Kom maar op. Het verzet in Irak groeit met de dag

Kom maar op

De omvang van het verzet in Irak groeit met de dag en de middelen die het verzet hanteert worden steeds effectiever. Amerikaanse inlichtingendiensten hebben nauwelijks nog een beeld van het rebellenlandschap.

BAGDAD, november 2003 – In een zwaarbewaakt complex in het hart van de Iraakse hoofdstad huist de afdeling mensenrechten van de Voorlopige Autoriteit, geleid door de Amerikanen. De afdeling bestaat uit twee personen. Een vloeiend Arabisch sprekende Amerikaan van begin dertig en een al even jonge vrouw van Tsjechische afkomst. Het is november 2003. Saddam Hoessein is nog voortvluchtig. De vrouw vertelt dat het de Irakezen zelf zijn die zich verenigen om mensenrechtenschendingen te onderzoeken. Wij voorzien hen van de middelen daartoe, vult de man aan. Hoe dat gaat? Een groep Irakezen doet een officieel verzoek dat aan allerhande eisen moet voldoen. In de Hoogste Regionen wordt vervolgens beslist hoeveel geld men krijgt. Maar de laatste tijd zijn de betalingen opgeschort, vertelt de vrouw. De Irakezen organiseren zich niet altijd zoals wij graag zouden zien, zegt de man besmuikt. Wat is er aan de hand? Ze beginnen een warrige verhandeling over «verschillen in cultuur». Pas in een tweede gesprek komt de aap uit de mouw. Er is geld, veel geld, gegeven aan groepen die daarmee iets anders deden dan de bedoeling was. Na lang aandringen: de dollars werden niet gebruikt om mensenrechtenschendingen te documenteren, maar om «terroristische activiteiten» te ondersteunen. Meer mogen ze niet zeggen. We zijn teleurgesteld, zegt de vrouw. We gaan ervan uit dat het probleem tijdelijk is, maar op deze manier kunnen we Irak niet helpen, zegt de man.

Achteraf gezien was het in deze periode dat het breed geschakeerde Iraakse verzet tot volle wasdom kwam. Het laatste kwart van 2003 gaf een explosieve groei te zien in het aantal aanslagen op bezettingstroepen en westerse doelen in Irak. In augustus was het VN-gebouw in Bagdad door een autobom vernietigd en enkele dagen daarvoor werd voor het eerst een oliepijpleiding opgeblazen. Oktober 2003 werd gekenmerkt door een golf van zelfmoordaanslagen. Op de Turkse ambassade, op hotels waar hulpverleners en journalisten huisden, op overheidsgebouwen, politiebureaus en op het hoofdkwartier van het Internationale Rode Kruis. In november 2003 werden scherp gecoördineerde aanvallen op Amerikaanse troepen uitgevoerd. Er werden helikopters uit de lucht geschoten, konvooien bestookt en in Samara doodden wild om zich heen schietende Amerikanen 46 Irakezen. De meeste kleine aanslagen op bezettingstroepen verschenen niet eens meer in het nieuws, zo talrijk waren ze. De stervensstatistiek van de Amerikaanse strijdkrachten vertoonde die maand een enorme piek. Een half jaar nadat president Bush triomfantelijk aankondigde dat de oorlog voorbij was werd er weer volop gesneuveld in Irak. Volgens Amerikaanse bronnen vonden vanaf augustus 2003 in veertig tot zestig Iraakse steden wekelijks aanvallen plaats. Bagdad spant de kroon met twintig tot veertig aanvallen per week, Mosul is een goede tweede met vier tot dertien aanslagen per week. Ook in 2004 was november wederom een piekmaand in de Amerikaanse sneuvel statistiek. Half januari 2005 lag het officiële aantal gedode Amerikaanse militairen sinds het begin van de oorlog (20 maart 2003) op 1382. Van het aantal Iraakse doden bestaan slechts schattingen. Het zouden er ruim honderdduizend zijn.

