5 december 2006 - 19 maart 2011

Knut

Geboren als een vrolijk wit bolletje had ijsbeer Knut een treurige adolescentie en viel uiteindelijk levenloos in het water.

DAT JE BANG BENT voor slangen is logisch, net als voor spinnen en komodovaranen, maar voor leeuwen? Wie zou niet zo'n leeuw achter zijn kop willen krabben, zijn stugge manen beetpakken en ‘gossiegossiegossiegossie’ tegen ’m willen zeggen? Het is een emotionele dissonant om bang te zijn voor een dier dat er zo aanhankelijk uitziet, zo knuffelbaar. 'Een uiterlijk dat verregaande aaibaarheid suggereert wordt niet altijd bewoond door een dier dat, zoals een behaviourist het zou noemen, “positive caressing-oriented” is’, schreef dierenvriend Rudy Kousbroek in De aaibaarheidsfactor (1969). 'Zo is een beer een voorbeeld van een dier dat (…) intense aai-impulsen oproept en vaak denk ik met een zinkend gevoel in mijn maag aan de uitverkoren mensen, meest berenleiders, die hun hand maar hoeven uit te strekken om daar bv. een berenoor in te voelen, of die, zoals ik mij vaak tracht voor te stellen, achter een beer staande hun wang op diens schouder en hun armen op diens buik kunnen leggen.’
Zelden was er een aaibaarder gevalletje dan Knut de ijsbeer, geboren in de Berlijnse dierentuin op sinterklaasdag 2006. De eerste beer in dertig jaar die in de dierentuin werd geboren en het overleefde. Wollig en klein, hagelwit, meer pluche dan pluche, meer teddyberig dan je in de schappen van de Toys'R'us kon vinden. Duitsland rukte uit. Vierhonderd journalisten kwamen naar de 'perspresentatie’ van Knut en zagen het bolletje witte beer stoeien en spelen met zijn opvoeder, Thomas Dörflein, die alle dingen deed waar Rudy Kousbroek alleen maar van kon dromen. En Duitsland droomde mee. De bezoekersaantallen van de dierentuin verdubbelden bijna, Knuts eerste verjaardag werd live op tv uitgezonden, een speciale munt werd uitgegeven, Annie Leibovitz werd ingevlogen om foto’s van ’m te maken, ijsbeerparafernalia waren op elke straathoek te koop.
Verklaart aaibaarheid de populariteit? Duitsland is altijd het land geweest van beren, in wapenschilden, in sprookjes. Nog voordat de teddy bear populair werd in de VS had Duitsland ze al. Knut lijkt daar niets mee te maken te hebben. Er bestaat de mooie theorie dat je geen dieren aait die van mensen zijn die je niet mag. Door hun hond of kat te aaien, aai je in feite de persoon. Duitsland aaide zichzelf, verrukt van zijn eigen verrukking.
Zelden was er ook zo'n zielig beertje als Knut. Bij zijn geboorte verstootte zijn moeder hem (én zijn naamloze broertje dat vier dagen laten overleed); in 2008 stierf Dörflein onverwacht aan een hartaanval; Knut verwondde zijn voet en werd ziek toen zijn tanden doorkwamen; er waren doodsbedreigingen; zijn witte vacht verkleurde naar gelig grauw. Het verlies van zijn aaibaarheidsfactor was een hype binnen de hype. Eind oktober vorig jaar ging de Duitsland-correspondent van RTL Nieuws, Jeroen Akkermans, nog bij Knut op bezoek. Eerste zin: 'Knut is Knut niet meer.’ Hij zou geen vriendjes gemaakt hebben met de andere, grotere ijsberen en zou zijn dagen slijten op een eenzaam rotsje in het berenverblijf. 'Geboren als een vrolijk wit beertje ligt het logge beest er nu lusteloos bij.’ Toen verschillende bezoekers opmerkten dat hij er inderdaad een beetje pips bij lag zo in z'n eentje kwam een bioloog aan het woord die nog eens bevestigde dat Knut hier 'geen zorgeloos leven heeft’. Een politica verscheen in beeld, ene Frau Claudia Hämmerling, die uitlegde dat Knut niet op zichzelf stond. Knut stond symbool 'voor veel beren, grote katachtigen en olifanten die behoeften hebben waaraan niet voldaan kan worden’. Toen kwam Akkermans zelf in beeld. Rechtstreeks uit een Duitse Krimi. Wallen. Mondhoeken omlaag, sonore stem alsof hij een uitvaart becommentarieerde: 'En zie hem nou eens daar liggen, omringd door drie ijsbeervrouwtjes en tal van bewonderaars.’
Een van de bewonderaars vertelde dat ze nu zo'n tweehonderdduizend foto’s van hem had; een Nederlandse mevrouw in een windjack zei dat ze wel eens een grote zalm voor hem zou meenemen, 'en dan hoop ik maar dat-ie dat op prijs stelt’.
Akkermans: 'Doet u dat ook voor uw man?’
Mevrouw: 'Nee, nee, dat doe ik niet.’
In het laatste shot zien we Knut voor zich uit kijken, met de dierse droefheid van wanhoop en kalmte, de camera pant omlaag en toont water waar regendruppels in vallen. Zozeer als we genoten van Knuts aaibaarheid, zozeer zwolgen we in het verdriet van Knuts mislukte adolescentie. Hij was niet langer een pluizig bolletje, het Knut-verhaal was een soap geworden met een sterk antropomorfisch karakter: Knut was de gevangene van zijn eigen zachte vacht, te lief om met de andere beren mee te komen. Door zijn intense contact met Dörflein was Knut meer gericht op mensen dan op zijn soortgenoten. Knut was one of us!
En dan volgt nu het flauwe maar onvermijdelijke commentaar dat Knut gestorven is zoals hij geleefd heeft. Knut, de prinses Diana van de ijsberen. Dit weekend, nog geen vijf jaar oud, liep hij op de ijsberenrots wat met zijn been te trekken, gromde wat en viel dood in het water. Meer dan zeshonderd betalende bezoekers zagen het gebeuren. Op internet zijn nu overal video’s en foto’s te vinden van de machtige berenrug die in elkaar zakt. Een van de schrijnendste verhalen kwam van Markus Röbke, een verzorger in het ijsberenverblijf. Na Dörfleins dood was Knut vereenzaamd, in rouw, en was hij zo gewend geraakt aan de enorme aandacht dat wanneer er na sluitingstijd niemand bij zijn verblijf stond hij begon te huilen. Röbke: 'Knut heeft een publiek nodig om te functioneren.’
Gelukkig hebben we Bokito nog.