Beatrix en de premier

Koks maatje

In eigen persoon heeft Wim Kok zijn ambtenaren opdracht gegeven te onderzoeken op welke wijze de macht van de Koningin aan banden gelegd kan worden. Opmerkelijk. Was hij het immers niet die aan Beatrix zijn premierschap heeft te danken?

BEATRIX AAN BANDEN. En Wim Kok die het initiatief neemt. De Leidse politicoloog Rudy Andeweg, kenner van de Nederlandse kabinetsformaties, is ‘behoorlijk verbaasd’. Hij vindt het ‘wel ironisch’ dat juist hij, de PvdA-leider Kok, die dankzij ‘de coup van Beatrix’ in 1994 aan de macht kwam en premier werd de positie van het staatshoofd ter discussie heeft gesteld. Ook historicus P.F. Maas uit Nijmegen, roept meteen de ‘discutabele’ wijze waarop Beatrix bij de formatie van Paars van haar bevoegdheid — ‘de kern van de macht des konings’ aldus Maas — gebruik maakte in herinnering. Maas zag het overigens wel aankomen, zegt hij. PvdA-Kamerlid Peter Rehwinkel had volgens hem anders nooit zoveel ruimte gekregen om zijn pleidooi voor staatsrechtelijke vernieuwing rond het koningshuis te houden. ‘Als Kok daar tegen was geweest, zou Rehwinkel al lang zijn teruggefloten’, zegt Maas. ‘En, geef nu toe, dat model is écht wat voor Willem-Alexander.’


Erik Jurgens, senator voor de Partij van de Arbeid en hoogleraar Staatsrecht aan de Vrije Universiteit, liet in 1997 al eens weten het zich te kunnen voorstellen ‘dat we in de volgende eeuw toegaan naar het Zweedse model, met nog minder invloed voor het staatshoofd’. De opdracht van Kok aan zijn ambtenaren om uit te zoeken op welke wijze het Zweedse model het Nederlandse staatsbestel van pas zou kunnen komen, verbaast Jurgens — vertrouweling van het koninklijk huis — niets. Jurgens: ‘Ik vind het volkomen normaal dat als dit soort dingen bekeken worden, wanneer daar een discussie over losbrandt, de minister-president er een antwoord op heeft. Die man moet wel weten waar men het over heeft als het Zweedse model ter sprake komt. Ik kan mij voorstellen dat hij zich daarover op het hoogste niveau laat voorlichten, zonder dat er onmiddellijk plannen komen om daar uitvoering aan te geven. Ik zie op dit moment in ieder geval geen onmiddellijke aanleiding. Dat zou pas kunnen komen als blijkt dat het staatshoofd wél op onoorbare wijze van zijn bevoegdheid gebruik zou hebben gemaakt. Daar is mij nu niets van bekend.’



MAAR DAAR WEZEN Maas en Andeweg dus wel op. Op 7 juli 1994 benoemde koningin Beatrix onverwacht Wim Kok, minister van Financiën en leider van de Partij van de Arbeid, tot informateur. Een dag eerder was Herman Tjeenk Willink, PvdA-senaatsvoorzitter, tot de conclusie gekomen dat het zeer moeilijk zou worden een meerderheidsregering te vormen. Hij was toen al aan het eind van zijn tweede informatieopdracht en zag het niet meer gebeuren. D66 wilde niet met het CDA, de VVD en de CDA-fractie wilden niet met PvdA en D66. Tjeenk Willink adviseerde de koningin een informateur uit VVD-kring te benoemen, die zelfstandig een ontwerp-regeerakkoord zou kunnen schrijven.


Dat van dat regeerakkoord vond de koningin best. Maar een VVD’er zag ze kennelijk niet zitten. De nieuwe informateur werd Wim Kok. Het CDA had het nakijken: Kok lukte het binnen enkele weken een paarse overeenkomst in elkaar te timmeren. En het al zo geplaagde CDA van de nog meer geplaagde Elco Brinkman stond op een zijspoor. Anonieme CDA’ers gaven Beatrix de schuld van de ondergang van hun partij en hadden de indruk dat ‘Hare Majesteit haar onpartijdigheid onvoldoende bewaakt’, zoals twee AD-journalisten twee jaar geleden schreven in een boek over Wim Kok. ‘De benoeming voedt speculaties over Beatrix’ vermeende afkeer van Brinkman en haar verbondenheid met de PvdA van Wim Kok, die als vice-premier en minister van Financiën een goede relatie met Huis ten Bosch onderhoudt. De lotgevallen van de constitutionele monarchie houden politiek Den Haag altijd al bezig, maar zeker tijdens kabinetsformaties zijn ze een geliefkoosd onderwerp van gesprek.’


