De betekenis van de poldermoskee

Koepels in de klei

Geert Wilders heeft aangekondigd op 11 september in New York een toespraak te houden tegen ‘de idiote bouw van een moskee op Ground Zero’. Mag de overheid de liberale islam voortrekken bij het verlenen van bouwvergunningen. De ene moskee is de andere niet.

HET MOET een cultuurplaats voor moslims worden, met naast een moskee ook een zwembad en een disco. En het ligt niet op Ground Zero maar twee straten verderop. Volgens de oprichter van Park51, imam Feisal Abdul Rauf, moet zijn centrum vooral een moderne ontmoetingsplek zijn, met activiteiten en onderwijsprogramma’s. En het komt er helemaal niet uit te zien als een traditionele moskee - met mozaïeken, koepels of hoge minaretten - maar juist modern, met veel staal en glas. Volgens de ontwerper, Sharif El Garnal, is het gebouw een ‘uiting van New York en van Amerika’.
Het deert de tegenstanders niet, beeldvorming is alles. Een moskee op de plek van 9/11, hoe haal je het in je hoofd. Dat is heilige grond, respectloos tegenover de slachtoffers. Het debat wordt met de dag scherper en geagiteerder. Ground Zero Mosque, zoals hij door tegenstanders genoemd wordt, mag er niet komen. Een broedplaats van terrorisme op de plek des onheils. Ruim de helft van de Amerikanen is fel tegen. Het idee dat de overheid er eigenlijk niet (meer) in kan treden boeit hun niet, de scheiding van kerk en staat mag even overboord, het antidiscriminatiebeginsel uit de grondwet moet maar even vergeten worden.
De voorstanders, onder aanvoering van de New Yorkse burgemeester Michael Bloomberg, vinden dat bij uitstek in the land of the free geen obstakels kunnen worden opgeworpen tegen uitingen van religie. Ze vinden de tegenstanders racistisch en benepen. Bloomberg verdedigde Park51 door te wijzen op de vrijheid van godsdienst en het principe dat de overheid niet de ene religie boven de andere mag stellen.
De discussie in de Verenigde Staten legt pijnlijk dilemma’s bloot over de rol van de overheid in religie, over het toepassen van artikel 1 van de grondwet en over de motieven van verschillende moskeeën. Want ook in Nederland is er discussie over de bouw van moskeeën. En die is niet zo gemakkelijk als het lijkt - welke moskee krijgt een bouwvergunning, welke niet? Mag de overheid (gemeente) daarin onderscheid maken, schendt ze dan niet de scheiding van kerk en staat? En wat als de scheiding van kerk en staat juist beschermd wordt door gelovigen te sturen, bijvoorbeeld door alleen gematigde moskeeën een vergunning te geven?
'Onderzoek laat zien dat in moskeeën nauwelijks radicalisering plaatsvindt. Maar de krachtige retoriek van rechtse politici, zoals Wilders, is moeilijk te nuanceren’, zegt politicoloog Marcel Maussen. Hij promoveerde vorig jaar op Constructing Mosques: The Governance of Islam in France and the Netherlands. Moskeeën zijn helemaal geen broedplaatsen voor terrorisme, zegt hij. Dus vanuit dat oogpunt - openbare orde en veiligheid - zou de overheid weinig reden hebben om zich te bemoeien met de plaats en het type van moskeeën.
Maar toch gebeurt het. Uiteraard geen algeheel anti-islambeleid - dat is te breed en zou strijdig zijn met de grondwet. Maar de overheid kan wel op andere manieren invloed uitoefenen op geloofsuitoefening, zegt Maussen. 'Een gemeente kan de bouw van moskeeën sturen. Als er dan toch een moskee gebouwd moet worden, ziet men hier het liefst een geïntegreerde en progressieve moskee. Gemeenten zullen daar dan ook eerder subsidies of vergunningen aan toekennen.’

