Kokkerellen

WOENSDAGAVOND 6 mei, iets voor achten. Wim Kok wacht met leden van zijn campagnestaf op de eerste prognose van de uitslag van de Tweede-Kamerverkiezingen. Er is beroering. Staat de televisie wel op de goede zender? ‘Nee, jongens nu niet weglopen, luisteren!’ En dan komt de verlossende boodschap. De nieuwslezer van het NOS-journaal kondigt een grote overwinning aan voor de Partij van de Arbeid. Wordt er gejuicht? Wordt er gekust? Vallen de uitgeputte campagnestrategen en communicatiedeskundigen elkaar huilend in de armen? Nee, er gebeurt helemaal niks. Kok krabbelt de resultaten op een briefje. De anderen horen de victorie onbewogen aan. Na een paar minuten slaat Noortje van Oostveen, lid van het campagneteam, de premier een paar keer vriendschappelijk op de schouder en fluistert: ‘Gefeliciteerd.’

In de film De keuken van Kok van Niek Koppen wordt de campagne van de PvdA voor de Tweede-Kamerverkiezingen getoond. Op 25 november opent het International Documentary Festival Amsterdam (Idfa) met de film. En dat is terecht, want het is een unieke documentaire. Nooit eerder heeft een filmer in Nederland toestemming gekregen om een campagne van binnenuit vast te leggen. Koppen mocht filmen bij vergaderingen en werklunches van het campagneteam en bij publieke optredens van Kok, Wallage en Adelmund. De PvdA verdient lof voor deze openheid. In een tijd waarin personen in de politiek belangrijker worden en journalisten permanent op zoek lijken naar de politicus achter het masker, is zo'n blik achter de schermen veelbelovend. Hier kunnen we dingen ziendie in de gangbare parlementaire journalistiek niet aan bod komen. De keuken van Kok lost die belofte in, maar op een andere manier dan je zou verwachten.
Wie hoopt op ontluisterende beelden van PvdA-kopstukken, komt bedrogen uit. Het beeld dat Koppen van Kok schetst sluit weliswaar wonderwel aan bij het saaie imago van de premier - het is natuurlijk leuk om te zien hoe hij aan een broodje rosbief ruikt en dat vervolgens teruglegt op de schaal - maar zulke beelden zijn eerder grappig dan onthullend. De premier van de keuken verschilt eigenlijk niet bijster veel van de premier van het bordes of de gastenkamer. Kok lijkt zich zo bewust van de camera dat hij voor de zekerheid zijn gezicht permanent in de plooi houdt. Ook Wallage, met zijn wonderlijke combinatie van berekening en naïef enthousiasme, en Adelmund, met haar mix van betrokkenheid en grilligheid, opereren zoals we hen kennen.
De enige die in de film volstrekt anders overkomt dan op de buis is Ferry Mingelen. Als een lid van het campagneteam, Susan Baart, op bezoek komt bij collega Pim van Galen, ontpopt de deftige presentator van Den Haag Vandaag zich als een male chauvinist pig. Hij slaat zijn arm om haar heen, maakt flauwe grapjes over aantrekkelijke dames en gaat daarmee door ook als zij haar schouders bijna optrekt tot haar oren en schreeuwt dat hij met zijn verkouden kop moet opdonderen. Van een presentator zou je meer bewustzijn verwachten van hoe zoiets overkomt op het scherm.
De film geeft evenmin een onthullend beeld van de mannetjesmakerij die een onherroepelijk onderdeel is van elke campagne. In twee vergelijkbare Amerikaanse documentaires die ook tijdens het Idfa worden vertoond, de The War Room van Chris Hegedus en D.A. Pennebaker over de campagne van Clinton in 1992 en A Perfect Candidate van R.J. Cutler en David Van Taylor over de campagne van Oliver North voor de senaatsverkiezingen van 1992 in Virginia, spelen de mannetjesmakers juist de hoofdrol. De spanning van de campagne is daardoor voelbaar. De campagnestrategen James Carville (Clinton) en Mark Goodin (North) zijn in feite politieker dan de man die ze terzijde staan. Het zijn politieke dieren die al meerdere campagnes hebben meegemaakt. Vooral Carville is fantastisch. Afwisselend intimideert en paait hij de pers. En vanuit de War Room, de bijnaam voor het zenuwcentrum van de campagne, probeert hij permanent de toon van de berichtgeving te bepalen. Het debat of de toespraak is nog niet afgelopen of hij en George Stephanapolous, de communicatieadviseur van Clinton, mengen zich onder het journaille: ‘Dit was de eerste keer dat een zittende president in zijn speech bij de acceptatie van zijn kandidatuur niks zegt over zijn economische successen.’ Of korter: 'Bush zat in de verdediging.’ Mark Goodin zegt in A Perfect Candidate over de verhouding tot de pers: 'We moeten ze elke dag iets geven anders worden ze hongerig en eten ons op.’
