Essay 20 jaar internet Wel of geen mobieltje

Kom Krijn, we gaan fietsen

Het internet biedt ons nieuwe mogelijkheden om met anderen in contact te treden en onszelf te vormen. Het internet heeft ook een keerzijde: het volgt ons, het stuurt ons, het neemt ons gevangen. Het gevaar van vervreemding ligt op de loer.

MIJN ZOON KRIJN IS ELF JAAR en vraagt of hij een mobieltje mag. Hij wil naar huis kunnen bellen als het iets later wordt. Hij wil muziek kunnen downloaden en luisteren. Waarom vind ik het lastig om gewoon ‘ja’ te zeggen? Ik ben denk ik bang dat hij met de sprong in het digitale diepe langzaam maar zeker het contact met de fysieke wereld gaat kwijtraken. Dat hij, net als veel van zijn leeftijdgenoten, zal worden opgeslokt door de digitale wervelstorm die al jaren woedt en niet aan kracht lijkt in te boeten.
Altijd lastig om je kind los te laten. Steeds een stapje verder in de grotemensenwereld. Dat gaat stap voor stap. Sinds twee jaar mag Krijn het NOS Journaal van acht uur zien. Sinds ik over de schouders van mijn kind meekijk, bezie ik de tv anders, met extra scepsis en een herboren gevoeligheid. Decennia tv-kijken heeft me eerder een platgeslagen ramptoerist gemaakt dan een bewogen, geëngageerd iemand. Die statige oude media hebben mij gevormd en de mobiele nieuwe media zullen mijn zoon gaan vormen.
De simpele vraag van mijn zoon is het begin van een persoonlijke zoektocht naar de huidige stand van het denken over de invloed van internet, mobiele telefonie en sociale media. Ik raakte daarbij onder meer geïnspireerd door twee YouTube-filmpjes - twee tegengestelde statements - over de aard en betekenis van het sociale web. Het eerste filmpje heet Web 2.0: The Machine is Us/ing Us en stelt dat wij het internet zijn en dat het internet ons leven verrijkt. Het andere heet RE: Web 2.0: The Machine is Us/ing Us en is een kritisch antwoord op die stelling. De maker betoogt dat het internet slechts sociale interactie simuleert. Hoe 'echt’ die simulatie ook zal worden, het blijft een slap aftreksel van persoonlijke ontmoetingen, maar lokt ons wel weg van dat soort menselijke contacten.

Het Net bevrijdt ons

En wist Pippa wel zeker dat die Keiko een nette Japanse vrouw was en niet een grote, nare, harige Georgiër?
'Mam, je kijkt te veel televisie’, zei Pippa, en ze hing op. Ze had het al lang opgegeven om haar moeder uit te leggen dat ze 'die Keiko’, hoewel ze haar nog nooit had ontmoet, als haar beste vriendin beschouwde.
Uit het verhaal Blauw van Anneke van Wolfswinkel (2010)

