Een gewonde militair van de Oekraïense strijdkrachten in de regio Loehansk, 8 maart © Anatolii Stepanov / AFP / ANP

Een paar ochtenden geleden werd ik wakker met de gedachte aan de vorig jaar op 3 maart overleden cabaretier Jeroen van Merwijk. Waarom? Pas onder de douche viel me het refrein van een van zijn liedjes binnen. En daarmee viel ook het kwartje. Het liedje heet Eén oorlog tegelijk, en ik citeer: ‘Eén oorlog tegelijk/ Eén oorlog tegelijk/ Eén giro, twee partijen/ En dan verder geen gezeik/ Gewoon gezellig, leuk, weer net als vroeger/ Met het Derde Rijk/ Eén oorlog tegelijk.’

Vrijwel exact een jaar na zijn dood heeft hij zijn zin gekregen. Al was dit uiteraard niet wat hij werkelijk wilde, alleen maar ironie was het evenmin. Van Merwijk confronteert de luisteraar met een behoefte aan overzicht en duidelijkheid waar het oorlogen en gewapende conflicten betreft, en idealiter krijgt iedere oorlog een eigen begin- en eindtijd: ‘De Koerden mogen oorlogvoeren tot aan 16 maart/ Daarna veegt China tot in juni Tibet van de kaart/ In juni, juli en augustus zijn de Tamils aan de beurt/ In september wordt Somalië door rassenhaat verscheurd/ De hele herfst en winter is er oorlog in het gos/ Met Kerstmis winterpauze en dan barst de hel weer los/ Tussen twee gevechten door een leuke spot van Dental Floss/ Herhaling van de hoogtepunten ’s avonds bij de nos.’

Er is nu inderdaad één oorlog in het nieuws. En terecht – laat dat gezegd zijn. De verontwaardiging over de invasie van Rusland in Oekraïne is wereldwijd groot, waarbij velen, ook deskundigen en opiniemakers, verklaarden dat ze dit tot de avond ervoor nog voor ondenkbaar hadden gehouden. Dat vind ik, om in de snerpende toonsoort van Van Merwijk te blijven, razend knap. Poetin doet juist heel graag het ondenkbare. Hij weet immers dat hij er doorgaans makkelijk mee wegkomt. Gelukkig lijkt dat deze keer anders. Alsof er eindelijk van eerdere ernstige fouten en nalatigheden is geleerd.

Oorlog is niet om aan te zien. Tegelijkertijd vormen oorlogsfilms en -documentaires een eigen genre, ergens tussen horror en romantiek in. Het overgrote deel van die films heeft de Tweede Wereldoorlog als onderwerp, maar ook over eerdere en latere oorlogen is voldoende te zien. Begin jaren negentig zond een commerciële omroep The Killing Fields uit (Roland Joffé, 1984), over het afgrijselijke terreurbewind van Pol Pots Rode Khmer in Cambodja. Ik moest nog wennen aan het in Nederland pas nieuwe fenomeen van reclameblokken midden in programma’s. Mijn verontwaardiging was groot toen deze film uitgerekend werd onderbroken op het moment dat de journalist Dith Pran, die kilometers door een rivier moet waden, tussen kapotgeschoten jungledorpen, beseft dat hij niet over een bodem met stevige keien loopt, maar over de beenderen en schedels van vermoorde burgers. Opgetogen jingle. ‘En dan ga we er nu even uit voor…’

Inmiddels vind ik dat allang normaal. Bovendien volgden daarna meer dan genoeg oorlogsfilms die ik zelf onderbrak. Om wijn in te schenken, een schaaltje chips te pakken of een telefoontje aan te nemen. Dan nog steeds kan het relaas dieper worden beleefd dan actuele oorlogsbeelden in kranten en op televisie, en meer aansporen tot reflectie. Simpelweg omdat je voor een film of documentaire de tijd neemt. Jouw tijd.