DE ENE MOSKEE is de andere niet. Een moskee met koepels, minaretten en mozaïeken wordt vaak gezien als symbool voor gestagneerde integratie. In hun vorig jaar verschenen boek De moskee noemen de jonge architecten Cihan Bugdaci en Ergün Erkoçu dit een 'heimweemoskee’. Het oriëntaalse uiterlijk van zo'n moskee zou het verlangen naar het islamitische vaderland symboliseren en een soort verzet tegen de omgeving uitstralen.
Naast de heimweemoskee beschrijven Bugdaci en Erkoçu ook de 'schuilmoskee’. Aan de buitenkant is het gebouw niet te herkennen als een moskee, het gebedshuis is gesloten en onttrekt zich aan het grote publiek. Volgens Bugdaci en Erkoçu ontstonden in vroeger jaren veel van dit soort moskeeën, toen islamitische migranten uit geldgebrek hun eigen bidplekken moesten inrichten in leegstaande kantoorpanden of bovenwoningen. Maar tegenwoordig nemen de geëmancipeerde moslims minder genoegen met een verstopt gebedshuis.
Bugdaci en Erkoçu onderscheiden nog een derde variant: de 'poldermoskee’. Een geïntegreerd gebedshuis, waar naast religieuze ook andere activiteiten worden aangeboden, onder meer gericht op jongeren. De moskee zou architectonisch goed in de omgeving passen en elementen overnemen van het land waarin hij gebouwd wordt. Het geplande islamitische centrum in New York, Park51, is typisch een poldermoskee.
De architecten kijken, begrijpelijk, naar het uiterlijk van de moskee. Maar dat zegt niet altijd veel over hetgeen achter de voordeur gebeurt. Architectuurhistoricus Eric Roose laat in zijn proefschrift The Architectural Representation of Islam: Muslim-Commissioned Mosque Design in the Netherlands (2009) zien dat een moskee zonder de traditionele minaretten, versieringen en koepels ook heel goed een zogeheten heimweemoskee kan zijn. Achter het sobere uiterlijk gaat dan een puriteinse opvatting van de islam schuil, waarin sterk wordt terugverlangd naar de tijd van de profeet. De El-Tawheed in Amsterdam, bijvoorbeeld.
Volgens Roose is de driedeling van Bugdaci en Erkoçu te zwart-wit, te veel goede (polder)moskee tegenover slechte (heimwee)moskee. Ook Marcel Maussen plaatst een kanttekening bij de theorie van Bugdaci en Erkoçu: 'Het gaat niet zozeer om het uiterlijk van de moskee maar om de opvatting van de islam binnen het bestuur. Dat kun je helemaal niet altijd aan de buitenkant zien.’ Drie grote moskeeën in Nederland hebben een gelijk, traditioneel uiterlijk. De Taibah in Amsterdam, de Mevlana in Rotterdam en de Sultan Ahmet in Zaandam hebben alledrie minaretten en koepels en oriëntaalse versieringen. Maar intern zijn ze heel verschillend, de Taibah is veel orthodoxer dan de Sultan Ahmet.
De Westermoskee van de Turkse Milli Görüs had een poldermoskee moeten worden. In overleg met de gemeente werd het islamitische gebedshuis in een groter stadsvernieuwingsproject opgenomen, en zou het naast een moskee ook een debatcentrum, woningen en een parkeergarage omvatten. Het ontwerp was in de stijl van de Amsterdamse School. De gemeente en de woningbouwvereniging spraken met het moskeebestuur af dat er een liberale koers zou worden gevaren. Toen er later toch een conservatief bestuur aantrad, ontstond er onrust, waarna de gemeente en de woningbouwvereniging zich terugtrokken.
De Westermoskee legt de spanning bloot tussen integratie en de vrijheid van godsdienst. De geïntegreerde poldermoskee is het Nederlandse ideaal, maar alleen hiervoor toestemming verlenen zou niet kunnen. Voorrang geven aan de liberale en meest geïntegreerde stromingen bij de bouw van moskeeën zou zich wellicht slecht verhouden met de scheiding van kerk en staat. Toch kunnen gemeenten bij het verlenen van vergunningen, zeker als het gaat om nieuwe locaties, sturend optreden. Maussen vindt het positief dat de bouw van dergelijke geïntegreerde moskeeën wordt gestimuleerd: 'Een moskee waar meer wordt gedaan dan alleen bidden, zal wellicht meer jongeren aantrekken. Deze jongeren zouden anders misschien op internet hun geloof zoeken, waar het gevaar voor radicalisering het grootst is.’

