De mogelijkheid van pan-Europese journalistiek

Koffiehuis Europa

Er zijn steeds meer samenwerkingen tussen Europese journalisten, maar er is geen medium dat heel Europa bedient. Is het grote publiek wel klaar voor pan-Europese journalistiek? En hoe zou het eruit zien?

John Donica van journalistenplatform Are We Europe filmt tijdens een anti-corruptieprotest in Chișinău, Moldavië, 26 augustus 2018 © Christian Helgi Beaussier

Het is een druilerige vrijdagmiddag en in een klein lokaal in Brussel proberen vijftien jonge journalisten zo hard mogelijk niet te denken aan de stad waar ze zich op dat moment bevinden. Een voor een lezen ze voor wat ze zojuist in een razendsnel tempo op kleine briefjes hebben geschreven. ‘Een random videogenerator, met berichten uit heel Europa.’ ‘Een songfestivalplaylijst, maar dan anders.’ ‘Twintig mensen die een toer in hun eigen stad geven en die simultaan livestreamen.’ ‘Een kaart met de grens van Belarus en Rusland, met verhalen van hoe mensen het conflict ervaren aan beide kanten.’ ‘Digitaal aanwezig zijn bij een verjaardag van een willekeurige Europeaan.’ ‘Een kaart met Europese geluiden: hoe klinkt Europa?’

Dit is de jaarlijkse redactiebrainstorm van het journalistieke platform Are We Europe, dat poogt op een nieuwe manier Europese journalistiek te bedrijven. Hoewel ze zich in hun moderne gebouw aan de Boulevard Barthélémy in de hippe wijk Dansaert dicht bij het politieke hart van de EU bevinden, kijken ze het liefst zo ver mogelijk weg van de Europese institutionele organen. Jongeren hebben volgens de redacteuren behoefte aan andere verhalen over wat het betekent Europeaan te zijn. Dat ze nog niet weten wat ‘Europees zijn’ inhoudt, is de reden dat het tijdschrift niet We Are Europe heet, maar Are We Europe. Een vraagteken erachter ontbreekt om marketingredenen, zegt hoofdredacteur Kyrill Hartog. ‘Je koopt toch ook geen schoen van “Adidas?”?’

Are We Europe bestaat ruim vijf jaar. Wat in 2015 begon als blog van studenten van het prestigieuze Amsterdam University College is inmiddels uitgegroeid tot een website met tienduizend bezoekers per maand en een tijdschrift dat vier keer per jaar uitkomt, waaraan journalisten uit heel Europa bijdragen. Elk nummer heeft een ander thema, met als overkoepelend motto dat het ‘borderless journalism’ moet zijn. Vorig jaar verschenen er op het platform en in het tijdschrift onder andere een fotoserie over Georgische jongeren die bij de Europese Unie willen horen, een onderzoeksverhaal over Litouwse ‘elfjes’ die online vechten tegen internettrollen uit Rusland, kort proza over Parijs tijdens een hittegolf en een essay over het gevecht van een Engelse kustplaats tegen de stijgende zeespiegel.

Volgens hoofdredacteur Kyrill Hartog – Nederlandse vader, Russische moeder, opgegroeid in Spanje – heeft Europa een nieuw soort journalistiek nodig, die niet alleen Brussel maar het gehele Europese medialandschap beslaat. De coronacrisis zorgt ervoor dat hij zich dat eens te meer realiseert, schrijft hij begin maart vanuit Luxemburg in een essay op Medium. ‘Twee keer per dag, tijdens de lunch en het avondeten, kijk ik het Franse nieuws op tv. Ik heb de meeste van Macrons speeches uit mijn hoofd geleerd, luister aandachtig naar de aanbevelingen van epidemiologen, en ken de dodentallen. Badend in al deze Fransheid is het makkelijk te vergeten dat Covid-19 ook een probleem is buiten Frankrijk, bijvoorbeeld vijftien kilometer hiervandaan, over de Duitse grens. Waar zijn de beelden van Duitse ziekenhuizen, vraag ik me af. Of de voxpops van Belgische kinderen die thuiszitten, tot tranen toe verveeld?’ Het virus kent geen grenzen, schrijft Hartog. ‘Waarom is het dan zo moeilijk te begrijpen – laat staan empathie op te brengen – voor wat er gaande is in landen die niet de onze zijn?’

