Kok waakt

DE VOORTEKENEN waren er: de timmermanszoon die op zijn 31ste de beweging ging leiden. Maar hij werd niet de Verlosser, wel de Vader des Vaderlands. Zijn hoogtepunt kwam in het voorjaar van 1998. De Telegraaf kopte: ‘Wim Kok de beste politicus’, en in een enquête verkoos zijn volk hem als het meest sympathiek, meest deskundig, meest betrouwbaar, meest besluitvaardig, meest sociaal bewogen en meest realistisch. Een exit poll op de verkiezingsdag, 6 mei, wees uit dat 62 procent van de Nederlanders hem als premier wilde hebben, een straatlengte voorsprong op nummer twee (Bolkestein met 14 procent). Kok is King.

Een klein jaar later is zijn troon aan het wankelen. De kritiek begon afgelopen najaar: zijn kabinet is flets, er wordt geklungeld met Schiphol, de benoeming van de prins tot IOC-lid blijkt een foute inschatting, het asielbeleid hapert (‘Wie het beter weet mag het zeggen’) de Mestwet is een miljardenstrop. En dan begint de Bijlmerenquête, waaruit een beeld oprijst van falende ambtenaren en weinig doortastende ministers. Zijn twee vice-premiers Borst en Jorritsma liggen zwaar onder vuur wegens laksheid en misinformatie. Het dieptepunt komt als Kok zelf ook in het beklaagdenbankje moet plaatsnemen. Een vernedering, zo voelt hij het, en zijn irritatie daarover kan hij niet verbergen als het commissielid Augusteijn - 'tuttebel’, zie je hem denken - het waagt om met nogal dwingende vragen te suggereren dat hij onvoldoende leiding heeft gegeven. Korzelig, onwillig en bijna hautain wijst hij elke kritiek van de hand. Het eindrapport van de Bijlmerenquête hangt als een donderwolk boven zijn hoofd. Sommige commentatoren voorspellen een domino-effect: de veroordelingen van Borst en Jorritsma leiden tot hun val en daarin zal het kabinet worden meegesleurd. En in het geval het kabinet overleeft, zal het, aangeslagen als het dan is, struikelen over elke willekeurige volgende hobbel, waarvan er vele in het verschiet liggen - zoals het referendum, de nieuwe WAO-problemen en de noodzakelijke bezuinigingen wegens de economische tegenwind. Zo analyseren de journalisten en zij slijpen hun potloden. MAAR ZIJ VERGISSEN zich ernstig. Kok gaat niet ten onder. Dat gebeurde niet na de twaalf zetels verlies in 1994, niet tijdens de WAO-crisis in 1991, en niet in 1988-89 toen hij zwaar bekritiseerd werd als een saaie en kleurloze oppositieleider. Kok gaat niet ten onder, eenvoudig omdat er nog werk te doen valt. 'Nederland is nog niet af’, zei hij vlak voor de verkiezingen vorig jaar. Er rust een taak op zijn schouders. Het is zijn lot, zijn leven is erdoor getekend. In interviews herhaalt Wim Kok dezelfde anekdoten over de armoede en soberheid van zijn jeugdjaren in Bergambacht: leven van tien gulden per week steun in de winter, geen eten weggooien, één uitstapje per jaar naar Blijdorp, en met Sinterklaas een pepernoot: 'één pepernoot en ik was er dolgelukkig mee’. Aan Libelle vertelt hij in 1995 over de bezorgdheid van zijn vader. 'Met Kerst, als de kaarsjes van de boom die in de hoek van de kamer stond, brandden, zat mijn vader daarnaast met een natte spons en een emmer water. “Maar jongen”, zei mijn moeder dan, “er is geen wind in huis, de boom staat stil, er kan niets gebeuren.” Maar mijn vader bleef op zijn post.’ Dat heeft indruk gemaakt op de kleine Wim. Van zijn schooltijd herinneren zijn klasgenoten hem nauwelijks. Hij was teruggetrokken en verlegen. 'Hij deed niet mee aan de spelletjes die niet mochten.’ Over zijn studietijd op Nijenrode komen dezelfde verhalen: hij ging zijn eigen gang, stil en introvert, hij had geen vijanden en geen vrienden. 'Hij was toen al een integere, onkreukbare man die door links en rechts gewaardeerd werd.’ Die kleurloosheid zou zijn kracht worden. Er bestaat een beeld van Wim Kok als een bevlogen vakbondsleider, maar dat strookt niet met de werkelijkheid. Kok was vooral een bemiddelaar. Hij fuseerde NVV en NKV, hij hield de opstandige Industriebond NVV-voorzitter Groenevelt binnenboord, en later Abva-voorzitter Jan Dutman. Kok neemt geen extreme posities in, Kok maakt geen vijanden. 'Ik denk niet dat Wim een steen door een ruit kan gooien’, verklapte zijn vrouw Rita Kok aan Elsevier. Zijn pittige toespraken uit die tijd, daarover zegt hij later: 'In werkelijkheid dacht ik genuanceerder.’ Hij tekende in 1982 op het dieptepunt van de economische crisis het Akkoord van Wassenaar met de werkgevers, waarin de vakbeweging de automatische prijscompensatie opgaf: loonmatiging in ruil voor werkgelegenheid. Sommigen vonden het verraad. Volgens Kok was het noodzakelijk om als vakbeweging niet buitenspel gezet te worden. Kok wil altijd meedoen. Dat was ook zijn inzet toen hij in 1986 overstapte naar de PvdA en oppositieleider werd: hij wilde van de PvdA weer een regeringspartij maken. En toen dat was gelukt, in 1989, wilde hij dat de PvdA regeringspartij zou blijven. Dat was een klus, want traditiegetrouw had een flink deel van de PvdA een oppositiereflex: men wilde meer en snellere veranderingen. KOKS DENKRAAM is heel simpel: je moet nooit méér willen dan kan. Mensen die de haalbaarheid uit het oog verliezen, ergeren hem. Hij vindt ze dom. Het zijn dromers, en hij is een doener. Kok zal dus nooit breken - zoals is gebleken tijdens het kabinet-Lubbers III (1989-94), waarin hij ongelooflijk veel voor zijn kiezen kreeg van Lubbers, van CDA-fractievoorzitter Brinkman en van zijn eigen partij. De oppositie binnen zijn eigen partij heeft hij goeddeels stil gekregen, zijn ergernis over dromerij richt zich nu op GroenLinks en SP: 'Extreem-links’ sneerde hij vorig jaar. Filosoferen over een progressieve meerderheid vindt hij tijdverspilling. 'PvdA, D66 en GroenLinks halen geen meerderheid. Links haalt door de geschiedenis heen rond de 65 zetels, centrum-rechts 75 tot 80. Zo zit Nederland in elkaar.’ Daarmee is voor hem de kous af. Kok noemt zichzelf 'een bruggenbouwer tussen jong en oud, Nederlanders en medelanders, tussen milieu en economie’ - alle tegenstellingen zijn te overbruggen. De constructieve opstelling klinkt door in zijn taalgebruik. Hij spreekt in lange zinnen met eindeloos veel bijzinnen waar van alles aan elkaar geknoopt moet worden. Moeilijke woorden gebruikt hij niet, in zijn compromisbereidheid is hij helder. Om zijn betoog nog enige vaart te geven, zwaait hij driftig met de armen: hij hakt (het moet), hij zwaait ze wijd open (wij zijn bereid), hij vormt bollen (in z'n geheel) en bezwerend zet hij de vingertoppen tegen elkaar. Zijn verhalen blijven saai. Maar Kok ís nu eenmaal saai, of beter nog, gewoon. In de film De keuken van Kok zien we hem op zijn hotelkamer op de verkiezingsavond de uitslagen volgen. Als de overwinning duidelijk is, wendt hij zich tot zijn vrouw: 'Wat zal ik zeggen straks, Rita? Geen opzwepende toespraak, mezelf maar blijven?’ Geen posen, dat verklaart zijn populariteit als premier. Wie heeft hem ooit op iets stouts betrapt? Er is maar één roddel en dat is dat hij van naaktzwemmen houdt. De enige passie waaraan hij zich openlijk overgeeft is voetbal. Zelfs daarin bouwt hij bruggen: in zijn jeugd, onder de rook van Rotterdam, was hij Feijenoord-fan, maar toen hij naar Amsterdam verhuisde, zwichtte hij voor Ajax. Als de clubs tegen elkaar spelen, weet hij niet voor wie hij moet zijn. Kok hoopt op een gelijkspel. Dat niet kunnen kiezen wordt hem aangewreven. Zijn partij, nog dromend van Joop den Uyl, heeft jarenlang tevergeefs gewacht op een 'groot verhaal’. In het vorig jaar verschenen boek Wim Kok: Het taaie gevecht van een polderjongen, zegt hij: 'Mijn grootste kracht ligt niet in het met weidse vergezichten schilderen van de toekomst op lange termijn, licht filosofisch getint en vergezeld van een pakkende ideologie. Ik ken mijn beperkingen.’ In zijn Den Uyl-lezing van 1995 schudde hij de ideologische veren af, maar hij zette daar niets voor in de plaats, behalve bescheidenheid: 'Links heeft niet het alternatief, het heeft een bijdrage.’ In een gesprek met Adriaan van Dis in De Balie vorig jaar zei Kok, toen hij werd aangesproken op zijn gebrek aan verbeeldingskracht: 'Natuurlijk wil ik meer doen dan de zaakjes iedere dag en iedere week op orde brengen, maar die verderreikende ambities hebben minder kans van slagen als je er van dag tot dag een zootje van maakt.’ Kok is er niet voor de hoop, hij is er voor het alledaagse handwerk. Dat is het grote verschil met Den Uyl en waarschijnlijk de reden dat Den Uyl II er niet kwam en Kok II wel. De zaakjes op orde brengen betekent voor Kok dat de boekhouding klopt, want in de kern is hij een boekhouder. Ook als hij op zaterdagochtend de boodschappen gaat doen: 'Ik heb graag een lijstje bij het winkelen zodat ik weet dat ik niet te veel koop of de verkeerde dingen.’ En hij heeft een hekel aan onverwachte gebeurtenissen. 'We hebben altijd iets achter de hand, een klein stukje vlees of iets anders.’ DE GROTE VERGISSING die wel wordt gemaakt is dat zijn kleurloosheid wordt verward met visieloosheid. Kok heeft wel degelijk een visie, hoewel het beter is te spreken van een missie. Hier komt zijn jeugd om de hoek kijken. Werk is zijn eerste bijbelboek. Mensen moeten betaald werk hebben opdat hun de vernedering van de afhankelijkheid wordt bespaard; meer dan armoede is afhankelijkheid Koks schrikbeeld. Een sociaal Nederland is zijn tweede opdracht, het op de lange termijn zeker stellen van sociale voorzieningen, en dan met name de AOW (Kok spreekt van samenhang en gemeenschapszin, het is opvallend hoe weinig hij het woord solidariteit gebruikt). De tweede opdracht mag uitdrukkelijk de eerste niet in de weg staan, want het 'sociale’ moet eerst verdiend worden. De schoorsteen moet roken, Kok is daar helder in. Vandaar zijn inzet voor Nederland Distributieland: met Schiphol, de Rotterdamse haven, handel en transport is geld te verdienen. En Kok heeft nog een derde doel: Europa. Toen Adriaan van Dis op die avond in De Balie Kok overviel met de vraag: 'Wat is uw droom, meneer Kok?’ antwoordde Kok: 'Mijn droom is dat we in dit land - ik bedoel dit niet als een zondagspreek, maar echt zoals ik het voel - weer de gemeenschapszin kunnen opbrengen waar Nederland in het verleden zo sterk in was. Mijn droom is dat we economische groei en een grotere werkgelegenheid, die we nodig hebben om ons land sterk te maken, vergezeld kunnen laten gaan van wat ik noem het sociale, en dat is breed, dat is niet alleen de inkomenspositie. Mijn droom is dat we Europa zo opbouwen dat we nooit meer terugvallen in oorlog. Daar ben ik bang voor, dat wil ik best eerlijk zeggen.’ Dat laatste kwam uit zijn hart. Het was het enige moment van die avond dat de zaal de adem even inhield. Kok is een Europeaan. In zijn vakbondstijd was hij jarenlang voorzitter van de Europese koepel van vakbonden, als minister van Financiën is hij in hoge mate verantwoordelijk voor het Verdrag van Maastricht en als premier voor het Verdrag van Amsterdam. Kok en mister Europe Kohl zijn de enigen die beide verdragen hebben meegemaakt. Kok is een van de belangrijkste architecten van de Emu en de euro. KOK KAN SLECHT tegen kritiek. Zijn narrigheid heeft iets verongelijkts: ik doe toch mijn best! Hij heeft in zijn voorstellen alle overwegingen al meegenomen, de bruggenbouwer overspant alles: 'Kritiek heb ik niet nodig, ik heb genoeg kritiek op mezelf.’ Zijn positie maakt hem eenzaam. 'Dan moet jij een eindbeslissing nemen, dan kun je niet nog eens te rade gaan bij adviseurs. Dan sta je er even alleen voor.’ Ooit zei hij dat Rita zijn enige maatje is. Dat is overdreven, want er is nóg een vrouw in zijn leven: Beatrix. Beatrix redde Koks politieke carrière bij de kabinetsformatie van 1994, toen zij niet een VVD-informateur aanstelde, zoals het advies luidde, maar onverwacht Kok tot informateur benoemde. De twee kunnen het heel goed vinden - Koks boosheid op de Volkskrant toen die onlangs vertrouwelijke uitlatingen van de koningin publiceerde is hieruit te verklaren. Hij vergeleek zichzelf al eens met een marathonloper: 'Niet gauw opgeven, dat ligt me wel.’ Een beetje tegenwind inspireert alleen maar. Die tv-beelden van vorig jaar waren veelzeggend: Kok, gearmd met Rita eenzaam op het verlaten strand, guur weer. Kok loopt krom, een last torsend. Hij heeft een taak, een verantwoordelijkheid. Geen ander woord ligt zo in zijn mond bestorven als dat ene woord - in een interview in Wim Kok, het taaie gevecht van een polderjongen, valt het 24 keer. 'Voor verantwoordelijkheid ben ik nooit weggelopen en dat zal ik ook nooit doen.’ Voor Kok is verantwoordelijkheid een lot, een kruis. Hij haalt voor ons de kastanjes uit het vuur. Niet iedereen herkent hem, en dat verdriet hem soms, maakt hem soms ook kwaad: de ondankbaren! Maar zijn hart is groot en hij vergeeft uiteindelijk. Hij blijft waken naast de kerstboom, met emmer en spons.