Interessant genoeg zien veel denkers het Net als retro: een stap terug in de goeie ouwe tijd toen mensen nog deel uitmaakten van gemeenschappen. Vanuit die gedachte sluiten sociale media aan bij een oeroude behoefte van de mens: verbonden te willen zijn met anderen. Vroeger vertelden we elkaar verhalen rondom het kampvuur, tegenwoordig doen we dat vanachter de computer. Achter deze visie gaan diverse fundamentele kritieken op onze samenleving schuil. De kerngedachte is dat we de afgelopen decennia steeds meer van elkaar en de wereld om ons heen vervreemd zijn; mensen kennen vaak hun eigen buren niet meer. Javier Guzman stelde dat aan de kaak in zijn cabaretprogramma Ton zuur, over een Rotterdamse man wiens overlijden pas tweeënhalf jaar na zijn dood werd opgemerkt. Dit soort schrijnende gevallen plaatst de sociale controle die er vroeger in dorpen en stadswijken was in een ander daglicht. Die controle kon beknellend zijn, maar bood ook een omgeving waarin je erkend werd en een sociaal netwerk dat hulp kon bieden als dat nodig was. In zijn boek Eavesdropping stelt John L. Locke dat het voor mensen altijd van levensbelang is geweest te weten wat er in het privé-leven van anderen gebeurt. Dat levert namelijk vitale informatie op over waar eten te vinden is en morele grenzen liggen, of - in het geval van Ton zuur - of het goed gaat met je buurman. Door individualisering is het steeds lastiger geworden om informatie uit het privé-leven van anderen te verkrijgen.
Ook de massamedia vervreemden ons van onszelf en elkaar. Voordat Hilversum 3 bestond had 'iedereen een eigen stem’. Radio en tv lokten het volk weg van zijn eigen volkscultuur en maakten er luie consumenten van, passieve couch potatos die zich in hun betonnen hokken hadden teruggetrokken en van bovenaf geïnformeerd werden over de toestand in de wereld. De tv bombardeert ons elke dag met gruwelijk 'realistische’ beelden van de buitenwereld. Jean Baudrillard sprak dertig jaar geleden al van de obsceniteit van het veel te zichtbare. Volgens hem creëren de massamedia een hyperrealiteit die weinig meer te maken heeft met de fysieke werkelijkheid. Die drogbeelden mobiliseren ons niet, maar stompen ons af omdat 'inzicht zonder actie’ nu eenmaal tot frustratie leidt. Journalist Wim Boevink verwoordde deze kritiek een paar jaar geleden treffend: 'Geen geheim, geen intimiteit blijft ons bespaard, geen deur blijft gesloten. Op ons leven schijnt geen zonlicht meer, maar een hard en schel televisielicht, waartegen we ons in ons huiskamerisolement oogknipperend staande houden.’
De retrodenkers menen dat het Net essentiële menselijke behoeften terugbrengt die in de massamaatschappij zeldzaam waren geworden: gemeenschapsgevoel, erkenning, greep op informatie en ruimte voor creativiteit. Het ontstaan van digitale werelden als Farmville en Second Life laten zien hoe sterk het verlangen naar een gemeenschap is. Zonder internet voelen vele mensen zich inmiddels totaal geïsoleerd. Het Net voldoet aan de menselijke behoefte aan small talk, het 'simpel’ delen van alledaagse ervaringen zonder opsmuk. Zo bezien is twitteren in de global village het equivalent van praten over de schutting door buurvrouwen.
Binnen de snel veranderende samenleving is het niet meer vanzelfsprekend om als mens van betekenis te zijn. Toepassingen als YouTube en Facebook appelleren aan onze wens erkend te worden. Ze bieden ons de mogelijkheid een publiek leven te hebben, om 'vrienden’ te hebben, of zelfs 'volgers’ (zoals bij Twitter). YouTube biedt in principe iedere muzikant een wereldpodium om los van de dwang van grote platenmaatschappijen een hit te scoren. Maar los van zeldzaam sterrendom lokt het Net mensen uit hun luie tv-stoel en zorgt ervoor dat ze zelf weer creatief kunnen worden. Deze ontwaking vindt op tal van gebieden plaats.
Digitale netwerken van individuen bezitten een enorme organisatiekracht en bieden kansen om starre, soms corrupte machtsstructuren te omzeilen. Denk aan de volksopstanden in Iran, Tunesië en Egypte. Gestrande NS-reizigers wachten niet langer gedwee op informatie van bovenaf, maar sprokkelen die met hun smartphones zelf bij elkaar en regelen gezamenlijk alternatief vervoer. Tijdens de bosbranden in Californië bleken de commerciële tv-zenders vooral interesse te hebben voor de bedreigde huizen van beroemdheden. Via Twitter en Facebook begonnen lokale burgers zelf de brandhaard snel en accuraat in kaart te brengen. Internet als spreekbuis van een gepassioneerd volk dus. Zoals mensen in de auto een ander mens worden - vaak agressiever -, zo laat ook de virtuele wereld ons niet koud. Evolutiebiologe Seirian Sumner ziet het zo: 'Offline zijn we misschien gereserveerd, gierig, gesloten, argwanend en egocentrisch. Online worden we filantropisch, gul, benaderbaar, vriendelijk en gevaarlijk onvoorzichtig tegenover vreemden.’
We leveren bijvoorbeeld onze kennis graag en gratis aan. Zie daar het succes van Wikipedia. Het Net raakt ons diep in de ziel en haalt het beste in mensen naar boven.