Hartog is niet de enige die kritiek heeft op Europese verslaggeving. Europese politici hebben ‘bijna niks te duchten van de pers’, stelt Arjen Lubach in een item van Zondag met Lubach over Brusselse verslaggeving begin november vorig jaar. Zijn voorstel: een Europese talkshow, genaamd ‘EurOp1’. Hoewel Lubachs betoog zich vooral richt op politieke journalistiek, komt het in de kern neer op dezelfde boodschap als die van Hartog van Are We Europe: er ontbreekt volgens hen blijkbaar een nóg algemener medium, een pan-Europees journalistiek project.

In Strukturwandel der Öffentlichkeit (1962) beschrijft de Duitse filosoof Jürgen Habermas hoe men in de bourgeoisie van de achttiende eeuw in koffiehuizen en salons naast literatuur ook steeds meer sociale en politieke zaken besprak, waardoor een publieke sfeer ontstond waarin de middenklasse haar mening kon vormen. Uitwisseling van opinie via onafhankelijke tijdschriften speelde hierbij een grote rol. Maar de opkomst van massamedia, die vooral kapitalistische belangen zouden dienen, zorgde ervoor dat die ideale publieke sfeer verloren ging, betoogt Habermas. Zijn theorie dateert van voor de opkomst van het internet en schetst een wel erg idealistisch beeld van de achttiende eeuw. Toch blijft de betekenis van goede journalistiek voor de publieke sfeer interessant. In Why Europe Needs a Constitution (2001) constateert Habermas dat er wel media zijn die nationale grenzen overstijgen, zoals de Financial Times, The Economist of de Frankfurter Allgemeine Zeitung, maar dat er niks ‘specifiek Europees’ bestaat.

Zou je kunnen stellen dat we elkaar als Europeanen niet goed begrijpen, omdat er geen echt ‘koffiehuis’ is waar debat en informatie-uitwisseling kan plaatsvinden? Heeft zo’n pan-Europees medium kans van slagen? Zou het er dan niet al lang geweest moeten zijn? En hoe zou het eruit moeten zien?

Het is niet zo dat er niks gebeurt in het Europese medialandschap. Er zijn initiatieven als The Black Sea, waar schrijvers en videomakers uit de Balkan zich specialiseren in narratieve journalistiek, of Oštro, centrum voor onderzoeksjournalistiek in de Adriatische regio. En wat betreft een pan-Europees perspectief is Are We Europe niet alleen. Eurozine, een netwerk van Europese culturele tijdschriften dat elkaars artikelen vertaalt, bestaat al sinds 1993. Nieuwssites EurActiv.com en Politico Europe schrijven vooral over Europese politiek. Voxeurop.eu vertaalt Europese journalistieke producties. Forum.eu biedt elke dag zeven artikelen over Europa in zes talen, van media als The New York Times, Die Zeit, El Mundo en Prospect Magazine. De eerste vertaalronde wordt gedaan door een automatische vertaaldienst.

Aan enthousiaste journalisten lijkt geen gebrek, zegt Thomas van Neerbos, directeur van de European Press Prize die sinds 2013 wordt uitgereikt aan de beste journalistieke producties van Europese makelij. ‘Ik zie een hoop geweldige projecten voorbijkomen, maar ik heb ook weleens het gevoel dat dezelfde tweehonderd Europeanen een goed vormgegeven project starten en vervolgens elkaars artikelen maken, lezen en delen, en de rest van Europa gewoon de eigen nationale krant leest. Ik vind het jammer dat er niet een grote Europese krant is.’

Europese media, groot en klein, werken wel steeds vaker met elkaar samen. Zo is er een samenwerking tussen El País, Gazeta Wyborcza, La Stampa, Le Monde, The Guardian en de Süddeutsche Zeitung. Samenwerkingsverbanden worden gesmeed tijdens jaarlijkse conferenties als Dataharvest. Media kunnen gezamenlijk financiering krijgen van fondsen als Investigative Journalism for Europe. Zo kan een project als Money To Burn tot stand komen, over Estlandse bomenkap door Europese biomassasubsidies, waarover ook De Groene Amsterdammer publiceerde. Maar wijzen die samenwerkingsverbanden erop dat het tijd is voor één pan-Europees medium? Vaak wordt door elk deelnemend medium vooral de voor het nationale publiek relevante invalshoek gekozen uit alle informatie. De publicaties worden vervolgens in afzonderlijke landelijke media gepubliceerd.