IN THE WAR ROOM en A Perfect Candidate zien we veel dat we in de gewone journalistiek moeten missen omdat we hier de politiek zien in haar onverdunde vorm. De strategen geven analyses en commentaren die zelfs een Amerikaanse politicus nooit zelf mag verwoorden. Zo meent Mark Goodin dat de Iran-Contra-affaire, die North in de campagne telkens voor de voeten geworpen krijgt, hem alleen maar goed doet. Het is niet een smet op zijn blazoen, maar de belangrijkste reden waarom mensen van hem houden.
In beide documentaires zien we ook waarom politiek, of in ieder geval campagnevoeren, verslavend kan zijn. Waar politici moeten volhouden dat het om de knikkers gaat, hebben de mannetjesmakers ongebreideld plezier in het spel. Het is prachtig om te zien hoe ze blijven jongleren met woorden tot een one-liner het beoogde dodelijke effect heeft. 'Read my lips? No sir, this time we’ll read the record.’ Ze bedenken ook events of schandalen om de campagne een gunstige draai te geven. Zo belegt Goodin een persconferentie waar een van de gijzelaars zal spreken die door de operatie van North is vrijgekomen. Om journalisten te lokken, maar zonder de verrassing weg te geven, suggereert hij dat de maîtresse van de Democratische kandidaat zal spreken. Ook Carville probeert nieuws te maken. Als een van zijn medewerkers op de Braziliaanse televisie heeft gezien dat promotiemateriaal voor Bush en Quale in Brazilië is gedrukt, ruikt hij een schandaaltje. Of het is een gift en dan is het inconstitutioneel, want Amerikaanse politieke partijen mogen geen giften aannemen van buitenlandse donoren. Of het is in opdracht van de Republikeinen en dan is het even pijnlijk: 'Bush finally got a job plan, too bad its for Rio.’ Het mooie is dat de hele opzet mislukt, omdat het nieuws van het schandaaltje volledig wordt overvleugeld door de beslissing van Ross Perot om toch mee te doen aan de presidentscampagne. (Carville: 'The most expensive act of masturbation in human history.’)
HET VALT KOPPEN natuurlijk niet aan te rekenen dat deze inventiviteit en spanning in zijn film ontbreken. Wat er niet is, kun je ook niet filmen. Vechtcampagnes passen nu eenmaal niet in de Nederlandse politieke cultuur. De doelstelling is niet om andere partijen in diskrediet te brengen of de loef af te steken, maar om zelf geen fouten te maken. De campagneleiders van 1994, Dick Benschop en Jan van Ingen Schenau, geven dat in de Verkoop van de politiek ook grif toe: 'Zorg voor de defensie voordat je aan doelpunten maken gaat denken. De beschuldiging van Ruud Lubbers dat de PvdA aan “catenaccio-voetbal” deed werd door Wim Kok dan ook als een compliment ervaren.’
Uit de film van Koppen blijkt dat de PvdA dat credo sindsdien niet heeft gewijzigd. Op een lunch zegt Kok dat ook letterlijk. Hij noemt de top-tien op de lijst 'schatten van mensen’, maar sommigen ('Ik noem geen namen want er worden opnamen gemaakt’) hebben wel de neiging om een eigen koers te varen. Dat moet te allen tijde worden voorkomen. De aandacht van het campagneteam gaat dan ook meer uit naar het dresseren van de eigen gelederen dan naar het bedenken van slimme aanvallen op andere partijen. Het meest pijnlijk blijkt dit als op één dag twee relletjes uitbreken. Rick van der Ploeg heeft in een artikel in Socialisme en Democratie de hypotheekrenteaftrek ter discussie gesteld. Tegelijkertijd is het bruine verleden van VVD-campagneleider Hans van Baalen onthuld. Op de vergadering van het campagneteam wordt vrijwel alleen gesproken over Van der Ploeg. Had Wallage wel afstand moeten nemen van Van der Ploeg? Heeft de PvdA zo niet zelf de journalisten geattendeerd op het kleine conflict? Nee, zegt Noortje van Oostveen, want Rick van der Ploeg heeft tegen iedereen die het weten wilde de strekking van die ene alinea in S&D uitgelegd. Bovendien heeft hij de week ervoor de plaatsing van een interview met hem in het Algemeen Dagblad tegengehouden omdat de hypotheekrente daarin een te prominente plaats had gekregen. Dat het Algemeen Dagblad er bovenop zit, vindt ze dus niet verbazingwekkend. Pas op het einde van de bijeenkomst wordt kort gegniffeld over de affaire Van Baalen, maar geen van de aanwezigen ziet daarin een kans om de VVD in het defensief te drukken.
