Koesteren

Ik wil alles behouden.

Spijt vermeerdert zich namelijk bij alles wat verdwijnt.

En omdat spijt een vorm van schuld is, voel ik me schuldig over wat weg is.

Hier is mijn jaren-zestigkamer.

Op de van de straat geraapte crapaud waaroverheen ik het oude kleed uit Indië van mijn ouders heb gelegd, rook ik een joint, en in de zoete dampen die rond mijn hoofd kringelen, bevinden zich verlangens waarvoor ik me schaam.

Hoewel… ik wil vooral gekust worden.

Mijn pick-up draait muziek die nu ouderwets is, en ofschoon ik toen niet gelukkig was, zou ik daar weer, in die kamer, moeten zijn om nu gelukkig te worden.

Hoe fout is het om te koesteren en te conserveren?

Het poëtische aan mijn gedichten van eertijds is mijn handschrift; elke letter moest de kracht van het gehele vers bevatten, of een liefdesbrief zijn die onmiddellijk zou verleiden.

Waarom lukte dat niet, terwijl die goede karakters – hoe mooi schreef ik de h en de hoofdletter A – vol levenslust zitten? Jaja, de inhoud is kitsch – alsof die meisjes dat wisten.

Ik zoek die slome zak van toen.

Ik kan er niks aan doen, maar ik hou steeds meer van tradities en rituelen. Tegenwoordig meer dan vroeger.

Tradities zijn doosjes met daarin de tanden van de tijd.

Open je zo’n doosje, dan wordt vroeger nu.

‘Kijk, zo deed ik het en zo wil ik het nu weer doen.’

(Als ik zeur, zeggen hoor. Zeuren is een soort uit je mond stinken; niemand durft er echt wat van te zeggen.)

Je aarzelt steeds meer. Je weet wel wat goed was, maar niet wat goed is

Toen mijn vader in Japanse krijgsgevangenschap zat, was Het Wilhelmus verboden. Toch zongen ze dat. Of zongen… ze hadden daar een vorm van Sprechgesang voor verzonnen.

‘Wil!’
‘Hel!’
‘Mus van Nas!’
‘Souwe, ben ik..’
‘Van Duitse bloed!’

Terwijl ze de spoorbielzen droegen, zeiden de gevangenen zo het volkslied op. Op de toon van strenge aanwijzingen. Zo namen ze de Koreaanse soldaten in de maling.

Maar dat Wilhelmus was een traditie en een ritueel. Het zorgde niet alleen voor een bond tussen de gevangenen, het gaf aan dat ze Nederlanders waren. Willem van Oranje voedde ze met trots. Ze konden zich daarmee tevens onderscheiden van de Engelse en de paar Australische krijgsgevangenen.

Daarvoor zijn tradities. Ze signeren je persoonlijkheid. Ze zorgen ervoor dat je weet bij wie je hoort. Ze zijn van belang voor je identiteit, als ik dat modewoord mag gebruiken.

Maar er is gêne.

Want het is net of je de toekomst niet wil. Je zit in de crapaud uit je puberkamer en alles speelt zich achter je af; je hebt heus wel oog voor het feit dat je alles wat ‘toen’ bevat romantiseert. Je bent een romanticus. Misschien zorgt dat er wel voor dat je bedremmeld over je gedachten spreekt.

Verandering – een woord als een juichkreet dat veranderde in een vloek. Mocht alles toch eens niet meer veranderen, het zou de beste panacee zijn tegen die verdoemde Tijd die maar doorgaat – en dus tegen de dood.

Zodoende ga je aarzelend door het leven. En je aarzelt steeds meer. Je weet wel wat goed was, maar niet wat goed is.

Koesteren en conserveren – het bepaalt je wereldbeeld vaker en vaker.

De moderne stad lijkt gebouwd te worden met materialen van angst. De oude wijken zwijgen mistroostig.

‘Wat ga je voorlezen?’
‘Kruimeltje.’
‘Wat een oud boek.’

Je slaat het open en ruikt je moeder die je omarmde toen je bij de laatste pagina’s moest huilen. Je hebt Alleen op de wereld ook al klaargezet, voor als kleinzoon iets ouder is.

‘Nee, ik wil niet… Wil je iets anders voorlezen?’
‘Wat dan?’
‘Dit.’

Het is het boekje Dog Man en Kit Kat.

Je aarzelt. Je bent beschroomd. Maar je doet het.