van de krotten werd platgebrand door razende inwoners van El Ejido. «Al die dingen maken ons niet bang», zegt hij. Hij aarzelt even. «Ze kunnen de mensen die willen komen toch niet stoppen. Daarvoor weet de politiek te slecht wat ze met het probleem aan moet. Maar uiteindelijk zullen veel Marokkanen hetzelfde aantreffen als ik. Werken en wonen in een krot onder het plastic.»

Het is een hardnekkig vooroordeel, deels gevoed door de media, dat Spanje te maken heeft met zoiets als een «lawine» van buitenlanders die in het land de welvaart komen wegkapen, geloven de auteurs van El peaje de la vida. In percentages is twee procent van de Spaanse bevolking van buitenlandse afkomst, waarvan meer dan de helft afkomstig is uit het rijke Noord-Europa. «Die twee procent is een lachertje in vergelijking met Frankrijk, Duitsland, Engeland of Nederland», aldus het boek. Verbazingwekkend is de Spaanse gedachte «overspoeld» te worden door buitenlandse werknemers, een paar decennia nadat de Spanjaarden zélf naar het buitenland moesten om werk te vinden. Wellicht is de economie na de dood van Franco te snel en te succesvol geweest, suggereren Goytísolo en Naïr. Of misschien is er zoiets als een collectief vergeten van de ellende van de Franco-tijd. De Spanjaarden vonden hun aansluiting bij Europa, het Europees-zijn werd de identiteit die het land zocht. Het had tot gevolg dat iedereen die niet het optimisme van de Europese voorspoed uitdroeg, het moeilijk kreeg.

In Spanje gebeurt vandaag de dag uiteindelijk hetzelfde als elders in Europa. Volgens de Spaanse filosoof Fernando Savater is het het racisme van de nieuwe rijken tegenover de armen. «Het ware vervloekte ras dat overal wordt vervolgd, is het ras van de armen. Je kunt er maar beter niet toe behoren», schreef Savater vorig jaar in El País. «Dat ras is onmisbaar als werkkracht of als lastdier, maar wordt ineens onverdraaglijk wanneer het zoiets als gelijke rechten verlangt. De inwoners van El Ejido zijn geen racisten, ook al hebben ze er geen bezwaar tegen dat de immigranten voor de helft van het normale loon werken (…) mits ze dan hun papieren maar in orde hebben. Zo niet, dan moeten ze gehoorzaam zijn en worden ze nog goedkoper», aldus Savater.

«Het probleem van de Spanjaarden is dat ze de immigranten als gereedschap zien. Werktuigen die je op een ochtend verzamelt op een pleintje in El Ejido en waarvoor je verder geen verantwoordelijkheid draagt», gelooft Mercedes García. Ze is de voorzitster van de werkgroep Mujeres Progresistas, de laatste organisatie die zich in El Ejido bekommert om het lot van de buitenlandse werkers. Het kantoortje van de vrouwengroep werd tijdens de rellen net als dat van twee andere hulporganisaties in puin geslagen, maar was uiteindelijk het enige dat daarna weer open durfde. Op de ochtend van het interview is het slot van het kantoortje met contactlijm dichtgekit. Het verbaast García niet meer. «We ontvangen steeds bedreigingen», zegt ze. «El Ejido is geen racistische stad, maar hier hebben wel mensen met extreemrechtse visies de overhand. Ze richten zich tegen anderen, wier misdaad is dat ze buitenlander zijn.»

De telefoon gaat onafgebroken terwijl García praat over de onlusten van een jaar geleden. Ze zag de rellen aankomen: «Er hing een vreemde sfeer in de stad, er werd op straat over gesproken de moren een lesje te leren. Het was allemaal grondig georganiseerd. Waarom kon niemand die werd aangevallen bij de politie terecht? Waarom arriveerde er in El Ejido een bestelbus met honkbalknuppels? Huizen met kinderen erin werden in de fik gestoken, terwijl niemand iets deed om het te stoppen. Ik weet het. Dat klinkt allemaal ongelooflijk in een democratie. Maar het gebeurde wel.» Ze barst in huilen uit.

