Kom jij maar eens hier

‘De pij irriteert mijn huid.’ Het is de openingszin van de nieuwe roman van Jeroen Brouwers, Het hout, waarin het concept ‘in de huid kruipen van’ een geheel nieuwe lading krijgt.

Medium brouwers

De roman hoeft niet ten tonele te worden gevoerd of te worden verfilmd om de pijdragende in kwestie, broeder Bonaventura, toch helemaal voor je te zien. Sterker nog, om mét hem last te krijgen van de ruwe, schrijnende stof van de pij. Nooit geweten wat monniken onder hun habijt dragen, maar in Het hout wordt er in extenso op ingegaan. Eigenlijk kom je er meer over te weten dan je lief is. Er is sprake van een kiel, een trainingsbroek en een onderbroek, dit alles voorzien van verstelbaar elastiek. Kenmerkend voor de kloosterkleding is namelijk dat alles inwisselbaar is. Zelfs je onderbroek is dus niet van jou zelf. Ook broeder Bonaventura is dit te veel. Hij draagt liever géén onderbroek dan die van een van zijn gehate medebroeders.

We schrijven begin jaren vijftig, en bevinden ons in het afgelegenste en katholiekste zuidoosten van Nederland, in een mijndorp waaruit soms fanfaremuziek opklinkt. De autonome kloosterorde waar broeder Bonaventura zich kapot zweet in zijn juten zak heet Sint Jozef ter Engelen, en herbergt een jongenspensionaat. Ik probeer maar eventjes wat gewonigheden op te lepelen, om niet meteen tot de bittere kern van de roman te komen. Een kern die zich vanaf pagina één aandient, of misschien eigenlijk al vanaf de titelpagina. ‘Het hout’ zou misschien ook nog kunnen verwijzen naar het kruis dat Jezus Christus zelf Golgotha op moest slepen, maar is hier toch vooral de aanduiding van het strafwerktuig waarmee nogal wat kloosterlingen zich uitleven op de hen toevertrouwde pupillen.

Bekende stof, zou je kunnen denken, grootschalige mishandeling en misbruik onder de vlag van de katholieke kerk, we zijn ermee doodgegooid de afgelopen jaren. In deze roman lukt het Brouwers echter het verschrikkelijke ook als nieuw verschrikkelijk over het voetlicht te krijgen. Met broeder Bonaventura heeft hij daartoe het ideale vertelperspectief gecreëerd: dat van de relatieve buitenstaander, de zwijgende toekijker die het potentieel in zich heeft in opstand te komen. In het eerste deel, op de eerste pagina’s al, maakt hij zich buitengewoon ongerust over de afwezigheid van een van de jongens die waarschijnlijk in de klauwen is gevallen van de állerergste broeder die er rondloopt, Mansuetus.

Het is een kwaad sprookje dat de schrijver ons voorschotelt, met twee engelachtige vriendjes, een héél nare despoot aan wiens sadisme niet valt te ontsnappen, en een droevige ridder die ze probeert te redden. De compositie van de roman verhevigt het acute van zijn vertelling. Eerst is er het kriebelen, en vechtend tegen de ondraaglijkheid van de pij het angstig loeren vanaf de binnenplaats naar de verlichte ramen van de beul. Wat zou zich daarachter afspelen? Waar blijft die arme schippersjongen?

In het tweede deel van de roman wordt teruggegaan naar het moment dat Mansuetus zijn intrede doet in de orde, en beschrijft Brouwers hoe een nieuw regime zonder veel tegenkracht voet aan de grond krijgt. ‘Er kon niet worden gelachen en er zou nooit meer worden gelachen. Mansuetus, ongeduldige klapjes tegen zijn bovenbeen, wachtte op ons aan het eind van de gang, waar hij opeens verscheen. Hij zou altijd opeens ergens zijn, ongemerkt opgedoemd uit stilte.’

‘Stroop jij al die onzin nu ook maar van je lijf, kan ik jou ook eens bekijken’

Het derde deel belicht de kennismaking van Bonaventura met het leven buiten de muren in de persoon van de jonge weduwe Patricia, een ontmaagding die hem voorgoed zal tekenen. Vanaf het moment dat hij aan haar zijn echte naam vertelt, wordt ook de lezer het met een schok gewaar. Deze geplaagde vieze vent, die ofwel aan het masturberen is in een zakdoek die hij eindeloos uitwast, ofwel zijn schuldige vlees aan het geselen is met zijn knopenkoord (knoop één: armoede; knoop twee: gehoorzaamheid; knoop drie: onthouding of kuisheid) is een jongen van 26 en heet gewoon Eldert. Eldert Haman. Als hij aan haar zijn identiteit bekendmaakt is het ‘of hij rag van een vergeten koffer veegt’, en of hij de lezer een klap in zijn gezicht verkoopt. Wakker worden, wie dacht je voor je te hebben.

Vijftig jaar schrijverschap viert Brouwers met deze roman, of in elk geval zijn uitgeverij. Ik betrapte me tijdens het lezen op de gedachte dat dit soort literatuur uitstervende is. De kameraadschap tussen de twee geplaagde jongetjes is hemeltergend mooi beschreven, net als de verlossing uit de pij van Eldert in de zondige omhelzing van Patricia. Met kennelijk genoegen laat de schrijver een lustige vrouw zich op zijn broeder uitleven: ‘Stroop jij al die onzin nu ook maar van je lijf, kan ik jou ook eens bekijken.’

In Het hout richt Brouwers zich eens en voor al – maar waarom zou het voor de laatste keer zijn? – op als een wraakgod, zoals hij dat deed in Bezonken rood, en in de essays waarin hij in de jaren zeventig de strijd aanging met de landerige jongetjesliteratuur en zich solidair verklaarde met de Rote Armee Fraktion. In Het hout zit een vergelijkbare, niet te onderdrukken agressie, die met geestigheid en eloquentie gepaard gaat. Al klinkt eloquentie meteen weer veel te netjes. Brouwers gaat tekeer, over het algemeen gecontroleerd, maar vaker gelukkig helemaal niet.


Medium bkbrouwers

Jeroen Brouwers: Het hout. Atlas Contact, 288 blz., € 19,99


Internaat – ‘Er kon niet worden gelachen en er zou nooit meer worden gelachen’ (Spaarnestad / HH).