Economie

Koks erfenis

Afgelopen zondag plaatste PvdA-voorman Lodewijk Asscher een liefdevolle necrologie van voorganger Wim Kok op Facebook. De tekst was gedrenkt in het sepia van de nostalgie en droop van verlangen naar de glorietijd van de sociaal-democratie.

Over de doden niets dan goeds. Toch permitteer ik mij wat kanttekeningen. Koks biografie laat zich lezen als de typische levensloop van een salonsocialist: als je jong bent en je bent niet links heb je geen hart, als je oud bent en je bent nog steeds links heb je geen verstand. In Koks geval was dat van strijder voor de factor arbeid naar beschermer van de factor kapitaal. Begonnen als stakingsleider bij de FNV, daar opgeklommen tot voorzitter, werd hij in de kroonprinsenstrijd na het vertrek van Joop den Uyl in 1986 onverwacht de winnaar. Toen ging het snel: van 1989 tot 1994 was hij minister van Financiën en vicepremier in het derde kabinet-Lubbers, om tussen 1994 en 2001 zelf in het Torentje te zetelen. Sinds het einde van zijn actieve politieke carrière heerste er een nauwgezet bewaakte radiostilte rond Kok en was zijn controversiële commissariaat bij ING de meest in het oog springende van zijn activiteiten. Van activist naar kapitalist, kortom.

Daarmee is Koks carrière de perfecte belichaming van de teloorgang van de Europese sociaal-democratie. Bijna overal zijn deze ooit zo geoliede partijapparaten gedecimeerd. Recentelijk nog tijdens de gemeentelijke verkiezingen in België en de deelstaatverkiezingen in Beieren. Waar zij tien jaar na het begin van een crisis die van rechts kwam, en dus een buitenkans voor de Europese sociaal-democratie had moeten zijn, voor zijn afgestraft, kan in een woord worden samengevat: klassenverraad.

Met de komst van Kok in 1986 begon een decennium van ideologische heroriëntatie binnen de PvdA. De dominante verklaring voor het onvermogen van Den Uyl en consorten om de verkiezingswinst van 1977 om te zetten in regeringsdeelname was dat de sociaal-democratie het antwoord schuldig was gebleven op de winstgevendheidscrisis van het grootbedrijf van de late jaren zeventig. Sociale verzekeringen, de verzorgingsstaat en herverdeling via progressieve belastingen werden binnen de PvdA in toenemende mate als probleem gezien in plaats van als oplossing. De slagschaduw die het denken van de Britse econoom Keynes na de oorlog over de economische politiek van de sociaal-democratie had geworpen, werd door een nieuwe generatie economen als verouderd, inadequaat en ideologisch gezien. Sociaal-democraten moesten niet langer proberen om met politieke middelen markten te temmen, maar moesten markten juist gebruiken voor hun emancipatoire doelen. De staat als marktmeester en regisseur in plaats van als vaderlijke rentmeester en geluksmachine.

Paars heeft de PvdA meer kwaad dan goed gedaan

Met het aantreden van het eerste paarse kabinet in 1994 begon de ‘makeover’ van de publieke sector. Restricties op het vrij verkeer van kapitaal waren onder druk van de Europese Unie al eerder afgeschaft, maar met Paars 1 kregen banken en andere financiële instellingen een vrijbrief om Nederland te veranderen van een land van huurders in een land van, voor en door beleggers. Vanaf 1995 zouden de huizenprijzen verviervoudigen, zouden de hypotheekschulden verdrievoudigen, zouden de bankbalansen verdubbelen, zouden woningbouwcorporaties worden geprivatiseerd en zou de sociale huursector worden gedecimeerd.

Hetzelfde gebeurde in de gezondheidszorg, het onderwijs, de pensioenen en de kinderopvang – overal zijn financiële criteria leidend geworden, financiële experts de dienst gaan uitmaken, private belangen dominant geworden, publieke waarden vervangen door winstmaximalisatie, burgers, studenten en patiënten consumenten geworden, is de kwaliteit van de dienstverlening achteruit gegaan en zijn de kosten gestegen.

Het Nederland van Rutte wordt gekenmerkt door toenemend politiek chagrijn veroorzaakt door een politieke en economische elite die de eigen sociaal-economische welvaart voor de maat der dingen houdt en geen empathie heeft met de andere helft van Nederland die het leeuwendeel van de crisiskosten heeft mogen dragen en zegt niets gemerkt te hebben van het door Rutte en consorten zo bejubelde economische herstel. Ook dat is een erfenis van Kok.

Als Asscher daadwerkelijk op zoek is naar geloofwaardige ideologische vernieuwing van de sociaal-democratie zou hij er goed aan doen dit deel van Koks nalatenschap in felle bewoordingen af te wijzen. Paars heeft de achterban van de PvdA meer kwaad dan goed gedaan. Het is tijd dat dat eens wordt onderkend.