Koesteren en verrot schelden

Van de vier individuele prijzen die jaarlijks aan toneelspelers worden uitgereikt, gingen er dit weekend drie naar acteurs in producties die werden gemaakt binnen de Toneelschuur in Haarlem.

De Toneelschuur is niet alleen een serie goed bespeelde theaterzalen maar ook een ‘productiehuis’ voor jong toneeltalent, een tak van sport die er binnen het landschap van het Nederlands toneel eigenlijk niet meer had mogen zijn.

Althans als het aan de landelijke overheid ligt. De minister van Cultuur, Jet Bussemaker, heeft in augustus per brief laten weten dat het begeleiden van talenten in de podiumkunsten voortaan zou moeten geschieden door een vijftal ‘artistieke coaches’, volgens het meester-gezelmodel dat in de beeldende kunst al langer in zwang is. Vanaf dit najaar tot eind 2016 gaat Bussemaker daarvoor geld reserveren op haar begroting. Welnu, voor jonge, in hun ateliers ploeterende beeldend kunstenaars is het wellicht een zegen om af en toe Jasper Krabbé of Rineke Dijkstra op bezoek te krijgen. Voor regisseurs en choreografen is dit plan echter ineffectief en feitelijk volstrekte onzin.

Jonge theatermakers willen hun acteurs, ontwerpers en technici kunnen betalen. Ze willen onder redelijke condities kunnen repeteren. Ze willen over podia beschikken waar ze hun werk kunnen toetsen aan een publiek. Een en ander bij elkaar georganiseerd door entrepreneurs, door de wol geverfde ambachtslieden en kunstenaars in beschermende toneelhuizen. Aan rugzakjes met negenduizend euro talentengeld hebben ze niets, eenvoudigweg omdat je er geen toneel van kunt maken. Met dikbetaalde mentoren en coaches die wéér een nieuwe beoordelingslaag toevoegen aan de al (on)behoorlijk kafkaëske kunstbureaucratie schieten de jonge talenten ook niks op. Zeker in het huidige klimaat. Schraalhans is in de kunsten al geruime tijd keukenmeester. Maar nu is angst ook nog de chef-kok geworden. In een krant verkondigde iemand van de onlangs opgezette Nederlandse Akademie van Kunsten dat men in dat hoge adviescollege vooral ‘geen argumenten moet verschaffen aan de kunsthaters’. Dat ruikt naar het op bevel inslikken van dromen omdat ‘kunsthaters’ aan die dromen wel eens aanstoot zouden kunnen nemen – en dat is pas écht een vrij gruwelijk en afschrikwekkend toekomstbeeld.

Ik heb het een paar weken geleden op deze plek al eens betoogd: dat minister Bussemaker voor de ontwikkeling van talenten in totaal acht miljoen euro wil teruggeven van de tweehonderd die in een andere politieke constellatie vier jaar geleden aan de kunsten zijn onttrokken, dat valt zeer in haar te prijzen. Maar laat ze die o zo kwetsbare middelen niet in de sloot of over de heg smijten. Koppel de herwonnen middelen aan de fondsen en de plaatsen waar jonge kunstenaars hun kleinschalige projecten nu reeds kunnen financieren en realiseren. Stel de voorwaarde dat het jonge talent een partner moet hebben, in de vorm van een podium, een toneelhuis dat bereid is de nek voor die aanstormende kunstenaar uit te steken. De coaches, de mentoren, die zitten dáár al. Die werken daar namelijk. Die weten wat het is om talenten te koesteren én uit te dagen, te beschermen én eventueel verrot te schelden. Van een meester leert de gezel het best op de speelvloer, door te werken, te vallen, te falen en daarna nog beter te falen, om Samuel Beckett nog maar weer eens te citeren. Een schriftuur, een artistieke signatuur, een handschrift leer je primair in het repetitielokaal, niet aan het bureau van een netwerker.

Komend weekend gaan de beste afstudeervoorstellingen van drie theaterscholen (Brussel, Amsterdam, Maastricht) onder de verzameltitel Het debuut een ruime maand op tournee langs een aantal theaters. De tour start in de Toneelschuur te Haarlem. Dat u het weet!


Het debuut reist 19 september t/m 31 oktober door Nederland en Vlaanderen.


Beeld: Het debuut, Metamorphosen (Jochem Jurgens).