IN ZIJN PROEFSCHRIFT beschrijft Maussen dat de overheid tot begin deze eeuw vooral afzijdig bleef. Er werden wel subsidies gegeven voor de bouw van moskeeën, maar dat was - hoe Nederlands - vooral pragmatisch, om overlast in wijken tegen te gaan. Vergunningen werden gegeven voor bouw langs spoorwegen en snelwegen, zodat moslims dan zelf mochten bepalen hoe ze eruit zouden zien. Autochtonen werden niet geacht te klagen over deze ontwerpen. De overheid deed vooral aan conflictvermijding, al veranderde dat na de komst van Pim Fortuyn, 9/11 en de moord op Theo van Gogh.
Maussen wijst op het verschil met Frankrijk. 'Het is opmerkelijk dat in een land met zo'n scherpe scheiding tussen kerk en staat de overheid juist altijd een actief beleid heeft gevoerd om de islam te reguleren.’ Ten tijde van de kolonisatie betaalde de Franse overheid imams die een gematigde islam propageerden en probeerde radicale islamitische bewegingen zoveel mogelijk de kop in te drukken. Ook bemoeide de overheid zich met de bouw van moskeeën. De oriëntaalse bouwstijl werd overgenomen, zoals bij de 'Mosque’ naast de Jardin de Plantes in Parijs, in 1926 gebouwd als symbool van de positie van Frankrijk als grootmacht in de islamitische wereld. Ook nadat de scheiding tussen kerk en staat in 1958 officieel in de Franse grondwet was vastgelegd, bleef de overheid zich bemoeien met de islam. Toen ook in Frankrijk schuilmoskeeën tot overlast leidden, besloot de overheid in verschillende steden juist 'kathedraalmoskeeën’ te gaan bouwen. Maussen: 'Een bekende kathedraalmoskee is die in Marseille. Er moest een grote en statige moskee midden in de stad komen, een die kon “concurreren” met de christelijke kathedraal. De overheid wilde zo een geïnstitutionaliseerde plek ontwikkelen voor een “Franse islam”. Maar het project liep op een teleurstelling uit toen bleek dat er te weinig gebruik van werd gemaakt. Moslims groepeerden zich liever zelfstandig, zo bleek.’
Sindsdien voert de Franse overheid volgens Maussen een 'tweesporenbeleid’: 'Aan de ene kant wordt er een harde strijd gevoerd tegen religieuze symbolen zoals het dragen van boerka’s, tegelijkertijd wordt een gematigde islam door de overheid gestimuleerd door het ondersteunen van imamopleidingen en de oprichting van kleine buurtmoskeeën. Mede hierdoor is de afgelopen jaren het aantal moskeeën in Frankrijk sterk gestegen.’
Is dat een goede zaak? In het publieke debat - zowel in Frankrijk en Nederland als de Verenigde Staten - lijkt 'moskee’ synoniem te zijn geworden voor 'broedplaats voor moslimterrorisme’. Dus hoe minder, hoe beter. Maar we moeten ons juist zorgen maken om de moslims die de moskee níet bezoeken, stelt Maussen. 'Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat radicalisering niet plaatsvindt in moskeeën maar op het internet. Juist daarom is het zo van belang dat er geïntegreerde moskeeën komen, zodat ook jongeren naar de moskee gaan.’