Radio en televisie zouden tot nu toe wellicht het meest ‘pan-Europees’ genoemd kunnen worden, maar financieel onafhankelijk van de EU zijn zij niet. Zo is er Euranet, een consortium van radiozenders uit verschillende landen, waarvoor de Europese Commissie de enige bron van inkomsten is. Televisiekanaal Euronews bereikt naar eigen zeggen vierhonderd miljoen Europese huiskamers in 160 landen, maar wordt voor een derde gefinancierd door de EU, zo blijkt uit een rapport van de Europese rekenkamer. Tussen 2014 en 2018 ging er 122 miljoen naar het kanaal. De rekenkamer is daarnaast kritisch over de toegang van EU-burgers tot het kanaal en de financiële verantwoording die Euronews moet afleggen, terwijl ze voor 88 procent privaat eigendom zijn.

Alles bij elkaar lijkt het Europese medialandschap een puzzel te zijn waarvan de stukken niet op elkaar passen. Aan enthousiasme ontbreekt het niet, maar de Europese burger is meestal niet degene die er, afgezien van belastinggeld, uit eigen beweging voor betaalt.

Toch kan het wel, heel Europa geïnteresseerd krijgen voor één project, gelooft Van Neerbos. Daarvoor is volgens hem helemaal geen groot project als de Panama Papers nodig. ‘Het kan ook een heel lokaal verhaal zijn dat fantastisch goed verteld wordt. Het maakt mij oprecht niet uit of een verhaal over een groep bakkers die besluit het anders aan te pakken over Amsterdamse bakkers gaat, of over bakkers uit Athene of Parijs.’

‘Het maakt mij niet uit of een verhaal over bakkers die het anders willen aanpakken over Amsterdamse bakkers gaat of over bakkers uit Athene of Parijs’

Misschien belangrijker dan de steeds terugkerende constatering dat zo’n Europees medium er nog niet is, is de vraag: waar zou het dan over moeten gaan? Op nieuwsredacties overheerst vaak het sentiment dat Brussel saai is. Voor Brusselse correspondenten is het soms lastig hun stukken in de krant te krijgen, en veel nieuws blijft door het kleine aantal correspondenten in Brussel liggen. Een Europees medium zou ervoor kunnen zorgen dat Brussel eindelijk de aandacht krijgt die het verdient.

Maar dat is niet de kant die Natalie Nougayrède op wil, eerder Rusland-correspondent en hoofdredacteur van de Franse krant Le Monde. Sinds 2015 werkt ze bij The Guardian, waar ze columns schrijft over Europa en in 2018 de sectie Europe Now introduceerde, waarin ruimte is voor Europese (lokale) verhalen die verder gaan dan Brexit-nieuws. ‘Wanneer we het woord Europa zeggen, moeten we stoppen met denken dat we de Brusselse bubbel bedoelen, of nationale overheden in de Europese organisatie’, zegt Nougayrède. ‘Instituties in Brussel zijn belangrijk, maar niet heel exciting. Wat wel exciting is, is kijken naar de realiteit waar mensen op dit continent in leven.’

‘The iron curtain still lingers in our heads’, schreef Nougayrède in een column in 2019 in The Guardian over de onrusten in Belarus. ‘We kennen elkaar eigenlijk niet goed in Europa’, zegt ze wanneer de column tijdens ons gesprek ter sprake komt. ‘Dat erkennen is het beginpunt. Er heersen nog steeds veel vooroordelen en stereotypen in Europa. En er is een gebrek aan informatie om de ogen van mensen te openen.’

Dat informatiegebrek is er volgens Nougayrède omdat veel traditionele media het Europese nieuws vanuit een te nationaal en vergelijkend perspectief bekijken. ‘“Wie doet het beter met corona, die of die overheid?” of: “Wie heeft meer resultaten geboekt in de laatste EU-bijeenkomst, wie heeft er meer geld?” Media maken vaak die vergelijking, terwijl het interessanter is om te kijken naar hoe het met jonge mensen in verschillende delen van Europa gaat, hoe we zorgen dat de levensstandaard verbetert, het milieu, gezond eten, hoe minderheidsgroepen worden behandeld, hoe we naar immigratie kijken.’