Dat is ook de kracht van de jaarlijkse tentoonstelling van World Press Photo: je gaat erheen of bekijkt althans de winnende selectie met aandacht, juist omdat de foto’s nu geen onderdeel meer zijn van het dagelijks nieuws, maar zijn losgeknipt uit de woeligheid van het voorbije jaar en gekozen zijn om hun indringende, monumentale zeggingskracht. Hier schuilt een andere verleiding: wanneer ik me, in mijn eigen tijd, met onverdeelde aandacht aan het kijken naar oorlogsfilms en -foto’s wijd, kan ik mezelf voorhouden dat mijn interesse en mijn bereidheid tot geschoktheid al blijken zijn van betrokken wereldburgerschap. Dat ik, door zo actief kennis te nemen van een deel van de recente geschiedenis, geroerd, ontdaan, met bewondering voor overlevenden en verzetshelden en met verbijstering over keurige, bedaarde mensen die zich opeens ontpopten tot van nationalisme en haat doortrokken moordenaars, een zintuig wakker houd voor misstanden, onrecht, ontmenselijking en onmenselijkheid, in eigen tijd en omgeving. Het kijken heeft zin.

Wat ik daarbij makkelijk vergeet, is dat dergelijk engagement een doel op zichzelf kan worden: hoewel onpasselijk van alle ellende, voel ik me goed, moreel goed, omdat ik in mijn vrije tijd niet zwicht voor licht verteerbaar amusement, maar met open ogen in de walmende bek van de draak durf te staren – aan de hand van fotografen, journalisten, filmers, opstandige denkers en doeners, die voorleefden hoe dat moet. ‘Het kwaad brengt soms het beste in mensen naar boven’, heet het dan. Daarvan getuige willen zijn, al is het met terugwerkende kracht, is niet per se inspirerend – het geeft wel het gevoel dat ik, de kijker, de lezer, misschien ook wel zo’n groot potentieel aan onversneden goedheid in mij meedraag en dat daar vroeg of laat best iets mee te doen valt.

De afgelopen dagen herlas ik Susan Sontags essay Kijken naar de pijn van anderen – en het loont de moeite om het dezer dagen regelmatig ter hand te nemen. Omdat het allerminst een pamflet tegen het kijken naar oorlogsbeelden is, noch een pleidooi om wél te kijken. Het boek benadert het onderwerp fenomenologisch, waardoor het uitnodigt om jezelf te bevragen. Wat zie ik? Waarom kijk ik wel, waarom kijk ik niet?

Kan ik me aan de hand van foto’s en filmfragmenten het onvoorstelbare eigenlijk wel voorstellen, of zul je er toch echt middenin (hebben) moeten staan om te weten wat oorlog is? Oorlog, en dus ook het kijken naar oorlogsbeelden, en zingeving verdragen elkaar niet. Als iemand al zin aan een (voorbije) oorlog mag toekennen, dan is het ieder individueel slachtoffer zelf. Dan zijn het nabestaanden, overlevenden, ontheemden, vluchtelingen, oud-strijders, hulpverleners en journalisten die ter plaatse waren. En uitgerekend zij deinzen er vaak voor terug. Doordrongen als ze er van zijn dat iedere poging tot zingeving een vorm van ontrouw kan zijn aan de vele doden die in die oorlog het leven lieten, vaak op gruwelijke wijze.

Betrokkenheid is bovenal handwerk; improviseren, prutsen, luisteren, lezen

Corona was nog maar net in Nederland en de maatregelen vielen nog mee, toen op 13 maart 2020 een debat plaatshad, in De Balie in Amsterdam, naar aanleiding van de film The Cave (Feras Fayyad, 2019) over een ondergronds ziekenhuis in het eerst door gifgas aangevallen en later door de troepen van Assad belegerde Oost-Ghouta in Syrië. De vrouwelijke arts die het medisch team aanstuurde, dr. Amani Ballour, was de hoofdgast te midden van een keur aan andere deskundigen. Uiteraard werd ze met diepe bewondering bejegend, maar ze ontving de lof en de eerbied voor haar grootse werk met merkbare irritatie. Uiteindelijk had zij, na de ‘bevrijding’ van Ghouta, kunnen uitwijken naar Turkije en haar mensen in de steek gelaten. En nee, deelnemen aan dergelijke debatten was niet genoeg. Want wat veranderde hier nu door? Ja, het publiek raakte beter geïnformeerd. Over de wreedheid van het Assad-regime en van bondgenoot Rusland, die niet alleen Ghouta maar ook vele andere plaatsen had bestookt met aanhoudende bombardementen op burgerdoelen.

Echter, als dat niet bij voortduring werd aangeklaagd, bij de eigen regering, bij westerse mogendheden en supranationale organisaties, en er niet op werd aangedrongen om Assad en Poetin, en Iran en Hezbollah te stoppen, bijvoorbeeld door middel van sancties of steviger nog, hadden debatavonden als deze toch maar weinig zin. Soms sloeg de irritatie om in machteloze, felle boosheid – waarover niemand met haar in discussie ging. Niet om haar emoties te ontzien, maar omdat ze simpelweg gelijk had.