Het Net vangt ons

The real achievement of the internet has been to simulate participation. But it is still not a fully sensory, participatory conversation. This trajectory will eventually lead to virtual reality (…) increasingly sophisticated pseudo-sensory simulation of the full sensory and participatory reality we are already experiencing every day, the natural interaction between us and the world.
Quote uit het YouTube-filmpje RE: Web 2.0: The Machine is Us/ing Us gemaakt door CoryTheRaven (10 februari 2007)
Maar niet iedereen is zo positief. Tegen de hierboven beschreven euforie in groeit ook de cultuurkritiek op het internet. Kritische denkers menen dat we door het internet van elkaar, van onszelf en van de wereld vervreemden. In plaats van te ouwehoeren met collega’s gaan we twitteren, 'chatten’ vervangt een goed gesprek in een café, in plaats van de tuin te harken, spelen we FarmVille; en als gevolg leggen we de voortuin - lekker onderhoudsvriendelijk - vol met stoeptegels. Men vreest een verarming van menselijke communicatie, omdat interacties in cyberspace persoonlijke ontmoetingen wegdrukken, diepe relaties en contacten met andersdenkenden in de weg staan en leiden tot verruwing van de omgangsvormen.
Op het schoolplein krijgt bijvoorbeeld verkeer op de digitale snelweg zowel van links als rechts voorrang. Mijn nichtje moppert over haar vriendin die in de pauzes met een vriendin uit Groningen sms’t in plaats van met haar praat. Zo is die vriendin van mijn nicht tegelijk sociaal en asociaal bezig. Een arme vorm van communicatie - via tekst, smilies en huilies - krijgt voorrang boven een rijke vorm met alles erop en eraan: geurtjes, kleurtjes, gegil en gestoei.
Met de opkomst van Facebook heeft ook het woord 'vriend’ een nieuwe bijklank gekregen. Toon Hermans verwoordde de originele betekenis eens prachtig: 'Je hebt iemand nodig, stil en oprecht, die als het erop aan komt voor je bidt en voor je vecht. Pas als je iemand hebt die met je lacht en met je grient, dan pas kun je zeggen: ik heb een vriend.’ In zijn column in De Pers van 2 juni 2009 vraagt Hans Wiegel zich meewarig af wat vriendschap tegenwoordig nog inhoudt. Hij vertelt van Sanne die meer dan duizend 'vrienden’ heeft en aan het 'ontvrienden’ geslagen is. Dit leidt tot de vraag of al die zwakke contacten op den duur ten koste zullen gaan van echte diepe vriendschappen.
Interacties via het internet hebben de kracht om specifieke groepen mensen, bijvoorbeeld met een zeldzame ziekte, met elkaar in contact te brengen. Daardoor kan tevens gevaarlijk gedrag, zoals anorexia en zelfmoord, bevestigd en gelegitimeerd worden. Deze vormen van groepsdunk kunnen het broodnodige gesprek met andersdenkenden in de weg staan. Velen klagen over de slechte omgangsvormen op het internet. Socioloog Hans Boutellier stelt: 'Het laagje beschaving mag dan historisch gesproken dun zijn, op internet is het gewoon weg.’ Volgens hem gelden op het Net de wetten: 'Ik zeg wat ik denk omdat het kan, mag en moet.’ Zo is GeenStijl op het internet en helaas ook daarbuiten de stijl geworden.
Criticasters denken dat het internet ons ook van onszelf zal vervreemden. Creativiteit, contact met jezelf, het zoeken naar identiteit, zelfreflectie hebben allemaal tijd, stilte, rust en aandacht nodig. Door internet met zijn games en sociale media worden dat soort momenten schaars. Sommige jonge mensen zijn inmiddels bang voor de stilte. Er is altijd wel iets interessants te vinden op het internet; informatie, een spelletje, contact met je vrienden. Het mobieltje heeft ervoor gezorgd dat we overal en altijd bereikbaar kunnen zijn; de sociale dwang om bereikbaar te moeten zijn doet de rest. Ziehier de opkomst van de digitale bestaansangst: 'If you’re not on Facebook, you don’t exist.’ Ieder e-mailtje, sms'je en iedere zoekopdracht stilt onze eindeloze honger naar informatie, sociaal contact en herkenning. Die verslaving tast ons vermogen om alleen te zijn aan en daarmee ons vermogen tot reflectie over onszelf en de wereld.
