Knutselen

In het oktobernummer van De Gids vraagt de Spaanse auteur Javier Marías zich af of er verschil bestaat tussen het schrijven van een literaire tekst en het vertalen ervan. Zijn antwoord is voorzichtig negatief. In de literatuur, en vooral in de poëzie, is de vorm zo belangrijk dat de vertaler voor hetzelfde probleem komt te staan als de schrijver: hoe krijgt de doorleefde ervaring haar adequate neerslag in de taal?

De aard van die ervaring is bij beiden verschillend: bij de schrijver betreft zij de werkelijkheid, bij de vertaler een realiteit die reeds taal is geworden. Maar beiden trachten iets te verwoorden waaraan zij een herinnering hebben: de één een voorval, de ander een tekst. En daarom is iedere vertaling volgens Marías even getrouw. Het criterium daarvan is niet het origineel, maar de ervaring daarvan zoals de vertaler zich die in zijn hoofd heeft – onvermijdelijk gekleurd door zijn eigen lees- en levensgeschiedenis.

Of iedere vertaler die herinnering even goed zal weten te verwoorden, is daarmee nog geen uitgemaakte zaak. Maar wie zal hem, anders dan hijzelf, daarin de maat kunnen nemen? De lezer zal alleen kunnen vaststellen dat alle vertalingen van dezelfde brontekst steeds weer anders zijn. Samen vormen zij – zo schreef Borges in zijn opstel De versies van Homerus, eveneens in De Gids – een bibliotheek die rijker is dan het origineel. In vertalingen wordt dat laatste bevrijd uit zijn noodlottige onbeweeglijkheid en komt opnieuw tot leven, aldus Borges, die vertalingen om die reden boven de «oerversie» prefereert.

Daarin steekt ongetwijfeld een zekere recalcitrante nuffigheid, maar ook Marías’ tegendraadsheid is niet zonder probleem. Want anders dan de schrijver, die alleen met zijn ervaring te maken heeft, moet de vertaler met twee bronnen rekening houden: niet alleen wat er is gezegd, maar ook hoe het gezegd is. Wat het eerste betreft heeft hij minder literair vernuft nodig dan de schrijver, wat het tweede betreft meer, want hij zit bij voorbaat ingesnoerd in een taal waarmee hij (meer dan de auteur) moet woekeren.

Noodgedwongen slaan vertalers dus aan het knutselen, zo laat Maarten Steen meijer zien in zijn commentaar op Borges’ gedicht El gaucho, dat hij samen met Barber van de Pol razend knap in het Nederlands heeft omgezet. Borges gaf het gedicht een klassieke vorm van acht rijmende kwatrijnen en juist met die formele elementen worstelden de vertalers: «toon, stijl, ritme, klank», aldus Steenmeijer. Maar uiteindelijk ging het volgens hem ook daarbij om de verwoording van een «(oer)ervaring van het gedicht», die meer met vorm dan met betekenis van doen heeft.

Daarmee doet Steenmeijer zichzelf een beetje te kort. Terwijl de dichter alle vrijheid heeft in het kiezen van woord, klank, beeld en toon, is de vertaler met handen en voeten gebonden aan keuzen die reeds vóór hem zijn gemaakt. Fascinerend in Steenmeijers bijdrage is nu juist de totstandkoming van een overtuigend compromis tussen vertaling en origineel en de ijzeren discipline die de vorm daarbij vereist.

Onwillekeurig krijgt de inhoud daardoor echter te weinig nadruk. En zoals Steenmeijer wel laat zien, maar niet laat doorwegen, vergt ook die het nodige gepriegel. In Nederland zijn de connotaties van Borges’ gedicht nu eenmaal geen gesneden koek. «Weet een Nederlander wat een gaucho is?» – is de eerste vraag die de vertalers zich moesten stellen, en Steenmeijer geeft daar terecht geen simpel antwoord op.

Wél onderstreept hij met die vraag terloops een deel van Borges’ vaststelling dat een vertaler de oertekst ook verrijken kan. Want met die commentaarzin roept hij, wellicht onbewust, de herinnering op aan die andere schrijver van (zij het Noord-Amerikaanse) cowboys: Karl May. Met de vraag «Weet gij, waarde lezer, wat een greenhorn is?» opende die ooit het eerste deel van zijn Winnetou-cyclus.