De dag erna waren veel schappen in de supermarkt leeg. Pasta en rijst, eieren en wc-papier bleken gehamsterd, met het zicht op een lockdown die misschien wel een algeheel straatverbod zou kunnen behelzen. Alsof het ook in Nederland oorlog was. In de dagen en weken die volgden was nieuws uit het buitenland alleen nog interessant waar het de omgang met het virus betrof. Schokkende berichten en beelden uit landen waar niet of nauwelijks maatregelen werden genomen, of waar men nog minder dan in Nederland was opgewassen tegen zulke hoeveelheden ernstig zieke patiënten. Engeland, Amerika, Brazilië, India: afschuwelijk. In Iran was de situatie minstens zo erg, begreep ik van een vriendin, maar daar las en hoorde je niets over. En dat er in Syrië nauwelijks maatregelen werden getroffen, en in elk geval niet werden gehandhaafd? Stilte.

Wat was de omgang met corona in Jemen? In Somalië? Soms tikte ik de namen van landen in langdurige oorlog of andere humanitaire nood bij Google in, vond natuurlijk het een en ander, uiterst feitelijk genoteerd. Niets om je over op te winden. Alsof de bewoners ervan toch al waren opgegeven en de epidemie voor hen misschien zelfs wel als verlossing uit ondraaglijk lijden kwam.

Andere keren verplaatste ik me in machthebbers en ceo’s die misschien, omdat alle spotlights op corona gericht bleven, hun kans schoon zagen. Het moest doodeenvoudig zijn om er nu even snel een bouwdeal doorheen te jassen, of juist een zakelijke of politieke belofte te verbreken, of niet zo’n vaart te maken met ooit toegezegde klimaataanpassingen of corruptiebestrijding, aangezien iedereen het nu toch veel te druk had met de pandemie.

Destijds dacht ik nog niet aan het liedje van Van Merwijk, wat achteraf bezien best vreemd is, want de ‘strijd tegen het virus’ was al spoedig een schoolvoorbeeld van één oorlog tegelijk, compleet met een programma bij de npo, waarin artsen en zorgpersoneel in zelf opgenomen filmpjes de stand van zaken doorgaven; de onrust, het werken onder hoge druk en met dreigende tekorten, en de emoties bij dit alles – en dat de naam Frontberichten droeg.

Diep respect voor hun werk, daar niet van. Ik heb nooit ook maar één tel gedacht: vergeleken bij films als The Cave en For Sama valt het nog best mee, want de situaties waren en zijn onvergelijkbaar. Maar de naamgevers van Frontberichten leken dat kennelijk even vergeten. En dat is ze niet eens kwalijk te nemen. Schelden met ziektes heet terecht onkies, maar ‘patatje oorlog’ en ‘prijzenoorlog’ zijn al jaren ingeburgerde begrippen. En dit geldt eveneens voor alle naar oorlogsvoering verwijzende uitdrukkingen, zoals bombardement, verrassingsaanval, loopgravengevecht, vuurlinies, rokende puinhopen, genadesteek, marteling, overlopers en invasie (doorgaans gebruikt voor een toestroom van vluchtelingen). Dat de zo verbroederende sport voetbal ook vaak oorlog wordt genoemd: ik snap het en zal er niet pietluttig over zeuren. Behalve waar het er de schijn van begint te krijgen dat oorlog wordt bejegend als een voetbalwedstrijd, als een toernooi zoals het EK of WK. Zoals op dit moment. Enerverend paniekvoetbal.

De oorlog in Oekraïne mag zich snel ontwikkelen, maar moeten ook de reacties erop zich in deze razende vaart laten meeslepen? Een hoofdstad vol gebouwen met daarop het geel-blauw van de Oekraïense vlag, profielfoto’s en geschminkte kindergezichtjes met deze vlag en sinds de landelijke inzamelingsacties ook tompoucen in de Oekraïense kleuren… Je zou nog bijna gaan denken dat het om een evenement gaat. Ook degenen die in andere oorlogen en conflicten zó verzot waren op nuance dat ze zich maar liever niet uitspraken, gaan opeens de straat op. Ze juichen de heldhaftige Oekraïense strijders toe zonder enige overweging bij het leed dat schieten, al is het ter verdediging, teweegbrengt, zeker bij degenen die hier nooit mentaal op zijn voorbereid. Alles wat we inmiddels over de heftige doorwerkingen van oorlogen weten, lijkt plotseling vergeten. Alsof deze oorlog de kans biedt om eindelijk tegen de ‘wappies’ te kunnen opbieden in spierballentaal. Want, kijk! Nu is het toch zeker écht oorlog! En kijk: Rusland toont nu schaamteloos wat een dictatuur werkelijk is!

