Dagboek Irak Deel 2

Kogelgaten in de koran

De bevolking van Zuid-Irak, waar Nederlandse mariniers zijn gelegerd, betaalt een hoge tol voor de bevrijding. Arabiste Kunera Korthals Altes houdt in Najaf een dagboek bij. Deze week deel 2.

Wat voorafging: Zaynab, een Irakese die werkzaam is op het kantoor van de Amerikaanse hulporganisatie International Rescue Committee, is vermoord door haar stiefbroers. Ze joegen 27 kogels door haar lichaam, in haar eigen huis, op klaarlichte dag. Haar drie dochters waren erbij.

18 juli

’s Avonds ga ik naar Zaynabs huis, en dat van haar man Abu Amar, die ook bij ons op kantoor werkt. We treffen daar Zaynabs dochters, moeder, zusters, tantes en nichten aan, op de grond (men zit hier altijd op matrassen langs de muur), huilend, klaagzingend, ieder in de hitte in drie lagen zwart, volledig bedekt. De ruimte vult zich met hun snikken en hun schokkende lichamen, met de warmte van hun lichamen. Fatima, elf jaar oud, waait met een pannendeksel om mij koel te houden, haar lichaam beweegt mee op de schokken van haar tranen. Ze waait zichzelf in trance. De traditie wil dat we allemaal, de bezoekers, om de beurt iets zeggen om ons medeleven te tonen. Wat kun je zeggen? In dit huis is Zaynab nog geen vijf uur geleden vermoord en deze meisjes, haar dochters, waren erbij. Iedereen die medeleven betuigt, geeft wat geld om de familie te helpen met het betalen van de begrafenis. Omdat er alleen maar vrouwen van de familie aanwezig zijn, moet ik, als enige vrouwelijke gast van buiten, het geld overhandigen aan de oudste dochter. Het is een plastic zak gevuld met «sadami’s», zoals bankbiljetten hier heten, nog met Saddams afbeelding erop. De zak ongezien overhandigen is moeilijk. Het lukt me niet. Hij blijft steken in onze sluiers. Een zak vol betaalt overigens nog niet eens vijf procent van de begrafeniskosten: een begrafenis kost een miljoen dinar, en de meest waardevolle biljetten hebben een waarde van 250 dinar. Het huwelijk van de oudste dochter, zestien jaar oud, is uitgesteld. Er is geen geld en er zal een jaar rouw in acht worden genomen.

De daders zijn op de vlucht geslagen. Het verhaal is dat de stiefbroers beledigd waren omdat Zaynab publiekelijk boos op ze was geweest. Ze vroeg zich af waarom de broers niet op het feestje van haar zoon waren verschenen, en wél naar een feestje van de buren waren gegaan. Eremoorden zoals deze kwamen ook voor tijdens Saddam, maar in veel mindere mate. Op moord stond de doodstraf, dus men bedacht zich wel tien keer voordat men een familielid doorzeefde. Nu is er geen recht en orde meer, en iedereen heeft wapens — Irak was altijd al een tot de tanden bewapende maatschappij, maar na de oorlog zijn alle munitie depots leeggeroofd. Op de markt in Diywaniyak kun je voor 1500 Iraakse dollar een kilo handgranaten kopen van jongens niet ouder dan dertien jaar. Moordenaars hebben vrij spel. De politie doet niks, de politie heeft de capaciteit niet, te weinig auto’s, te weinig communicatiemiddelen en te weinig gevangenissen.

’s Avonds bel ik met mijn man, een Engelsman die als mijnenexpert werkt bij een organisatie uit Noorwegen. We gebruiken satelliettelefoons, die alleen buiten functioneren. Ik telefoneer op het dak. Mijn collega Denis vraagt me te bukken, zodat ik niet kan worden beschoten.

21 juli

Natuurlijk moet ik gewoon door. Net als elke ochtend stappen mijn assessment-team (dat de schade vaststelt en een inschatting van de problemen maakt — red.) en ik om acht uur in een taxi, een auto van achttien jaar oud, en uitgerust met een half operationele airconditioning. We bezoeken verschillende locaties. We ontmoeten bedoeïenen, binnenlandse ontheemden, vluchtelingen, krakers van voormalige overheidsgebouwen. Ook praten we uitgebreid met kinderen en vrouwen om uit te vinden hoe hun algemene situatie is. We komen er achter wat hun problemen zijn, hoezeer deze anders zijn dan voor de oorlog, welke groepen kinderen en vrouwen meer risico lopen dan andere. Risico’s als geweld, exploitatie, verslaving, stigmatisering, buitensluiting, afgesloten zijn van basisvoorzieningen als scholing en gezondheidszorg. Maar we kijken ook naar specifiek kwetsbare groepen: kinderen met een handicap, wezen, op straat werkende kinderen, jonge delinquenten, weduwen en gescheiden vrouwen. Daarnaast praten we over opvoedmethodes, sociale netwerken, huiselijk geweld en geweld op school.