Cătălina Dumbrăveanu van Are We Europe maakt aantekeningen voor haar multimediaverhaal The Drums of Democracy, Chișinău, Moldavië, 22 augustus 2018 © Christian Helgi Beaussier

Een pan-Europees medium zou het zich misschien eerder dan een nationale krant kunnen permitteren Europa vanuit een minder vergelijkend perspectief te beschrijven. Maar was er dan echt nooit eerder al een medium dat zoiets probeerde? Toch wel: The European. ‘Europa’s eerste nationale krant’ was een kort maar turbulent leven beschoren.

‘Het is tijd dat Europa haar eigen verhaal vertelt’, zei de Britse mediamagnaat Robert Maxwell bij de aankondiging van het project in 1987 tegen journalisten, zo tekende The Guardian destijds op. De krant moest ‘Europese cultuur, wetenschap en industrie’ promoten. Maxwell was als oorlogsbanneling in de jaren veertig uit Tsjechoslowakije gevlucht en inmiddels eigenaar van onder andere de Daily Mirror en de Sunday Mirror, uitgeverijen, een platenlabel, taalscholen en een voetbalclub.

The European verscheen voor het eerst in mei 1990. Maxwell had eigenlijk een dagelijkse krant met een oplage van 650.000 voor ogen, maar dat werd uiteindelijk een wekelijkse uitgave waarvan er 225.000 gedrukt werden. Het logo van de krant was een witte duif die boven het continent zweefde met The European in zijn bek. De koppen op de voorpagina van de eerste editie: ‘Eén munteenheid voor Europa’ en: ‘West-Duitsers zullen kosten van sovjetbezetting betalen’.

Maar na de oprichting ging het al snel bergafwaarts met de krant. De verkoopcijfers vielen tegen. En in november 1992 verdween Maxwell plotseling spoorloos van zijn superjacht bij de Canarische Eilanden. Zijn lichaam werd kort daarna gevonden, drijvend in de Atlantische Oceaan. Na zijn dood bleek dat Maxwells media-imperium aan elkaar hing van schulden. Langzaam maar zeker kwam er een ‘web van vierhonderd aan elkaar verbonden bedrijven tevoorschijn, die nauw aan elkaar verweven waren door de overleden mediatycoon’, aldus een artikel in Time Magazine dat kort na zijn dood verscheen.

De financiële malaise betekende toch nog niet het einde van The European. In 1992 kocht de miljardairtweeling David en Frederick Barclay de krant, waarna ze er steeds meer een niche-uitgave van maakten. Onder leiding van editor Andrew Garside ging de verkoop volgens The Independent omhoog van tachtig- naar tweehonderdduizend exemplaren per week, waarvan een derde in Groot-Brittannië werd verkocht. Maar na het aantreden van hoofdredacteur Andrew Neil in 1996 werd de toon van de krant eurosceptischer. En ondanks doorgevoerde veranderingen, zoals een ander formaat en uiteindelijk een voortzetting als magazine, maakte The European na acht jaar te veel verlies. De Barclays zetten de krant in de verkoop, maar een nieuwe koper diende zich niet aan. Na een laatste editie op 14 december 1998 was het klaar.

Had The European met een andere bedrijfsvoering misschien nog bestaan? Of is een krant zonder duidelijke publieke sfeer, met lezers die niet dezelfde taal spreken, gedoemd te falen?

Het mag niet onbenoemd blijven dat er inmiddels wel The New European is, een Britse krant die losstaat van The European, maar wel het woordje ‘new’ heeft toegevoegd omdat er ooit een oude was, aldus de krant zelf. De papieren krant werd in 2016 opgezet als tijdelijke pop-up-actie tegen de Brexit, maar bestaat nog altijd. Afgelopen februari werd tne – inclusief website en podcasts – aan een groep prominente investeerders verkocht. Het medium publiceert vooral over Europees en politiek nieuws. Het is de vraag of het een doel is van The New European om in de voetsporen te treden van The European; de doelgroep van het medium is vooral de welgestelde vijftigplusser, zo noteerde een mediajournalist van de bbc.

Meer dan 25 jaar na de ondergang van The European en de optimistische jaren negentig zijn er in ieder geval nog steeds fundamentele problemen als het op die Europese publieke sfeer aankomt, zegt mediawetenschapper Stephan Russ-Mohl aan de telefoon vanuit zijn huis vlak bij Berlijn. Hij zette in 2004 het European Journalism Observatory op, dat een brug wil slaan tussen journalisten en media-onderzoekers. Tot 2018 was hij professor journalistiek en media management aan de Università della Svizzera Italiana in Lugano, Zwitserland.