Eerder op de morgen bezocht ze een groep Marokkaanse vrouwen. «Die vrouwen zijn via maffiagroepen hier gekomen en werken zonder enig recht. Hun paspoorten zijn door de eigenaar van het bedrijf ingenomen. We kwamen daar pas achter door het geval van een vrouw die een krat op haar voet kreeg en naar de dokter moest.» García hoorde hoe in het ziekenhuis achter haar werd gesist. «Help die buitenlanders vooral, dan krijgen we er nog meer hier.»

«Het werd me te vol in Nederland», zegt kweker Ton Olsthoorn op de vraag waarom hij destijds vertrok. «Ik zag alleen nog maar mensen die op elkaars lip woonden.» Hij werd goed ontvangen door de Spanjaarden. «Een Nederlander ligt niet snel slecht bij de Spanjaarden. Ook ik ben vertrokken om het hier beter te krijgen. Dat doet toch iedereen? Alle gedoe rond die immigranten is een welvaartsprobleem. Je haalt de welvaart waar je denkt dat je het kunt vinden. Dat geldt net zo goed voor mij als voor een Ecuadoraan of een Marokkaan.»

Het leeuwendeel van de plukkers in de kassen van Zuid-Spanje spoelde aan op het strand in de buurt van het stadje Tarifa, doorgaans in een nacht met volle maan. Ongeveer 26 kilometer scheidt Europa van Afrika. De Straat van Gibraltar is een bak woest water met een verraderlijke stroming doordat de Atlantische Oceaan er tegen de Middellandse Zee botst. In Tarifa blaast een forse wind en vier jongetjes staan rillend te vissen op een van de pieren. Ze wijzen naar de zijkant van de stenen. «Daar spoelen ze aan. Maar vannacht zullen er geen boten komen», zegt een van hen, «veel te veel wind.»

Tussen de rotsen zijn sporen te zien van de keren dat het mis ging. Een spijkerbroek golft op het water tussen de keien, een T-shirt, de resten van een kapot geslagen houten bootje, een winterjack. De kustwacht tekende vorig jaar een record op. Ze onderschepte achthonderd bootjes met aan boord zowat vijftienduizend illegale gelukzoekers. De cijfers waren een verviervoudiging in vergelijking met 1999.

Volgens Pepe Cardenas van het Rode Kruis in Tarifa vallen de cijfers allemaal op het conto van de florerende mensenmaffia te schrijven. «Het zijn criminele organisaties voor welke het smokkelen van mensen allang winstgevender is dan een lading hasj. Reken maar uit. Je stopt veertig verstekelingen in een bootje, die per persoon 250.000 peseta’s betalen.» Hij pakt een rekenmachine en komt op 132.000 gulden per boot.

Even buiten Tarifa begint een enorme, winderige zandstrook. Het grote strand en de onstuimige golven zijn zeer geliefd bij surfers. Het is ook het stuk zee waar vorig jaar tot verbazing van de toeristen de rubberbootjes van immigranten tussen surfplanken door laveerden. Begin juli houden activisten hier hun grenskamp «tegen het dodelijke regime van Fort Europa». Met wat geluk kunnen ze de doorgaans hevig onderkoelde immigranten direct in hun tentenkamp opvangen. Later deze maand zijn er soortgelijke protesten in Polen, Duitsland en Italië.

Kort na het interview met de Marokkaanse immigranten in El Ejido werd het overgrote deel van hun krottenwijk op last van het gemeentebestuur met de grond gelijk gemaakt. Het Rode Kruis, dat voorstelde een nood opvang voor de dakloze Marokkanen te plaatsen, moest afzien van die plannen na felle protesten van de omwonenden.