Maar is het wel waar? Heeft Beatrix de afgelopen twintig jaar veel invloed gehad op de Nederlandse politiek? Politicoloog Andeweg is een stuk milder dan historicus Maas. Beatrix probeerde in 1994 vooral zo snel mogelijk tot een kabinet te komen. Andeweg: ‘Net als in 1981 en eerder, bij de vorming van wat het tweede kabinet-Den Uyl had moeten worden, ging het in 1994 vooral om ergernis over de voortgang in de formatie en veel minder om de politieke voorkeur van de majesteit. De koningin ziet het als haar taak ervoor te zorgen dat er zo snel mogelijk een kabinet komt. En als politici dan in haar ogen spelletjes spelen, terwijl de tijd gekomen is om de campagne achter ons te laten en ons te richten op het landsbelang, in termen van de majesteit, wordt zij hooglijk geïrriteerd. Dat brengt haar tot ingrijpen. In 1994 was Kok de enige die nog geen veto over enigerlei combinatie had uitgesproken — iets dat én Brinkman én Van Mierlo én Bolkestein wel hadden gedaan. Je kunt nog steeds vinden dat het niet zo handig is dat het staatshoofd de informateur benoemt, maar het is eigenlijk een ondergeschikt punt. Het verbaast me daarom ook zeer dat juist Kok hiermee komt. De veel nijpender problemen met een staatshoofd dat zich in het openbaar gedraagt en zich uit, zonder dat altijd van tevoren af te stemmen, dat is veel ongelukkiger voor de minister-president. En dat wordt hierdoor ook niet opgelost.’



HET ‘GEHEIM VAN Soestdijk’, heette het onder Juliana. Het ‘Geheim van het Noordeinde’, is het onder Beatrix gaan heten. Toch kwam zowel in de jaren onder Juliana als de laatste twintig jaar onder Beatrix regelmatig iets naar buiten waardoor verantwoordelijke kabinetten in de problemen raakten. Beatrix wist net als Juliana, die bij de formatie van het tweede kabinet-Den Uyl zonder overleg met de informateur de fractievoorzitters ontbood, meteen bij haar eerste kabinetsformatie enkele mensen op de kast te jagen. Over de formatie van 1981 zei wijlen informateur Jan de Koning (CDA) in Vrij Nederland: ‘Haar instelling was: probeer er iets van te maken, de gang moet erin blijven zitten, geen spelletjes spelen.’ De laatste Juliana-formatie had 208 dagen geduurd, dat moest voorkomen zien te worden. De Koning: ‘De geur van ’77 hing nog in de kamer. Zes maanden intensief met elkaar onderhandelen, dat is slopend.’


Het werd toch een helse klus in 1981. Behalve De Koning werden later ook nog Ruud Lubbers, Ed van Thijn, en J. Kremers tot informateur geroepen. Én W.F. de Gaay Fortman, die een persoonlijke voorkeur van de jonge koningin bleek te zijn. Van Agt, die niet met Den Uyl een kabinet wilde vormen en met darmkrampen en andere kwalen probeerde de formatie te vertragen, raadde CDA-grondvester Piet Steenkamp aan. ‘Hij rekende er stellig op dat die het ook zou worden’, vertelt De Gaay Fortman in zijn biografie. Een televisieoptreden waarin de oude ‘Gaius’ Van Agts handelwijze scherp veroordeelde, viel kennelijk in goede aarde bij de koningin en de volgende ochtend werd De Gaay Fortman informateur. Politicoloog Andeweg: ‘Hij verwoordde precies wat de koningin vond: dat spelletjes spelen van Van Agt moet maar eens afgelopen zijn. De Gaay Fortman was bovendien “buitengewoon kamerheer” aan het hof. Met het uitspreken van zijn ergernis werd hij his mistresses voice’.


De eigengereide actie van de koningin heeft de kabinetsformatie van destijds in ieder geval in een stroomversnelling gebracht. Andeweg: ‘Je verwacht bij zo’n eerste kabinetsformatie dat een staatshoofd zo dicht mogelijk bij de adviezen blijft, maar zij week daar eigenlijk direct van af. De Gaay Fortman was door niemand genoemd en werd sterk tegen de zin van Van Agt benoemd tot informateur.’



