Interview Stefan Paas

‘Kom binnen en vier feest’

Waar hebben we in deze verdeelde tijden behoefte aan? Wat verbindt ons? Theoloog des Vaderlands Stefan Paas neemt Jezus’ verhaal van de verloren zoon als voorbeeld.

Rembrandt van Rijn, Terugkeer van de verloren zoon, ca. 1668. Olie op canvas, 262 x 205 cm © Hermitage Museum, Sint-Petersburg

Stefan Paas neemt plaats aan een grote vierkante tafel in het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit in Amsterdam. De tafel in de openbare ruimte is de enig overgebleven zitplek na een vergeefse rondgang langs de vele door glazen muren afgeschermde flexplekken op de faculteit Religion and Theology. Paas legt zijn jas en tas naast zich op de oranje bank. Warme chocolademelk staat voor hem op tafel.

Ongeveer tien jaar geleden zaten we ook zo, maar dan op zijn kantoor nabij het Vondelpark. Paas gaf toen om de zoveel weken een preek in een nieuwe christelijke stadsgemeente. Over één preek wilde ik toen met hem doorpraten. Ons gesprek ging over Jezus’ parabel van de verloren zoon. En dan met name over de implicaties voor nu.

‘Jezus stelt daarin de fundamentele vraag voor tribale tijden: waar is de verbindende factor?’ zegt Paas nu in de VU. ‘Wil een samenleving een toekomst hebben, dan moet verzoening mogelijk zijn. We praten tegenwoordig steeds over het recht. Mensen willen krijgen waar ze recht op hebben. En dat is een discours van uitsluiting. Wie praat over recht, praat nooit over verzoening – dus hoe mensen die onrecht doen en mensen die onrecht ondergaan weer bij elkaar kunnen komen. Hannah Arendt zei eens: “De grote uitvinding van Jezus is vergeving”.’

Paas is hoogleraar missiologie (de studie van christelijke zending) aan de Theologische Universiteit Kampen en de Vrije Universiteit in Amsterdam. En hij bezit sinds kort dus die nieuwe titel: Theoloog des Vaderlands. Het is een onbezoldigde functie die hij als achtste theoloog bekleedt. Paas is actief als twitteraar en verschijnt heel af en toe op tv, maar hij heeft met deze functie vooralsnog geen specifiek doel voor ogen. ‘Het is een schouderklopje, een steuntje in de rug. Het is de bedoeling dat ik me theologisch tegen dingen aan blijf bemoeien, op mijn eigen academische manier.’

In zijn boek Vreemdelingen en priesters constateert Paas dat het in onze ‘post-christenheid’ iedereen vrij staat om te geloven wat hij of zij wil. In het Westen zijn er nog maar weinig geloofsovertuigingen waar we voor bereid zijn te sterven. Toch ligt daar niet het uiteindelijke probleem, schrijft hij: ‘De crisis van zending in het Westen zit niet in keuzevrijheid als zodanig, maar ergens anders. In tegenstelling tot voorheen ervaren veel mensen het christendom niet meer als vanzelfsprekend of noodzakelijk.’

Eind oktober meldde het cbs dat een meerderheid van de Nederlandse bevolking zich niet tot een religieuze groepering rekent. Ook de deelname aan religieuze diensten loopt terug. In 1971 ging nog 37 procent van de bevolking minstens een keer per maand naar een religieuze dienst, in 2017 was dat nog maar zestien procent. ‘Je kunt ook zeggen: er gaan op zondagmorgen meer mensen naar de kerk dan op zaterdagavond naar het theater’, reageert Paas. ‘Maar het klopt. Als je het vergelijkt met de jaren vijftig is er een afname. Ik betreur het. De kerk is mijns inziens een van de laatste plekken waar mensen uit verschillende sociale klassen en van verschillende leeftijden samenkomen. Daar zit de bankier of advocaat nog naast de gepensioneerde of schoonmaker.’

De parabel van de verloren zoon betreft een tekst van twaalf verzen en is te vinden in het bijbelboek Lucas in het Nieuwe Testament. Jezus begint het te vertellen nadat schriftgeleerden hem vragen waarom hij zo vaak met slechte mensen omgaat. Hij antwoordt met drie verhalen. Het eerste gaat over een herder en een verloren schaap, het tweede over een vrouw en een verloren muntje. Beiden vinden terug wat ze kwijt waren. Het derde, over de verloren zoon, gaat over een vader die zijn jongste zoon liefdevol in de armen sluit nadat deze hem, zijn oudere broer en hun familiebedrijf voor een buitenlands avontuur had verruild.

