Koehandel in Chinese dissidenten

Over nog geen zes weken beginnen hier in Peking de Olympische Spelen in aanwezigheid van premier Balkenende en kroonprins Willem-Alexander. In tegenstelling tot onder andere Groot-Brittannië en Duitsland is Nederland duidelijk niet van plan al te veel heisa te maken met het economisch machtige China door uit protest tegen het barbaarse optreden in Tibet of de andere mensenrechtenschendingen die in China plaatsvinden een prins of premier thuis te houden.

Nederland bedrijft ‘stille diplomatie’, zoals dat heet. Zo nu en dan een voorzichtig en zacht woord achter gesloten deuren. Dat moet genoeg zijn om Nederland van verdere mensenrechtenverplichtingen te ontslaan. Een lesje dat Den Haag denkt te hebben geleerd sinds Nederland meer dan tien jaar geleden als toenmalig voorzitter van het Europees Parlement bij de jaarlijkse bijeenkomst van de VN-mensenrechtencommissie een zeer scherpe motie jegens China aanmoedigde. Dat daar de bilaterale relaties op z’n zachtst gezegd niet op vooruitgingen, daar kunnen zakenmensen en diplomaten nog steeds smakelijk over vertellen. Economische wraak en de diplomatieke ijskast waren de prijs die Den Haag moest betalen. Het kostte meer dan een jaar om Peking weer enigszins vriendelijk te stemmen. Zo denkt China nu eenmaal om te moeten gaan met brutale kleine landjes.
Maar tussen de eigen macht overschatten en het huidige laffe achterkamertjesgefluister is natuurlijk nog heel wat mogelijk. Gewoon doen wat nodig en fatsoenlijk is, is al heel wat.
Daarom het volgende: vanouds heeft China de cynische gewoonte om bekende dissidenten vrij te laten als dat diplomatiek zo uitkomt. Vanwege ‘gezondheidsredenen’, is dan doorgaans het doorzichtige argument. Zowel Tony Blair als Bill Clinton kwam ooit triomfantelijk thuis met zijn eigen Chinese dissident toen dat Peking diplomatiek wel handig leek: koehandel in mensenvlees. Ook werden tijdens de eerste Olympische campagne in 1993, daags voor een bezoek van het Olympisch comité, in een keer twintig roemruchte lastpakken op straat gezet. Daaronder Wang Dan, een van de leiders van de studentenprotesten op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989. Dat hij ogenblikkelijk weer werd opgepakt toen de Spelen uiteindelijk toch aan Sydney werden toegewezen, toont weer aan wat de waarde van een mens hier is.
Ook nu is een beperkte en misschien tijdelijke amnestie voor een aantal opvallende dissidenten niet onwaarschijnlijk. Want dat Peking alle positieve spin nodig heeft om de nu al besmette Spelen te redden, daar zijn ook de gietijzeren breinen in het regeringscentrum van Zhongnanhai wel van doordrongen. Nederland kan een positieve rol spelen in dit proces: dring in Peking aan op een Olympische amnestie en geef waarborgen om in ieder geval China’s koppigste activist Hu Jia met zijn gezin in Nederland te zullen opnemen, als hij dat wil.
Hu Jia werd in april dit jaar veroordeeld tot drieënhalf jaar gevangenisstraf. ‘Wegens het aanzetten tot ondermijning van de staat en het socialistische systeem’, zoals dat in Pekingse Newspeak heet. In werkelijkheid zette hij zich in voor het lot van vergeten aidspatiënten op het platteland, het verziekte milieu aldaar en de mensenrechten. ‘Zo’n man waar je als normaal land trots op zou moeten zijn’, werd hij omschreven door een Pekingse die hem niet eens persoonlijk kent. Zo’n man die in een normaal land subsidie en een lintje krijgt, kun je daaraan toevoegen.
Maar in China staan zulke mensen boven aan de lijst van ‘staatsvijanden’. Voor altijd. Zelfs als hij begin augustus vrijkomt, dan verdwijnt Hu Jia met de Olympische Spelen veilig in de achteruitkijkspiegel binnen de kortste keren weer in de gevangenis. Dat blijkt wel uit het lot van Wang Dan en talloze anderen. Volgens mensenrechtenactivisten zit Hu Jia’s al even uitgesproken vrouw Zeng Jinyan nu ‘slechts’ in huisarrest omdat Peking een officiële arrestatie op dit moment niet aandurft. Een moeder van een zeven maanden oude baby in het gevang doet het publicitair niet zo goed met de Olympische Spelen in aantocht.

Of het echtpaar inderdaad weg wil uit China is niet bekend. Eind vorig jaar zei Hu Jia tegen De Groene Amsterdammer dat hij wilde blijven. Maar dat Hu en zijn gezin met dreiging van nieuwe gevangenisstraf uiteindelijk toch tot verhuizing zullen worden gedwongen, lijkt gezien China’s verleden in dit soort zaken zeer waarschijnlijk. Hu zei ooit te verwachten dat mede door de internationale belangstelling rond de Olympische Spelen de ‘stalinistische’ regering van China binnen zeven jaar ineen zou storten. Dat is wel al te naïef – en zo snel zullen Hu’s problemen dus niet over zijn. Een staande invitatie van Nederland zou het tweetal in ieder geval mogelijkheden bieden.
Op 12 maart 1997 sprak toenmalig vice-premier en minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo als vertegenwoordiger van de EU bij de VN-mensenrechtencommissie de volgende woorden: (de naam van Hu Jia is alvast ingevuld omdat er in al die jaren helemaal niets is veranderd) ‘Het is onze plicht om ons uit te spreken namens [verdedigers van mensenrechten in China], omdat zij vaak de mond gesnoerd zijn door hun eigen regering. […] Ik refereer aan [Hu Jia, vervanging van originele naam] verdediger van mensenrechten, die nu in een gevangenis in China zucht. […] Deze mensen staan symbool voor de duizenden wier enige misdaad het is dat zij zich voor mensenrechten en fundamentele vrijheden hebben uitgesproken. We houden hun regeringen verantwoordelijk voor hun gezondheid en veiligheid. Hun regeringen werpen twijfel op over hun eigen praktijken door verdedigers van mensenrechten vast te houden. Hun regeringen zouden hen vrij moeten laten, of zij zouden een onafhankelijk juridisch orgaan deze zaken moeten laten afhandelen.’
Die voor China razend makende woorden hoeven niet opnieuw heldhaftig te worden uitgesproken. Daarvoor is Nederland in de ogen van Peking inderdaad te nietig en te kwetsbaar. Maar in die geest handelen, en een mogelijke toekomst voor Hu Jia en de zijnen in ons land aanbieden, is niet meer dan fatsoenlijk.