MET ZIJN MONTAGE benadrukt Koppen dit verschil tussen Amerikaanse en Nederlandse campagnes nog eens. Het openingsshot van de film is een fotosessie van Kok voor het verkiezingsaffiche. De premier maakt daar een grapje over het haar van Clinton, dat zelfs in de buurt van een vliegtuig met draaiende propellers zo perfect in model blijft. Het laatste shot toont Hans Anker, lid van het campagneteam, die belt naar iemand die hij kent van zijn bezoeken aan de campagnes van Blair en Clinton. Te midden van het feestgedruis schreeuwt hij in zijn mobile: 'Tell her we have won the elections. In Holland. In the Netherlands.’ Het schijnbare onbegrip aan de andere kant is veelzeggend. Koppen lijkt zo te willen vertellen dat we in Nederland wel denken dat de campagne Amerikaanser wordt, maar dat het allemaal erg Hollands blijft.
De keuken van Kok legt niet genadeloos het karakter van politici bloot en schetst evenmin een bloedstollende campagne met briljante mannetjesmakers. Toch is het absoluut geen saaie film. Dat komt doordat we in de film iets proeven van een soort machtsuitoefening die in de gangbare journalistiek volstrekt onderbelicht blijft. De gangbare parlementaire journalistiek leeft op als er een conflict is. Dan willen de journalisten weten welke partij of minister wint. Wie zijn zin kan doordrijven heeft macht. Een veel effectievere macht is echter als conflicten bij voorbaat worden voorkomen, doordat bijvoorbeeld de alternatieven niet eens ter tafel komen.
Koppen brengt deze impliciete macht prachtig in beeld. Het is veelzeggend dat niemand van de aanwezigen oppert om de VVD met Van Baalen te pesten. Dat alternatief is blijkbaar bij voorbaat onbespreekbaar. En als er even een verschil van mening dreigt, is letterlijk een half woord van Kok genoeg om het gesprek een door hem gewenste draai te geven. Er zijn tal van voorstellen die door Kok op deze wijze worden afgewezen. Hij wil niet in Magna Plaza verschijnen, hij vindt dat er politie in burger aanwezig moet zijn als er bij verkiezingsbijeenkomsten demonstraties zijn, en hij vindt twee debatten met PvdA-prominenten en Jan Marijnissen te veel. En telkens is het scenario hetzelfde. Kok mompelt iets, maar maakt zijn zin niet af. De aanwezige goede verstaanders weten echter al genoeg en een van hen - in het gesprek over Marijnissen was het Wallage - probeert het bezwaar van Kok onder woorden te brengen, waarna de premier het pro forma herhaalt en de discussie is gesloten. Er lijkt niets aan de hand. Er is geen ruzie en amper een verschil van mening, maar ondertussen is er heel veel gebeurd. En juist daarin schuilt de kracht van De keuken van Kok. Het is niet wat gezegd wordt, maar wat niet gezegd wordt; niet wat we zien, maar dat waarvan we slechts een glimp opvangen wat de film zo spannend maakt. Het zijn de conflicten die we vermoeden en de benauwdheid die we voelen bij het zien van zoveel onuitgesproken meningen en gesmoorde discussies.
KOPPEN HAD HET ontbreken van een discussiecultuur zelfs sterker mogen aanzetten. Zo blijft het nu onduidelijk waarom Kok één keer zijn zin niet krijgt, namelijk als hij op campings campagne wil voeren. Het voorstel wordt niet afgewezen, maar vervluchtigd. Waar de Amerikaanse documentaires de hitte van de strijd op een aanstekelijke manier in beeld brengen, toont Koppen ons de onderkoelde stijl van overleggen en besluiten in de gelederen van de PvdA. Daarom is de reactie op de eerste prognose van de verkiezingscampagne ook zo veelzeggend. Er is veel zachte dwang nodig om de spontane overwinningsroes van mensen die al weken in touw zijn te onderdrukken. Kok lukt dat met een beangstigend gemak. 'If you can’t stand the heat, get out of the kitchen’, beet Bush Dukakis toe toen de Democraat klaagde over de keiharde campagne van de Republikeinen. Na het zien van De keuken van Kok dringt zich een andere conclusie op: 'If you can’t stand the frost, get out of the PvdA.’