Kom hier dat ik u keel

Het is soms net alsof er maar plaats is voor één boek. We moeten het allemaal lezen, het hele land is een leesclub-in-polonaise.

Misschien is er een naam voor, is het een wet, dat als je iets maar vaak genoeg hoort het onvermijdelijk wordt erin mee te gaan. ‘Ik verkoop hier heel veel van’, zegt de verkoper ter aanmoediging, of het nu gaat om een jas, een brood, een boek.

Het deprimeert mij.

‘Er is een man met de as van zijn vader naar Frankrijk gefietst’, zegt mijn collega.

‘Wáát?’ zeg ik.

‘Ongelofelijk toch?’

Dit gesprekje herhaalt zich een paar keer per dag, elke keer als we ergens weer het nagenoeg identieke interview met de schrijver tegenkomen. Het is onze running gag, we vinden het zelf heel leuk, of misschien vinden we het niet leuk, maar geeft het enige troost.

‘En had hij die as dan soms in zijn fietstas of zo?’

In The Guardian deze week vertelt de Engelse schrijfster Deborah Levy dat haar roman Swimming Home aanvankelijk ‘te literair’ werd bevonden. Ze raakte het nergens kwijt, totdat een kleine uitgeverij, other stories, het risico wilde nemen. Zo’n verhaal vertel je in een interview natuurlijk alleen maar als het goed uitpakte, en dat deed het, Swimming Home kwam op de shortlist van de Booker Prize terecht.

Het is een suggestief boek, broeierig. Het gaat over twee stellen die met elkaar in een Frans vakantiehuis zitten, en tussen wie de onderlinge verhoudingen worden opgeschud door een onverwachte indringster, een meisje met felgroene nagels dat het liefst in haar nakie rond paradeert. Maar waar het echt over gaat? Over de dingen die je niet kunt zien: dromen, obsessies, angsten. Over het verlangen opnieuw te beginnen.

De ­schrijver is zijn ­eigen lezer, zijn eigen ­recensent, zijn eigen interviewer

‘Wat ik nou toch in de krant heb gelezen: een man is met de as van zijn vader…’

‘Écht?’

Eerder schreef Deborah Levy een mooi essay, Things I Don’t Want to Know, in antwoord op George Orwells klassieke manifest Why I Write. ‘Om schrijver te worden moest ik leren om er tussen te komen’, schrijft ze. ‘Om mezelf uit te spreken, om iets luider te spreken, en dan nog luider, en dan om met mijn eigen stem te spreken die helemaal niet luid is.’

‘Je gaat dit niet geloven, maar ik lees het nu net met mijn eiguh oguh. Er schijnt dus een man naar Frankrijk te zijn gefietst, en weet je wat hij bij zich had? Weet je wat hij bij zich had?’

Iedereen wil aandacht, ik begrijp dat wel, en er zijn zoveel stemmen waar je boven uit moet zien te komen, maar soms kun je als schrijver ook te goed weten wat je onderwerp is. Dat alles samenvalt met die ene anekdote, die ene levensles, zo goed afgebakend dat je meer niet nodig hebt – de schrijver is zijn eigen lezer, zijn eigen recensent, zijn eigen interviewer. Zijn boek is overdraagbare emotie geworden.

‘Ik heb het niet over de Leitmotiven in mijn werk’, zegt een schrijfster, aangeschoven bij een praatprogramma. ‘Ik heb het over hoe je het leven kunt overleven.’ Ze trekt er volle zalen mee; als een goeroe zweept ze haar publiek op met de boodschap dat trauma’s er zijn om te overwinnen.

Het deprimeert mij.

Deborah Levy schrijft ondertussen aan het vervolg op haar essay Things I Don’t Want to Know. ‘Ik wil het hebben over het creëren van een thuis’, zegt ze. ‘Daar wordt zoveel energie in gestopt. Het is iets waarvoor ik veel respect heb. Maar er komt een moment dat je je niet meer thuis voelt in je eigen huis. De plaats die je zelf hebt gecreëerd, wil je verlaten. Dat interesseert me.’

Ja, dat interesseert mij ook. Hergroeperen en verder maar weer.