Die buitenlandse reis heeft die jongste zoon betaald met zijn erfenis, die hij vlak voor zijn vertrek bij zijn vader opvraagt. Tegenwoordig niet zo vreemd – ouders die hun kinderen helpen met de aanschaf van hun eerste huis – toen een schoffering. Paas: ‘Je vader om jouw deel van de erfenis vragen terwijl hij nog leeft, was in het Palestina van de eerste eeuw in feite een doodverwensing.’

Een backpacker avant la lettre was die jongste zoon ook niet. ‘Wanneer Lucas schrijft “en hij vertrok naar een ver land”, houdt dat veel meer in dan het verlangen van een jongeman om wat van de wereld te zien’, schrijft de Nederlands-Amerikaanse priester Henri Nouwen (1932-1996) in Eindelijk thuis – dat uitgroeide tot een spirituele bestseller en door Hillary Clinton werd omschreven als het boek ‘dat mijn leven het meest beïnvloedde’. Het vertrek van de jongste zoon getuigt volgens Nouwen van een ‘stuitend gebrek aan gesprek’ en een ‘verraad van alle waarden en normen van de familie’.

‘Moreel hoogstaand gedrag kijkt vaak niet verder dan het aanwijzen van kwaad en het straffen daarvan. Maar daarna?’

In het verre land maakt hij zijn erfenis op aan hoeren en alcohol. Totdat er daar een hongersnood uitbreekt. Als zelfs de aardappelschillen die aan varkens worden gevoerd hem ontzegd worden, besluit hij terug te keren naar de boerderij van zijn vader en oudere broer. Hij wil zich aan de voeten van zijn vader werpen: ‘Behandel mij voortaan net zoals uw knechten.’

Het blijkt niet nodig. Als de vader de jongen in de verte ziet, loopt hij hem tegemoet en vergeeft hem direct. Hij gaat zelfs verder. Hij roept een knecht op zijn mooiste jas voor zijn zoon te halen, schoenen en een ring. Paas: ‘Die ring geeft aan: jij bent een erfgenaam, kind van deze vader, zoon van het huis. We hebben het over een statusgevoelige samenleving.’ De vader roept zijn knechten op het vetste kalf te slachten en een groot feestmaal aan te richten. ‘Want’, zo zegt hij, ‘mijn zoon was dood, maar nu leeft hij weer. Ik was hem kwijt, maar ik heb hem weer gevonden.’

In dit eerste deel van Jezus’ parabel staat de onvoorwaardelijke liefde van een vader voor zijn zoon centraal. Met die uitleg kan het verhaal heldere inspiratie vormen voor gelovigen en niet-gelovigen, hoewel Paas het gebruik van Jezus als moraalfilosoof, of het inzetten van moraal an sich, niet los kan zien van godsbesef. Bij het ontkennen van God ‘blijkt dat morele opvattingen niet langer gerechtvaardigd kunnen worden’, schrijft Paas met zijn filosofische collega Rik Peels in God bewijzen (2013). Kijken naar apen, volgens sommige collega’s genoeg om onze huis-tuin-en-keukenmoraal te begrijpen, is niet afdoende. Want hoe weten we wanneer apengedrag ‘goed’ of ‘fout’ is? Hoe komen we aan dat idee van goed en fout?

‘Zelfs “elkaar helpen” is niet per definitie moreel goed’, schrijft Paas. ‘Jeugdbendes helpen elkaar ook, wanneer zij iemand beroven.’ Nu zegt hij: ‘Voor een samenleving die migranten wil verwelkomen, vijanden moet vergeven, zijn biologische observaties te oppervlakkig. Onze moraal valt misschien gedeeltelijk zo wel te verklaren, maar is op deze manier niet te rechtvaardigen of zelfs maar overtuigend te maken.’

In het tweede deel is de oudste zoon boos over het uitbundige onthaal dat zijn vader voor ‘die zoon van u’ heeft geregeld: ‘Voor hem slacht u het vetste kalf! Terwijl hij uw geld heeft uitgegeven aan de hoeren.’