‘Corona’, en dan vooral de meningen erover: iedere nieuwe uitbraak, persconferentie, maatregel heeft er misschien aan bijgedragen dat we niet alleen nog veel meer moreel zijn gaan hyperventileren, maar hierdoor ook zijn gaan lijden aan collectieve en uiterst selectieve dementie. Niet alleen werd Rutte opnieuw premier, terwijl zijn fouten en geheugenproblemen onvergeeflijk heetten. Wie Syrië was blijven volgen, had kunnen weten waartoe Poetin in staat was en zelfs wat zijn plan was: verderf en verwarring zaaien, onder andere met bijna absurdistische taalomkeringen. In Rusland zijn de woorden invasie en oorlog streng verboden, en terecht, aangezien daarmee de onrechtmatigheid van de acties een feit wordt. Nee, dit is een poging ‘om een buurland van neonazi’s te bevrijden’.

Het begint er de schijn van te krijgen dat oorlog wordt bejegend als een voetbalwedstrijd

Wat geweldig, dat burgers zelf molotovcocktails knutselen! (Als het gaat om het Midden-Oosten heten zulke mannen terroristen.) En nog vreemder: plotseling verschanst Nederland zich in een wij-gevoel dat we hooguit kennen van de eerste coronaweken.

Op tv indringende beelden, zelfs van verminkingen, met trieste piano-soundtrack eronder. Van hopeloze vluchtelingen. Ruimschoots aandacht voor hun zorgen, hun pijn, hun alledaagse verlangens. Die aandacht is verheugend. Maar ook een klap in het gezicht van al die andere vluchtelingen uit oorlogen, dictaturen. Syriërs staan al vanaf 2013 geregeld bij bijvoorbeeld de Russische ambassade in Den Haag. Klagen Poetin aan. Terwijl, zo blijkt nu, het Nederlandse bedrijfsleven nog volop zaken deed met rijke Poetin-vrienden. Vele vluchtelingen hebben met lede ogen moeten aanzien hoe corona niet alleen de polarisatie vergrootte, maar ook bijdroeg aan meer onverholen steun aan ultrarechtse, nationalistische partijen.

Wie van de demonstranten tegen de oorlog in Oekraïne zal zaterdag 19 maart op de Dam staan, als Syriërs elf jaar vreedzame revolutie herdenken? Ik hoop van harte dat ze nu eens niet vergeten worden. En ik hoop voor de Oekraïeners in Nederland dat ze niet, over een half jaar, een jaar, momentum hebben verloren en hooguit worden bezien als slachtoffers die dankbaar moeten zijn voor onze gastvrijheid, kamertjes, ludieke hulpacties, verhoogde defensie-uitgaven, tranentrekkende hitjes en bizarre talkshowvragen. Of erger nog: als degenen die onze koopkracht hebben vernietigd, ons dwongen tot nieuwe gasboringen. En dan nog al die hulp aan door oorlog getraumatiseerde, vrijwillige strijders, terwijl de wachtlijsten bij de ggz toch al zo lang zijn… Kortom, gaat Nederland het engagement volhouden, de beloftes waarmaken en voorkomen dat de nieuwkomers over een tijdje geen onschuldige, bijtijds aan het slachtblok ontkomen knuffelschaapjes zijn, maar de nieuwe zondebokken?

Als dit dan die ene oorlog is waar mensen zich duurzaam aan willen verbinden, dan is hij nu al gebaat bij weloverwogen woorden, bij eerlijk zelfonderzoek en bij wat ook wel ‘trage vragen’ worden genoemd.

Dat is ook een vorm van verzet: je niet te laten meeslepen. Het is een lange oefenweg, die ik een beetje ken, omdat ik sinds mijn betrokkenheid bij Syrië, nu tien jaar, met grote regelmaat mijn motieven onderzoek. Ik weet dat die lang niet allemaal even nobel zijn. Integendeel. IJdelheid speelt zeker een rol, evenals een behoefte aan een ‘bestemming’, het is soms een vlucht van persoonlijke verdrietigheden – noem maar op.