Tot na de zomer van 2004 houdt het Amerikaanse oppercommando vol dat het om niet meer dan vijfduizend opstandelingen gaat. «Bring it on», pocht president Bush nog in de vroege dagen van de opstand. Kom maar op, jullie zijn geen partij voor ons. De opstand zal worden gebroken met militaire middelen, beweren Amerikaanse generaals keer op keer. FYA’s worden de rebellen dan nog genoemd door het Pentagon: former regime loyalists. Het gaat er bij de Amerikanen en hun bondgenoten niet in dat ook Irakezen die zich geenszins verwant voelen met de brute dictatuur van Saddam Hoessein zich tegen hen keren. Zij zijn immers bevrijd. Maar het falen van de weder opbouw, het aanhouden van de enorme bestuurlijke chaos en werkloosheid, het achteruit hollen van de levensstandaard en de mishandeling van Iraakse gevangenen (zie De Groene Amsterdammer van vorige week) maakt de Amerikanen tot ongewenste vreemdelingen en uiteindelijk tot vijand van een groot deel der Irakezen. Het wordt steeds moeilijker voor de bevolking te geloven dat zij slechts tijdelijk en Irak zijn en niet uit zijn op de olierijkdommen.
Inmiddels lijkt het Amerikaanse opper bevel te zijn ontwaakt uit dromenland. Vorig jaar oktober schatte het Pentagon het aantal opstandelingen op zestienduizend. De meest recente schatting is afkomstig van de tijdelijke Iraakse regering: tweehonderdduizend guerrillastrijders zouden actief zijn in Irak. Het Pentagon sprak de cijfers niet tegen.

Maar volgens defensiedeskundige Rob de Wijk, directeur van het Clingendael Centrum voor Strategische Studies, is het te laat voor wijze inzichten. «De Amerikanen hebben veel te lang gehandeld in strijd met de uitgangspunten van counter insurgency-_operaties. Allereerst moet je minimaal geweld gebruiken. Telkens als je veel slachtoffers maakt bij een tegenactie die breed wordt uitgemeten in de media heb je een slag verloren. De rebellen weten dat. Ze lokken bloedbaden uit en de Amerikanen trappen er steeds weer in. Ten tweede was het van cruciaal belang dat de _hearts en minds werden gewonnen, maar de Amerikanen hebben ook dat verknald. En daarvoor gaan ze nu de prijs betalen. De verkiezingen naderen en de opstandelingen hebben hun aanvallen verhevigd. Ik zou niet weten wat de Amerikanen daar nog aan kunnen doen.»

De militaire capaciteit van de rebellen valt in het niet bij die van de Amerikanen. De bewapening van een eenheid behelst vaak niet meer dan enkele zware machinegeweren, kalasjnikovs, mortieren, katoesja-raketten, handgranaten en raketaangedreven granaten (RPG’s). Vaak weigeren de wapens dienst of komen projectielen niet tot ontploffing. Het zijn vooral het fanatisme, de doodsverachting en het schier onuitputtelijke reservoir van rekruten die de opstandelingen onoverwinnelijk maken. In roerige regio’s zouden volgens analisten per rebel zeker dertig Amerikaanse militairen of Iraakse gardisten nodig zijn om de situatie onder controle te houden. Op de website www.albasrah.net, een Engelstalige site gebruikt door een conglomeraat van Iraakse verzetsgroepen, staan dagelijkse verslagen van aanvallen. Waarschijnlijk worden de successen overdreven, maar zelfs als een tiende van de informatie klopt, is het verbijsterend wat zij aanrichten. Van de site zijn eveneens drie filmpjes te downloaden die enig inzicht verschaffen in de werkwijze van een verzetsgroep. Op het eerste filmpje zijn drie mannen in het holst van de nacht bezig een mortier af te vuren. In de verte verschijnt een vuurbal die na het afschieten van elke granaat groter wordt. Amerikaanse bases worden momenteel vrijwel elke nacht op deze wijze bestookt. Het tweede filmpje toont twee mannen die op klaarlichte dag in de weer zijn met een grote houwitsergranaat die op een weg ligt. Ze zetten het ding op scherp en bedekken het met doeken en zand. Dit zogenoemde improvised explosive devise (IED) wordt vervolgens ingezegend en zal later waarschijnlijk – het is niet gefilmd – tot ontploffing worden gebracht als een konvooi passeert. Het derde filmpje toont een Amerikaanse tank op grote afstand. Het is schemerig. Dan volgt de inslag van een raket die de achterkant van het gevaarte wegslaat en het voertuig in brand zet.