De filosoof Thomas Metzinger stelt dat de nieuwe mediaomgevingen leiden tot 'publiek dromen’ omdat deze een 'nieuwe soort van wakend bewustzijn creëren die doen denken aan een verzwakte subjectieve mengeling van dromen, dementeren, beneveld zijn en geïnfantiliseerd raken’. Metzinger stelt dat controle over je aandacht sterk bepaalt wie je bent. Hij ontwaart een 'georganiseerde aanval op het bewustzijn’ die zelfs kan leiden tot 'een milde vorm van ontpersoonlijking’.
Met name het bedrijfsleven werpt zich in de strijd om de aandacht van klanten. Men spreekt van de 'beleveniseconomie’ of de 'droomeconomie’, het inzicht dat ons economische systeem steeds meer gebaseerd is op het verkopen van 'belevenissen’, 'gevoelens’, 'emoties’ en 'verhalen’. Mark Zuckerberg, de oprichter van Facebook, beschrijft in de film The Social Network treffend het businessmodel achter zijn onderneming: 'I am talking about digging the total social experience of college and putting it on line.’ In onze informatiesamenleving zijn de ervaringen, verhalen en belevenissen van gewone mensen dus goud geld waard omdat die de aandacht trekken van andere mensen.
Critici leggen uit dat de leden van dergelijke sociale netwerken niet de klanten zijn. De echte klanten van Facebook zijn de adverteerders. In zijn politieke pamflet You Are Not a Gadget stelt Jaron Lanier: 'The whole idea of fake friendship, is just a bait laid by the lords of the clouds to lure hypothetical advertisers.’ Jeremy Rifkin voorspelde en bekritiseerde deze economisering van het gewone leven al voor de opkomst van het sociale web. Hij vreesde dat door technologie bemiddelde relaties en ervaringen de natuurlijke menselijke contacten en ervaringen zullen wegdrukken, omdat die de economie niets opleveren. Deze angst is niet denkbeeldig.
Bedrijven weten inmiddels heel goed hoe ze hun klanten in de virtuele wereld vast kunnen houden. Dit vak wordt persuasive technology of beter captology genoemd; de kennis om consumenten te vangen en gevangen te houden. De makers van Facebook weten dat de stroom aan commentaren van mensen de smeerolie zijn van hun product. FarmVille, als onderdeel van Facebook, speelt trouwens slim in op de behoefte van mensen om niet alleen onderdeel te zijn van een sociaal netwerk, maar om ook iets gezamenlijks te doen. Dat spel weet tot op de seconde nauwkeurig op welk moment spelers beloond moeten worden zodat ze terug blijven komen. Status is daarbij een belangrijk fenomeen. Mijn zoon is er trots op een 'professional’ te zijn in het Mario Kart-spelletje, zeker als zijn vader slechts een 'amateur’ is. Op allerlei manieren weten gameontwerpers mensen langdurig en geboeid in hun virtuele werelden te houden.
In de echte wereld is het zeer lastig en ethisch onverantwoord om het gedrag van grote groepen mensen te bestuderen. Digitale werelden bieden die mogelijkheid wel. Games als World of Warcraft en FarmVille zijn in feite gigantische laboratoria, waarmee de manier waarop spelers samenwerken, problemen oplossen of vermijden, en hun reactie op beloningen nauwkeurig bestudeerd kan worden. Dat is precies wat er de afgelopen decennia gebeurd is. Gameontwikkelaars hebben zo proefondervindelijk effectieve beloningsschema’s uitgekiend. En als gevolg beheersen ze de kunst om via uitdagingen en beloningen spelers in een flow te brengen; een mentale toestand waarin de speler helemaal opgaat in het spel. Een groeiende groep denkers wil de kracht en het psychologische mechanisme van games toepassen op andere serieuze domeinen, bijvoorbeeld om de betrokkenheid van werknemers te verhogen, onderwijs te verbeteren, de band met klanten te versterken of grote maatschappelijke issues als klimaatverandering of armoede aan te pakken. Gamification is hier het buzzwoord. Critici vrezen dat onze digitale sociale interacties steeds meer door de logica en software van games bepaald zullen gaan worden of wellicht zelfs al bepaald worden. Ze vrezen een wereld waarin je op je verjaardag van iedereen uit het sociale netwerk een verrassend digitaal kaartje krijgt, automatisch gegenereerd door de computer.