Ook was ik er al bij aanvang van doordrongen dat ik bij eerdere oorlogen soms huilend voor de televisie zat, maar toch niet de vraag stelde: waar gebeurt er wat voor dit land, deze mensen, en kan ik me daarbij aansluiten? Een vraag die ik pas bij Syrië wel stelde, op Facebook, inclusief eerlijkheid over het eerdere nietsdoen – en zo rolde ik er gaandeweg in. Vooral toeval dus. Natuurlijk nog zonder enig benul van de duur ervan, noch van alle frustraties, onderlinge spanningen, het aanhoudende gevoel van tekortschieten en de afwegingen in de omgang met Nederlandse kennissen, vrienden en lezers, die ik graag wilde betrekken bij wat kon overkomen als een nieuwe, wat morbide hobby.

Toch heb ik al die fouten meer dan eens gemaakt. Me geschaamd, en me geschaamd over deze schaamte, die uiterst luxueus én koket leek naast de schaamte die ik tegenover mijn Syrische kennissen en vrienden voelde. Zowel wanneer het was gelukt om aandacht voor Syrië te vragen en alleen ik daarbij werd gecomplimenteerd voor mijn inzet (die in het niet viel bij die van de Syriërs zelf!) als wanneer een actie, evenement of artikel wéér niks had uitgehaald. Ik heb soms grote ergernissen verbeten, waar ik, vond ik, als niet-Syriër geen recht op had. Zo ontdekte ik dat het volgen van de situatie in Oost-Ghouta, terwijl ik er ook een speech over moest schrijven, alleen te doen was als ik het afwisselde met het kijken naar stand-upcomedy en sketches uit het programma, ehm… Sluipschutters. Niet om de oorlog te relativeren, maar om rechtop te blijven tussen twee werelden die onverzoenlijk zijn en niettemin samen de realiteit vormen.

Nog zoiets: om het goed te doen, er diep in te eduiken, koos ik bewust voor één oorlog tegelijk. Maar dat is iets anders dan wanneer politiek en media deze keuze voor je maken.

Betrokkenheid, duurzaam, is bovenal handwerk; improviseren, prutsen, luisteren, lezen en vooral niet ingaan op o zo wijze opmerkingen als: ‘Ik wil al die negatieve energie liever niet binnenlaten, want ik trek het me allemaal zo aan… Dus doe ik liever iets goeds voor mijn zieke buurvrouw, of voor het milieu… Zo’n oorlog, ver weg, is zo complex en daarin valt toch geen verandering te brengen.’ Zelfs niet als je weet dat het hier een schijntegenstelling betreft en je zieke buurvrouw en de bijen in je tuin niet per se de dupe hoeven te worden van betrokkenheid bij een oorlog op veilige afstand. Hoe oprecht, geestig én hardhandig Coen Simon deze schijntegenstelling ook ontrafelt in zijn pamflet Pleidooi tegen enthousiasme en daarbij toont wat de kwalijke bijwerkingen ervan kunnen zijn, het heeft niet mogen baten. Gezellig, relatief pijnloos adhoc activisme, in de vorm van kleine daden die tezamen dan toch zeker ‘het verschil kunnen maken’, wint nog hand over hand terrein.

Hoewel ik er een andere definitie van het begrip enthousiasme op nahoud, en de tendens die Simon beschrijft eerder opvat als een teken van een gebrek aan authentiek, volhardend enthousiasme, dat juist wordt opgevuld en toegedekt met deze overdaad aan even ferme als kortstondige blijken van betrokkenheid, delen we dezelfde observaties. Met emoties is niets mis. Met handelen ook niet. Mits dat met bewustzijn gebeurt. Zoals Susan Sontag al bepleitte: ‘Er is niets verkeerds aan om afstand te nemen en na te denken. Je kunt nu eenmaal niet tegelijkertijd nadenken en iemand slaan, zoals wel wordt gezegd.’ En de grootste vijand, waarvan Poetin slechts één belichaming is, namelijk radicaal, machtsgeil nihilisme, versla je er ook niet mee. Niet als je meteen maar al je kruit verschiet.

Désanne van Brederode is schrijfster en filosoof. Vorig jaar verscheen haar roman De tas. Over het collectieve zwijgen over de wanddaden in Syrië schreef ze het essayboek Als stilte steekt (2017)