Twee bloedige episoden zijn cruciaal in de ontwikkeling van de Iraakse opstand. Allereerst het neerslaan van de sjiïtische rebellie. In de zomer van 2004 nemen sjiïeten de wapens op tegen de Amerikanen. Zij kunnen onmogelijk worden gezien als aanhangers van het voormalige regime. Saddam Hoessein liet honderdduizenden sjiïeten in het zuiden van Irak vermoorden. De opstand is een poging van de radicale geestelijke Moqtada al-Sadr om zich gewapenderhand een machtspositie te veroveren voordat een voorlopige regering door de bezetters zal worden geïnstalleerd. Er wordt gevochten in Najaf, in Kerbala en in Sadr City – de sjiïtische sloppenwijk van Bagdad. Als Al-Sadr zijn militie, het zogenaamde Mehdi-leger, uiteindelijk de opdracht geeft de wapens neer te leggen, zit de haat er bij de sjiïeten inmiddels goed in. De Amerikanen hebben vele sjiïeten gedood. De door Al-Sadr beloofde ontwapening is een farce. Zijn militie houdt zich momenteel koest, maar heeft zich geconcentreerd in Sadr City, klaar om opnieuw de aanval te openen. Ditmaal in het hart van de macht.

Een tweede cruciaal moment vormde de grootscheepse aanval van Amerikaanse mariniers afgelopen november op Fallujah, de stad der moskeeën nabij Bagdad die ten tijde van de sjiïtische opstand tot vrijhaven van soennitische rebellen was geworden. Het elite-corps had al in april geprobeerd de stad in te nemen, maar toen was op het zo’n ongehoorde tegenstand gestuit dat het zich moest terugtrekken. De grootscheepse aanval in november eindigde voorspelbaar in een bloedbad dat nauwelijks op de westerse tv-schermen te zien was, maar in Irak en de Arabische wereld dagenlang het nieuws domineerde. Schattingen over de Iraakse slachtoffers lopen uiteen van zes- tot twaalfhonderd. De schokkende beelden van het goeddeels in puin liggende «bevrijde» Fallujah, de uiteengereten lichamen en de tweehonderdduizend vluchtelingen deden de steun voor het verzet flink groeien. Bovendien werd duidelijk dat in de strijd 54 mariniers waren omgekomen. Een groot afgedrukte foto in Paris Match toonde de essentie van dat gegeven: in een keuken, met een nog dampende pan op het fornuis, ligt een marinier in zijn moderne kogelwerende uitrusting uitgestrekt op de grond. Vanonder zijn helm stroomt bloed. Met grote precisie in het gezicht geschoten door een Iraakse sluipschutter. Zelfs bij een grootscheepse aanval zijn Amerikaanse elite-eenheden niet onoverwinnelijk, schreeuwt de foto.

«De slag om Fallujah in november 2004 is een typisch voorbeeld van een tactische overwinning», schrijft Anthony Cordesman van het Amerikaanse Center for Strategic and International Studies (CSIS) in zijn rapport The State of the Iraqi Insurgency. «Maar de Iraakse interim-regering en de Verenigde Staten kunnen nauwelijks claimen dat de overwinning binnen handbereik is. Het aantal incidenten is iets afgenomen na Fallujah, maar grote aanvallen van opstandelingen hebben sindsdien plaatsgevonden in Bagdad, Mosul, Kerbala en Najaf. De Soennitische Driehoek, het gebied langs de Tigris, en de ‹driehoek des doods› ten zuiden van Bagdad zijn gebieden van intense activiteit van soennitische opstandelingen en de stabiliteit van de sjiïtische en Koerdische gebieden blijft onzeker.»