‘De oudste zoon is de moreel hoogstaande’, zegt Paas. ‘Maar in moreel hoogstaand gedrag zit het grote risico dat je een tweedeling maakt tussen mensen die jouw moraal delen en alle tegenstanders van die moraal.’ Hij verwijst naar de Canadese filosoof Charles Taylor die vertelt over een rondreis die een boeddhistische vriend van hem maakte door Duitsland. Die constateerde veel bitterheid, juist bij idealistische mensen, als ze niet in staat bleken genoeg anderen voor hun mening te winnen. Het is een klassieke kritiek: idealisten zijn gek op de mensheid, maar hebben vaak moeite met mensen. ‘Taylor stelt dat als je je vastklampt aan een hoog ideaal – zeg het klimaat, feminisme – je onmiddellijk overal tegenstanders ziet. En wat ga je met die vijanden doen? Moreel hoogstaand gedrag kijkt vaak niet verder dan het aanwijzen van kwaad en het veroordelen en straffen daarvan. Maar daarna? Om een gemeenschap te vormen, is er ook vergeving nodig, of zelfs het liefhebben van vijanden.’

Nederland, de wereld, bestaat uit allemaal oudste en jongste zonen, concludeerde Paas tien jaar geleden. Om die analyse in het nu te trekken: de jongste zoon is de Instagram-influencer die de wereld rond reist met advertentiegeld en met die levensstijl alle likes, aandacht en geld binnenhaalt. De oudste zoon houdt ondertussen het bedrijf draaiende, doet de administratie, neemt verantwoordelijkheid voor de gemeenschap. Beide personages botsen met elkaar. En beiden zijn terug te vinden binnen families, arbeidsrelaties en op de werkvloer.

Ook Henri Nouwen vond dat de houding van de oudste zoon leidt tot een wrokkig en jaloers leven. In Eindelijk thuis schreef hij: ‘Vanuit mijn eigen leven weet ik hoe ijverig ik heb gepoogd om goed te zijn, om aanvaard en bemind te worden, om een waardig voorbeeld voor anderen te zijn.’ Door die opstelling werd Nouwen naar eigen zeggen ‘zwaar op de hand’, en ernstig. ‘Wanneer ik aandachtig luister naar de woorden waarmee de oudste zoon zijn vader aanvalt – woorden vol eigendunk, zelfmedelijden en jaloezie – hoor ik een klacht die veel dieper gaat. Het is de klacht die voortkomt uit het gevoel: ik heb nooit ontvangen wat ik verdiende.’ Dit gevoel staat haaks op de werkelijkheid. Zoals de vader in het verhaal tegen zijn oudste zoon zegt: ‘Mijn jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is van jou.’

Onder de strijd tussen een losgeslagen jongste zoon en een veroordelende oudste zitten twee mensen die uiteindelijk veel van elkaar weg hebben, vindt Paas. ‘De oudste zoon is niet alleen boos op zijn vader, hij is ook boos op zichzelf: misschien dat hij ook naar dat verre land had willen gaan, maar het niet durfde. Misschien neemt hij zijn jongere broer kwalijk dat hij deed waarnaar hijzelf ook verlangde. Op een diep niveau lijken ze op elkaar. Ze zijn spiegels.’ Duidelijk is dat de vader de belangrijke, verbindende rol in het verhaal heeft. ‘Het is de vader die zijn liefde uitspreekt voor de jonge zoon én de oudste zoon. Als die vader wegvalt, als het huis leeg is, is het lastig om de twee perspectieven van die jongste en oudste zoon bij elkaar te brengen. Dan heb je hedonisme versus plichtsgetrouwheid, zonder een derde persoon. Als die vader weg is, verstarren de perspectieven.’

Een van de manieren waarop die vader zijn zonen met elkaar verbindt is taal. Hij beschouwt beide jongens als zijn zonen, en dat blijft zo. Opvallend aan het bijbelverhaal is volgens Paas dat de jongste zoon gedurende het hele verhaal ‘vader’ blijft zeggen. Hij blijft hun familieverhouding onderstrepen. De oudste zoon is daar minder consequent in. ‘Als hij boos zijn vader toespreekt, praat de oudste zoon over zijn jongere broer als “die zoon van u”. Hij ontkent de verbinding terwijl de vader die juist zoekt.’

Tegenwoordig kunnen we weer de vraag stellen wat ons scheidt of wat ons bindt, stelt Paas. ‘Als je op Twitter kijkt, zie je veel mensen die hun gelijk willen halen, hameren op hun recht. Maar wat is het doel van dat alles? Ik denk dat er een vaderfiguur nodig is. Iemand die, ondanks al onze verschillen en fouten, ons bij zich wil hebben. Tegen ons allemaal zegt: kom binnen en vier feest.’