De twee gezichten van het Net

Sintels op een jaagpad
krakend onder een schoen
Een bankje om alleen te zijn
en tijd om te verdoen
Waterkant grenzend aan mijn land
verander dan die stroom in mijn kop
laat me nou eens zingen dan
Denken geeft me rust
Water aan de waterkant
dat zacht mijn lippen kust
Uit: Tijd um te verdoen van de cd Laagstraat 443 van JW Roy

Het is nu tijd om de rekening op te maken. Mijn positie in het debat wordt uiteindelijk het meest duidelijk in het antwoord aan mijn zoon: gun en geef ik mijn zoon een mobieltje, ja of nee? Mijn zoon staat namelijk voor een hele generatie van wie identiteit en moreel besef sterk door de sociale interactie via sociale media bepaald gaat worden. Op wat voor manier dat gaat gebeuren is natuurlijk de grote vraag. Ethicus Jeroen van den Hoven stelt dat we wat het digitale leven betreft in een 'morele mist’ verkeren. De virtuele wereld is als het nieuwe Wilde Westen: een wereld met weinig regels, waar de regels van de nieuwe wereld vorm gegeven worden.
In deze tijd van vertwijfeling verdienen de beide visies op de invloed van internet het om gehoord te worden. Het Net is bevrijdend en biedt ons nieuwe mogelijkheden om met anderen in contact te treden en onszelf te vormen. Het Net heeft ook de neiging om ons gevangen te nemen en ons op allerlei manieren digitaal te volgen en te sturen. Dat leidt tot voorgeprogrammeerde intieme ervaringen in de virtuele wereld. Een goede discussie begint bij de erkenning van beide kanten. Boutellier stelt dat we deze dualiteit onder ogen moeten durven zien 'om overdreven nieuwe verwachtingen te temperen, maar ook om cultuurpessimisme te voorkomen’.
Van een goede open discussie is op dit moment echter nog geen sprake. Mensen, zoals onze koningin in haar kersttoespraak van 2009, die het wagen commentaar te leveren op de sociale media, krijgen meteen de volle laag. Stilstaan bij wat de internetrevolutie met ons mens-zijn doet? Hoe durf je! Praten over sociale media lijkt een taboe. Dus mond dicht over het digitale smoelenboek. Dat is jammer, want de opkomst van de virtuele wereld dwingt ons om goed na te denken over de wijze waarop de sociale technosfeer onze identiteit beïnvloedt en met name die van de generatie die daarmee opgroeit. Ik als opvoeder moet mijn zoon bewust maken van het feit dat zijn gedrag op het internet kan veranderen, met al zijn goede en kwetsbare kanten. Ik moet mijn kind bewust maken van het feit dat het internet een grote droommachine is, gerund door de 'lords of the clouds’, die hem op allerlei manieren proberen te verleiden en te vangen. Maar ik moet hem vooral vertellen hoe mooi de echte wereld is en hoe rijk echte contacten zijn en hoe belangrijk stilte is om mens te worden. Ik moet hem die dingen vooral laten ervaren. Kom Krijn, laten we gaan fietsen tegen de wind! En oké, je mag een mobieltje.

bekijk hier de beschreven fragmenten


Rinie van Est is onderzoeker bij het Rathenau Instituut