‘Als je dagelijkse nieuwsconsumptie bestaat uit de 'Bildzeitung' of 'The Sun', is het onwaarschijnlijk dat je je zult interesseren voor 'Are We Europe'’

‘Naast simpelweg taalbarrières zijn er ook grote culturele barrières’, zegt Russ-Mohl net als Nougayrède. ‘Ondanks het feit dat we elkaars landen kennen als toeristen, zijn de meesten van ons zich er niet van bewust hoe diep die culturele barrières zijn. Dat is zelfs al zo in het Duits sprekende deel van Zwitserland, Duitsland en Oostenrijk.’ Russ-Mohl benadrukt ook dat de media-infrastructuren in sommige landen erg van elkaar verschillen. ‘En dan bedoel ik de kwaliteit van journalistiek onderwijs, het gebrek aan journalistiek over media, en het feit dat er weinig ombudsmensen zijn.’

Aan de andere kant zouden publieke omroepen volgens hem ook veel meer de leiding moeten nemen. Zij zouden het zich kunnen veroorloven om Europese programma’s in hun eigen talen te vertalen. ‘Een rol daarbij zou kunnen zijn weggelegd voor kunstmatige intelligentie die vertalers vervangt, waardoor het makkelijker wordt om dezelfde informatie aan verschillende Europeanen te brengen. En vergeet ook niet het belang van entertainment: van de Verenigde Staten weten we zoveel doordat we Amerikaanse series en films kijken. Als we een Europees publiek willen, moeten we minder Amerikaans en meer Europees entertainment hebben.’

Een Europese publieke sfeer naar het ideaalbeeld van Habermas lijkt dus nog ver weg. Maar je zou ook kunnen zeggen dat het nog te vroeg is: er is nu pas voor het eerst een groep jonge Europeanen volwassen geworden voor wie het vanzelfsprekender is om op Europees niveau te denken. Ze kennen het tijdperk simpelweg niet waarin de douaniers nog aan de grens stonden en in elk land met een andere munteenheid werd betaald. Met een EU-stempel op de voorkant van hun paspoort reist ‘generatie Europa’ het continent over om op Erasmus-uitwisseling en interrailvakantie te gaan.

Dat die groep jonge Europeanen een potentieel vormt voor een nieuw soort Europese journalistiek, ziet ook Natalie Nougayrède van The Guardian. In 2019 kreeg ze een onderzoekspositie bij de Duitse Robert Bosch Academy, waarmee ze onderzoekt wat een nieuw, meer cross-Europees media-initiatief zou kunnen betekenen voor het Europese medialandschap.

In het kader van het onderzoek lanceerde ze in de zomer van 2020 het project Summer of Solidarity, waaraan jonge journalisten en media uit heel Europa meewerkten, waaronder Are We Europe en De Groene Amsterdammer. Nougayrède: ‘Europa was het epicentrum van de pandemie. Er gebeurde iets buitengewoons. Ik vond dat we dat moment moesten gebruiken om te onderzoeken wat ons overkwam en daar verhalen over te delen, als Europeanen. En dan bedoel ik niet vanuit de corona-statistieken of overheidsbeslissingen, en niet alleen vanuit het traditionele verzamelen van feiten, maar vanuit een meer creatieve benadering.’

Voorbeelden van producties gemaakt in de coronazomer: ‘The Chain’, een kettingbrief in podcastvorm met daarin liefdesverklaringen van Europeanen aan elkaars landen, een verhaal over de Roma-gemeenschap in Tsjechië die zich aansloot bij Black Lives Matter-protesten en een video over de parallellen tussen quarantaine en het gevoel van isolatie dat queers ervaren.

Nougayrède is nog bezig met het verwerken van de onderzoeksresultaten en wil geen voorbarige conclusies trekken over wat een pan-Europees platform zou moeten inhouden. ‘Het zal in ieder geval geen platform zijn dat alles verenigt en homogeniseert. Europa is nu eenmaal gefragmenteerd, dus die diversiteit moet behouden blijven. Maar er moet wel vanuit een meer cross-Europees perspectief geproduceerd en samengewerkt worden.’ Aan zo’n initiatief kunnen volgens Nougayrède verschillende verdienmodellen vastzitten. ‘Het kunnen donaties zijn, filantropie, publiek geld. In ieder geval moeten de eerste stappen niet gebaseerd zijn op een strikt verdienmodel waarbij je verwacht winst te maken.’

