Groen

Kokmeeuw en zeekraal

Met een groot gezelschap aten we bij ’t Wad in Den Oever, een vissnackbar in de haven. Ik kocht een bakje zeekraal, want er waren broers, er waren mensen uit Duitsland en Zaandam, en ik dacht dat lang niet iedereen zeekraal kende. Het bakje kostte €1,50 en bijna niemand bliefde de groente. ‘Het smaakt zout’, zeiden ze. Het was halfbewolkt toen we aankwamen en alleen een Aziatisch gezelschap bleef op het terras zitten, tot ook zij wegens een julistortbui moesten vluchten. Een van de mannen hinkte heel erg. Maar ook was hij blij.
Na de bui ging ik naar buiten om te roken. Ik was helemaal alleen op het kletsnatte terras, op een stokoude kokmeeuw na. Die probeerde twee keer het terras te verlaten, maar vloog twee keer keihard met zijn kop tegen de glazen terrasafscheiding. Toen ging hij, draaierig en al, op een tafeltje zitten, maar ook dat ging niet, want zijn bezwemvliesde poten hadden geen grip op de kunststof. Hij gleed op zijn kont van het tafeltje af en probeerde een derde keer door een ruit heen te vertrekken. Toch hield hij een zekere waardigheid op, de oogjes in zijn zere kop keken een tikje dof maar zelfbewust naar niets in het bijzonder. Ik dreef hem via de enige opening van het terras naar buiten. Hij hipte tot twee keer toe over een richel, maar toen hij een hoek om ging, hield ik het voor gezien. Er is een grens aan wat een mens kan hebben op één dag.
Daarna reden we nog een rondje, speciaal voor de mensen uit Duitsland en Zaandam. Bij camping Waddenzee gingen we de geasfalteerde dijk over. Het was eb, de zee lag er bij als op een kitscherig schilderij uit het begin van de twintigste eeuw. Bijna iedereen bleef in de auto, het waaide hard. Ik ging eruit en gleed over de basaltblokken omlaag. Daarna stapte ik op mijn dure schoenen het slik in en trok handenvol zeekraal uit de modder. Gratis en voor niks. De volgende dag at ik alles helemaal alleen op.