‘KABINETSFORMATIES ZIJN van oudsher aaneenschakelingen van verhullingen, versluieringen, omwegen, sluipgangen, mystificaties en schijnmanoeuvres’, schreef de Haagsche Courant na de formatie van 1981. Maar reikt de macht van het staatshoofd niet veel verder? Ze heeft niet alleen een flinke vinger in de pap bij kabinetsformaties (en moet wetten ondertekenen) maar ze heeft ook iedere maandag op het paleis overleg met de premier. Dries van Agt, die twee jaar met Beatrix te maken had, zei tijdens deze ontmoetingen regelmatig te worden geconfronteerd met uitspraken ‘die niet helemaal compatibel waren met wat ik op dat moment zat te beweren’. In het proefschrift van PvdA-Kamerlid Peter Rehwinkel (De minister-president, 1991) noemde Van Agt een onderhoud met het staatshoofd zelfs een ‘hachelijke onderneming’.


Probeert de koningin heus druk uit te oefenen op het regeringsbeleid? Jurgens: ‘Iedereen is bezig de bewindslieden te beïnvloeden en te proberen van hen een beslissing los te krijgen en daar is het staatshoofd er natuurlijk ook een van.’


Ed van Thijn, die als burgemeester van Amsterdam én als kabinetsinformateur in 1981 nog wel eens met Beatrix te maken had, zei ooit: ‘Je hamert de koningin natuurlijk niet zomaar af.’ En inderdaad, je spreekt het staatshoofd niet tegen, zeker niet als ze kennis van zaken heeft en, zoals Marja Wagenaar in een boek over de Rijksvoorlichtingsdienst opmerkte: door de verzakelijking van de monarchie onder Beatrix ‘een evenknie voor vele ministers’ is geworden.


Jurgens: ‘Nou, de meeste ministers gaan gewoon hun gang en als ze niet gewoon hun gang gaan, zijn ze geen goede ministers. Je moet goed luisteren, niet alleen naar het staatshoofd, maar naar iedereen die een advies heeft. En vervolgens moet je je eigen beslissing nemen. Als je dat niet doet, dan ben je niet geschikt voor je ambt. De koningin weet heel goed, als het erop aankomt, haar rol te vinden, maar je moet haar wel duidelijk tegenpartij geven. En ze weet heel goed dat als het erop aankomt, de minister beslist en zal daar ook niet tegen in gaan. Een enkele keer, waar het niet zo vreselijk belangrijk is, kun je wel eens het ene advies belangrijker vinden dan het andere. Maar als het om dingen van politieke importantie gaat, dan moet je zelf je verantwoordelijkheid dragen. Al die dingen, zoals gezegd, vind ik altijd meer gevolg hebben voor de betrokken minister dan voor het staatshoofd. Die is blijkbaar op een of andere wijze tekortgeschoten om zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen.’


Andeweg: ‘Het Nederlandse staatshoofd behoort tot de politiek machtigste monarchen in Europa. Maar de Engelse koningin bijvoorbeeld, heeft politiek natuurlijk veel minder invloed omdat met hun kiesstelsel er altijd wel een meerderheidsregering uitrolt. Als bij ons de politici het redelijk met elkaar eens zijn, dan is de ruimte voor de koningin beperkt, maar als er wat licht tussen zit, dan is die ruimte helemaal niet beperkt en speelt die ruimte een enorm belangrijke rol. Joop van den Bergh, tegenwoordig VNG-voorzitter, noemde dat “de fontanel van het Nederlandse staatsrecht”. Zolang die schedel niet goed is dichtgegroeid, zolang ons partijstelsel het niet mogelijk maakt dat we na verkiezingen de kiezer hebben kunnen laten spreken over wie er regeert, hebben we wel een fontanel nodig. En dat is dus de koningin.’



ERIK JURGENS BRENGT het voorstel van de Kamerleden Van Thijn (PvdA), Goudsmit (D66) en Aarden (PPR) uit 1971 in herinnering. Daarin werd al voorgesteld de aanwijzing van de formateur door de Kamer zelf te laten doen. CDA en VVD stemden indertijd het voorstel weg.


Jurgens zegt van de eigengereide beslissingen van Beatrix in 1981 en 1994 niet wakker gelegen te hebben. Maar als de Kamer iets aan de formatie veranderen wil, dan kan dat gewoon. Jurgens: ‘Die beslissing was gebaseerd op de bevoegdheden die het staatshoofd heeft. Maar je zou idealiter het staatshoofd niet in problemen moeten brengen en de Kamer zijn eigen verantwoordelijkheid laten nemen: de aanwijzing van de informateur door de Kamer zelf. Formeel zou dit makkelijk kunnen, er moet gewoon een motie aangenomen worden, maar als de Kamer die verantwoordelijkheid zoals tot nu toe niet wenst te nemen, dan moet het staatshoofd die beslissing nemen. Dat is de schuld van de Kamer en niet van het staatshoofd. Dus daar vind ik echt dat de fout bij de politiek ligt.’