Na de brainstorm volg ik Mick ter Reehorst naar het dakterras op het redactiegebouw. Hij is samen met Kyrill Hartog, Marije Martens en Ties Gijzel vanaf het begin betrokken bij Are We Europe. Om ons heen een zee van Brusselse daken.

‘We wilden altijd juist níet naar Brussel’, vertelt Ter Reehorst. ‘Brussel is niet het centrum van Europa. Maar Kyrill en ik deden allebei een master in Parijs. Na onze studie wilden we niet terug naar Amsterdam. Brussel lag ertussenin. We waren er een paar keer toevallig voor conferenties en mensen waren echt in ons verhaal geïnteresseerd. Het voelt af en toe een beetje tegenstrijdig, dat vind ik zelf ook wel. Maar de afgelopen twee jaar ben ik misschien drie keer in de Europese wijk geweest, that’s it.’

Een los tijdschrift van Are We Europe kost dertien euro. Van de oplage van vijftienhonderd gaat ongeveer een kwart naar leden, een kwart gaat naar boekwinkels en een distributeur, en de rest wordt verkocht via de webwinkel. Iets meer dan de helft van de inkomsten komt van subsidies van onder andere de European Cultural Foundation, de Adessium Foundation en het Nederlandse Stimuleringsfonds voor de Journalistiek. In de zoektocht naar het perfecte verdienmodel heeft Are We Europe naast de website en het tijdschrift ook de commerciële tak AWE_studio opgezet, die producties maakt voor musea, ngo’s en Europese organisaties. Daarnaast werkt het platform toe naar een ledenmodel, waar leden tweeënhalf, vier of acht euro per maand kunnen bijdragen. Voor het einde van het jaar moet Are We Europe groeien van 500 naar 2500 leden.

Voorlopig blijft Are We Europe een niche-medium. Pan-Europees, maar gelezen door een selecte groep. ‘We hebben altijd gezegd dat onze verhalen gelezen moeten kunnen worden door zowel een mijnwerker in Kroatië als een Londense citybanker’, zegt Ter Reehorst. ‘Maar dat is natuurlijk niet zo. De thematiek, stijl en überhaupt tijdschriften zijn natuurlijk maar voor een bepaalde doelgroep weggelegd. Dat weten we. Maar tegelijkertijd denk ik wel dat jongeren eerder bereid zijn artikelen over andere landen in het Engels te lezen. En wat je met een artikel niet bereikt, kun je wel met een foto of video doen. Dat kan in principe ook op het Instagram-kanaal van een willekeurige Roemeen eindigen.’

Volgens mediawetenschapper Russ-Mohl is het onontkoombaar dat de elite het voortouw neemt bij de ontwikkeling van een pan-Europees initiatief. ‘Als je iets wil bereiken in dit veld moet je daar beginnen, en dan proberen uit te breiden naar een groter publiek. Maar dat is niet makkelijk. Als je dagelijkse nieuwsconsumptie bestaat uit de Bildzeitung of The Sun, dan is het onwaarschijnlijk dat je je zult interesseren voor zulke ambitieuze projecten.’

Geduld hebben is volgens Van Neerbos van de European Press Prize ook belangrijk. ‘Ik zou tegen die jonge makers willen zeggen: hang in there. Kranten die nu heel groot zijn, hebben honderd jaar rustig een publiek kunnen opbouwen. Het is niet zo dat deze bredere blik niet werkt, maar hij is gewoon veel nieuwer. Als nieuwe initiatieven zorgen dat ze het goed doen, en goedkoop, dan kunnen ze het even uithouden. En dan geloof ik echt dat als het aanbod er is, er uiteindelijk ook een publiek voor komt.’

Terwijl we afdalen van het dakterras naar de redactieruimte komt Ter Reehorst nog even terug op het pleidooi voor een vernieuwende Europese journalistiek dat hij zojuist hield. ‘Ik wil eigenlijk niet de hele dag bezig zijn met Europa, hoor. Ik probeer ook gewoon de journalistiek een beetje leuker te maken.’