Robert Dulmers, Zwart

Koketteren met rancune

Robert Dulmers

Zwart

Uitg. Meulenhoff, 256 blz., € 19,50

Wanneer we de achterflap van Zwart mogen geloven — nooit doen — gaat het in deze roman niet om de rite de passage van een romanfiguur, maar om die van de schrijver zelf. «In Zwart ontdekt Robert Dulmers zijn persoonlijke drijfveren», staat er, «en daalt hij af in de darkrooms van zijn geheugen. Hij doet verslag van zijn traumatische ervaringen in Bosnië en Kroatië, en van de hartverscheurende confrontatie met de Hollandse alledaagsheid na zijn terugkeer.» Dit is een heel behoorlijke maar nogal verwarrende samenvatting, omdat na lezing blijkt dat het boek niet gaat om de belevenissen van ene Dulmers, maar om die van de fictieve schrijver en journalist Robert Berger. Waarom zo expliciet de schrijver en de held laten samenvallen? Veel uitmaken doet het natuurlijk niet, waar of niet waar, echt of niet echt, geef mij een boek dat brandt en sist, dat beeft en borrelt. Daar gaat het om.

De held in dit boek is wat je noemt een onaangenaam mens, Dulmers heeft er hard aan gewerkt om ons daarvan te overtuigen. Hij zet zich keer op keer af tegen de intense kleinburgerlijkheid van zijn generatiegenoten, van de thuisblijvers, zal ik maar zeggen, hangt het hele boek door stoere praatjes op over oorlogvoering, stelt zich overal boven, is gefascineerd door jongens van adel en andere uiterlijkheden, aanbidt de schoonheid van de dood, vindt zichzelf veel edeler en belangrijker dan wie ook, gelooft geen moment in journalistiek, vindt politiek verwerpelijk en zwelgt in pathetische erotiek. «Als ik ooit heb liefgehad, dan toen, die morgen voor je wakker werd, voor je weer sprak. Ik heb gehouden van het Salische geboorterecht van je blonde haar en van je broze ademhaling, voordat je tegen me sprak en ik dus moest spreken, zo gaat het in de wereld.»

Met aangename helden krijg je geen interessant boek, dat is het uitgangspunt bij dit werk geweest en daar zit veel in. Er zitten altijd steekjes los aan literaire helden, ze zijn rancuneus, doodgewoon gek, onnozel, totaal geflipt of een mengsel van dit alles. En toch blijf je, als het goed is, geïnteresseerd. Je begint zelfs te vergeten dat je te maken hebt met pertinente mafketels omdat de schrijver je er steeds meer van overtuigt dat ze eigenschappen hebben die je bij jezelf ook maar nauwelijks weet te onderdrukken. Een rare gek, dat zijn we allemaal en dus lezen we er graag boeken over.

Dulmers’ held komt niet van de grond omdat het hem aan voldoende radeloze bitterheid en consequente klootzakkerigheid ontbreekt. Hij haalt het niet bij de helden van pakweg Hermans of Rosenboom, omdat er geen dwingende en alles bedwelmende drijfveren zijn die de lezer wel kent of vermoedt maar waar de held zelf geheel onwetend over is. Echte rancuneuze romanhelden tasten altijd in het duister, ze hebben geen idee over wat ze voortdrijft, waarom ze zijn zoals ze zijn, ze lijken overgeleverd aan blinde krachten die ze zelf in termen van «noodlot» of «toeval» benoemen. Dat maakt ze interessant omdat wij lezers meer weten dan de helden zelf, wij raden of vermoeden hun vaak heftige onderliggende drijfveren: verlangen naar geborgenheid, naar verlossing uit ouderlijke druk, naar zekerheid, naar terugkeer, naar de dood. De held van Dulmers koketteert te veel met zijn rancune, hij weet er alles van af, expliciteert te veel, kent zijn eigen drijfveren maar al te goed en formuleert die te duidelijk in termen van «levensdrift» en «doodsverlangen», Eros en Thanatos. Deze held weet er alles van en juist daarom begon bij mij de belangstelling hoe langer hoe meer terug te lopen.

Misschien heeft dat ook iets te maken met de hybride opzet van het boek. Het bevat puur journalistieke weergaven van de onduidelijke en daarom ongrijpbare oorlog in Joegoslavië, waar geen helden en schurken zijn en waar de held langzaam op stukloopt. Dit gegeven werkt Dulmers sterk uit. Hij laat zien, ook in zijn stijl, hoe versnipperd deze oorlog was, de geringe belangstelling ervoor in het Westen, het opportunisme van de verslaggeving en de bravoure van de deelnemers eraan. Stoere jongens, ferme knapen, die kinderlijke geborgenheid zoeken in oorlog voeren. Daartegenover staan nogal overspannen literair aandoende uitweidingen die dit basisgegeven fors ondergraven en een onduidelijk literaire draai aan het geheel geven, alsof de schrijver een pakkend journalistiek verslag toch niet genoeg vertrouwt en er allerlei esthetiserende beelden aan toe wil voegen. Deze aarzeling tussen stijlen maakt het geheel er niet duidelijker op, beter gezegd: niet dwingender.

Dulmers werkt regelmatig met statements waarvan het verband met de rest van het boek in de lucht hangt: «Ieder woord is een vergelijking. Ieder woord associeert het begrip met het begrijpbare. Iedere vergelijking is het domein van de semantiek.» Keiharde waarheden, maar wat is het verband met de rest? Ook de pogingen om de drijfveren van de held scherper in beeld te krijgen door middel van scènes over zijn vroege jeugd verduisteren eerder dan dat ze gelegenheid geven tot nadere overpeinzingen. Dulmers heeft te veel ineens gewild.