Momenteel gaan kinderen niet naar school vanwege de veiligheidssituatie. Er doen allerlei verhalen de ronde over ontvoeringen van kinderen om hun organen te stelen. Ook horen we vaak het verhaal dat de fundamentalistische wahabieten (soennitische fundamentalisten, gesteund door Saoedi-Arabië, die door Bin Laden bekendheid kregen — red.) vergiftigde appels aan sjiïtische kinderen geven om ze te vermoorden. Veel ouders zeggen dat ze hun dochters niet meer naar school zullen sturen als de veiligheidssituatie niet verbetert.

Een ander probleem is dat leraren veel steekpenningen vragen, om over te gaan, om pennen te kopen, voor gordijnen, enzovoort. De laatste tien jaar heeft Saddam nauwelijks geld in het onderwijs gestoken, alles is verwaarloosd. Leraren verdienden nog geen vijf dollar in de maand.

Ali Abbas, 45, is leraar scheikunde op een middelbare school in Najaf. Hij kon sinds 1998 de huur van zijn huis niet meer betalen. Sindsdien woont hij met zijn vrouw en hun drie dochters in zijn school, in twee lokalen, met een minimum aan meubilair. En dan te bedenken dat in de jaren zeventig honderd dinar, het maandsalaris van een leraar, driehonderd dollar waard was. Irakezen waren rijk, leraren konden het zich veroorloven elke zomer naar Oost-Europa en soms West-Europa op vakantie te gaan met hun hele familie. Nu is het salaris gestegen tot drieduizend dinar, het equivalent van minder dan twee dollar.

Najaf is een zeer religieuze stad. De inwoners zijn trots op de rol van hun stad in de geschiedenis van de sjiïeten en op het feit dat Imam Ali in hun stad begraven ligt. Ook over Imam Hussein praat iedereen altijd vol bewondering, vanwege zijn vrome en simpele levenswijze, ondanks zijn enorme rijkdom. Hij is een voorbeeld voor de meeste shi’a’s. Voor elke moeilijke situatie waarin ik met mijn Iraakse collega’s beland, wordt Imam Ali geciteerd. Elke dag in de auto van en naar de dorpen waar we onderzoek doen, word ik aan de tand gevoeld over mijn religiositeit. Hoe heet Ismail in de bijbel? Is hij belangrijk? Wat deed hij? En Ibrahim, komt hij ook voor in de bijbel? Bid ik elke dag, en zo ja, hoe dan en lees ik vaak uit de bijbel?

In de hitte zijn al die vragen soms enigszins vermoeiend en op een goed moment schiet ik uit mijn slof: ik heb ook andere voorbeelden dan die uit de bijbel, ik denk dat er veel goede mensen zijn die niet christelijk of islamitisch zijn en die hun leven niet laten leiden door religie. Zo, dat is eruit. Iedereen is stil. Dit was wel erg atheïstisch van mij, maar ik kon niet anders. Te veel lunchpauzes heb ik doorgebracht met luisteren naar verhalen uit de koran, horen van voorbeelden van Imam Ali’s goedheid. «Tien jaar geleden ging een shi’a-leider naar Europa en daar vond hij de echte islam, niet die van de Arabieren, Arabieren liegen te veel, Europeanen, alhoewel ze christenen zijn en haram leven, zijn betere moslims dan de meeste Arabische moslims.» Dus als je een goed mens bent, ben je een goede moslim, een goede christen is een goede moslim.

22 juli

We drinken geen thee meer, niemand wil Zaynabs rol innemen. Er heerst een akelige stilte op kantoor, alhoewel er geruchten op gang komen. Zaynab zou een affaire hebben gehad, haar zogenaamde vriend was zelfs in huis op het moment van de moord. Hij zou gewond zijn geraakt. Hoe is dat nou mogelijk, vraag ik me af. Ja, er was een buurman aanwezig, wie weet hadden zij een affaire. Het lijkt me stug, in de ultraorthodoxe wereld van Najaf.

Een van Zaynabs broers schijnt zichzelf te hebben aangegeven bij de politie. De andere is nog steeds op de vlucht en men verwacht niet dat hij gevonden zal worden. Mijn organisatie wil geen contact opnemen met de Civiele Militaire liaison officer, bang om zich te mengen in deze familievete. Dus we doen niets. Ik ben boos, maar begrijp de beslissing.

24 juli

Abu Amar neemt zijn kinderen mee naar kantoor. Verlegen en verdrietig zitten ze buiten naast hem. Het gemis is aan alle kanten voelbaar. «Mama Kunera, mama Kunera» — Zaynabs zoontje Ali komt mijn kantoor in. Ik probeer wat met hem te voetballen, maar hij is niet erg enthousiast.

27 juli

Ik bezoek Zaynabs familie opnieuw en zie de sprookjesboeken die ik haar had geleend. Ze zitten vol kogelgaten, geen bladzijde is meer leesbaar. Hetzelfde met de enige koran in huis. De schoften. Er zit bloed op de muren, de kinderen hebben nachtmerries, en het kleine jongetje Ali blijft de moord maar naspelen, over en over, met een neppistool.

(wordt vervolgd)