Bart Moeyaert

Koffers van dezelfde soort

Bart Moeyaert, Broere

Uitg. Querido, 128 blz., ƒ28,50

In het werk van de Vlaamse schrijver Bart Moeyaert speelt het gezin een belangrijke rol. Het is zelden een plek die gezelligheid, warmte of geborgenheid biedt. In boeken als Blote han den (1995 ), Wespen nest (1997) en Het is de liefde die we niet begrijpen (1999) wordt de thuissfeer eer der bepaald door on macht, gemis en broeie rige con flicten. Niets van dat alles is terug te vin den in Broere, dat rechtstreeks afkomstig is uit de tijd dat geluk nog heel gewoon was.

In 31 korte impressies roept de auteur de omgeving op waar hij groot werd. De foto achterop spreekt al boek delen nog vóór je een letter gelezen hebt. Zeven jongens pose ren in hun goede goed bij de kerstboom, ge plakte haren, zondagse lach en verlegen tegen elkaar aan han gend vanwege de fotograaf. De overheersende kleur is iets tus sen beige en grijs in en hoewel het ongeveer 1968 moet zijn, is het zichtbaar dat hier de jaren vijftig aanzienlijk langer hebben geduurd. Dat is ongetwijfeld mede een gevolg van het feit dat het ouderlijk huis deel uitmaak te van een dorpsgemeen schap. De voorjaarsschoonmaak werd er nog met overgave uitgevoerd en op gezette tijden kwam de alcoholistische bezit ter van een rammelaar langs gefietst, om daarmee in ruil voor en kele borrels elk vrouw tjes konijn te bevruchten.

Op de foto zie je een klont broers en zo be richt Moeyaert er ook over. Het zevental opereert altijd «en bloc» en krijgt geen naam. De jongens worden aange duid als «de oudste, de stil ste, de echt ste, de verste, de liefste, de snel ste en ik». Die kwalifi ca ties worden nergens uitgewerkt. Ze zeggen vooral iets over de blik van de verteller: al die broertjes zijn al iemand terwijl hij, zoals hij bij herha ling vaststelt, jong is, «erg jong, te jong eigenlijk». En hij moet ook nog veel leren, «heel veel zelfs, ei genlijk nog alles». Hij leert bijvoorbeeld dat uien onder de armen zorgen voor de noodzakelijke koorts bij schoolziekte, dat een fluitend oor wijst op iemand die danst op je toekomstig graf en dat bij een grootmoeder die steeds vergeet waar ze naar op zoek was «het stilvallen is begonnen».

In een moeite door wordt de kleine ik ingewijd in het kwajongen zijn: appeltaart jatten uit de bakkersauto en na weggejaagd te zijn uit een privé-zwembad wraak nemen met een gebroe derlijke totaal plas in het verboden water. Fraai is ook de zwembadscène waar in de jongste namens zijn broers een goed ontwikkelde dorpsge note moet beloeren — zijn vermeende onschuld brengt hem in een gun stige observatiepositie — om later per beschreven detail met snoepgoed beloond te worden.

Dit laatste verhaaltje symboliseert de positie van de verteller. Hij wringt zich in vele bochten om erbij te horen, maar tegelijkertijd verbijzondert hij zichzelf door zijn rol van observator. Als zijn bord leeg is, zakt hij vaak onder de tafel om wanneer er ingewikkeld gepraat wordt «over dingen van vier lettergrepen» de ontwikkelingen af te leiden uit het ondertafelse gedrag van benen en voeten. En heel soms mag in voorzichtige triomf de superioriteit van de benjamin blijken, waar er voor hem geen plaats meer is in de gammele boot, die uiteindelijk langzaam zinkt, precies zoals de jongste had voorspeld.

Broere heeft een zekere verwantschap met het omvangrijke autobiografische oeuvre van Henri van Daele. Moeyaerts verhalen zijn alleen minder aangekleed met Vlaamse couleur locale en folkloristische details. Zoals in al zijn boeken is Moeyaert zuinig met woorden en weet hij de taal voor zich te laten werken, bijvoorbeeld in het beeld van «onze moeder» op het moment van slapen gaan: «God zegent je en bewaart je, zei ze, en het kruisje dat ze gaf was dun als haar stem. Ze tekende het behoedzaam op ons voorhoofd, en zorgde ervoor dat we het tot lang na bedtijd zouden kunnen natekenen, want ze wist dat ons voorhoofd een geheugen had waar we beter van sliepen.» Onnavolgbaar is de geschiedenis van met zijn zevenen op de achterbank gepropt naar de bossen. Nadat vader de bagage gestouwd heeft — «Alles wat puilde bedwong hij, alles wat hinderde schoof hij opzij, alles wat te veel bultte bleef thuis» — komen de jongens zelf: «Gauw gingen we bij elkaar staan, als koffers van dezelfde soort.»

Het verhaaltje is een van saamhorigheid zinderende idylle en het roept met verbazing de bijna identieke, maar volstrekt anders geladen gruwelscène in een te volle auto op uit Het is de liefde die we niet begrijpen. Uiteindelijk begint dezelfde toonzetting van gezinsgeluk de zeggingskracht en geloofwaardigheid enigszins aan te tasten en ontstaat het verlangen naar de andere kleuren van Moeyaerts schrijverspalet, die het familieportret reliëf en diepte hadden kunnen geven.