Volgens het CSIS hebben de rebellen veel geleerd sinds augustus 2003. Ze hebben nieuwe manieren gevonden om met hun wapens om te gaan. Zo zijn er methoden ontwikkeld om ouderwetse RPG’s een groter pantserdoordringend vermogen te geven. Dat was een onaangename verrassing voor de mariniers in Fallujah. Er zijn explosieven, wapens en munitie in overvloed. Het lag voor het oprapen in de vele wapendepots van Saddam Hoessein die de Amerikanen aanvankelijk onbewaakt lieten. Inmiddels hebben de rebellen financiële netwerken ontwikkeld die verknoopt zijn met drugshandel, gul donerende oliesjeiks en met de nog altijd niet waterdichte verstrekking van subsidies door de tijdelijke regering. Zo betaalt de Amerikaanse belastingbetaler een beetje mee aan de eigen nederlaag. Sommige groepen hebben inmiddels een effectieve informatie- en commandostructuur opgebouwd. Het gebruik van internet om aanslagen te plannen en informatie uit te wisselen met onder meer Afghaanse strijders is verfijnd. Zelfs psychologische oorlogvoering is nu deel van het rebellenarsenaal. Begin december verscheen op internet een professioneel gemonteerde film waarin Amerikaanse militairen werden aangespoord te deserteren. «George Bush, bring it on vroeg je ons. Dat doen we zoals je nooit had kunnen dromen. Heb je nog meer uitdagingen?» sneerde de commentaarstem.

Satellietzenders als Al-Jazeera en Al-Arabia worden door de rebellen gebruikt als tactische middelen. De live-beelden verschaffen de rebellen inzicht in de werkzaamheid van hun tactieken en in het mediaeffect van de aanslagen. Ze weten dat ze het in training en bewapening moeten afleggen tegen de Amerikaanse en Britse troepen. Dus proberen ze angst te zaaien en de buitenlandse publieke opinie te beïnvloeden. Eén goed geplande zelfmoordaanslag met een recordaantal doden is hen meer waard dan een maandenlang voorbereide frontale aanval met duizend strijders. Terreurmethoden als zelfmoordaanslagen, mystery killings, ontvoeringen en onthoofdingen worden niet alleen gebruikt door fundamentalistische groepen als die van de Jordaniër Abu Musab al-Zarqawi, die in verband wordt gebracht met al-Qaeda, maar ook door Iraaks-soennitische nationalisten. De belangrijkste vertegenwoordiger van die stroming, de Ansar al-Soenna, heeft zich onlangs van al-Qaeda gedistantieerd en fundamentalistische strijders via een internetverklaring opgeroepen weg te blijven.

Een van de grootste problemen voor de bestrijding van de rebellen is volgens Cordesman van het CSIS hun inmiddels zeer goed ontwikkelde inlichtingennetwerk. De westerse troepen, bestuurders en humanitaire werkers kunnen niet functioneren zonder Iraakse tolken en ander lokaal personeel. De verzetsgroepen hebben inmiddels wegen gevonden om deze mensen – als ze het al niet vrijwillig doen – zo onder druk te zetten dat ze waardevolle informatie doorspelen. «Net als in Vietnam», schrijft Cordesman in zijn rapport. Die omineuze formulering duikt meermalen op in het CSIS-onderzoek. Hebben de Amerikanen ook maar iets geleerd in de dertig jaar die de slangenkuilen van Vietnam en Irak van elkaar scheiden? Rob de Wijk: «Blijkbaar niet. Amerikanen beschouwen de strijd tegen lichtbewapende rebellen niet als the real thing. Ze hebben liever grote operaties waarbij veel superieure technologie komt kijken. Net als in Vietnam onderschatten ze hun tegenstander en net als in Vietnam zien ze niet in dat hier geen militaire overwinning mogelijk is, maar dat er een politieke slag gewonnen had moeten worden om de voedingsbodem voor rebellie weg te nemen.»

Momenteel houden de sjiïeten en de Koerden zich rustig. Ze hebben meer te winnen bij een democratisch, manipuleerbaar politiek bestel dan bij het verspillen van hun militaire krachten. Het zijn momenteel de soennieten die de rebellie aanvoeren. Zij zullen de grote verliezers zijn van het nieuwe politieke systeem en proberen uit alle macht te verhinderen dat het er komt. Het soennitische verzet vormt geenszins een eenheid. Het bestaat uit een bonte mengeling van nationalisten, ex-baathisten, islamisten, door al-Qaeda geïnspireerde buitenlandse extremisten, buitenlandse vrijwilligers zonder duidelijke politiek-religieuze verbintenis en criminele bendes. Verschillende groepen werken samen, om elkaar het volgende moment te bestrijden. Allerhande cellen verschijnen plotseling in het nieuws en lossen dan weer op. Het is voor Amerikaanse inlichtingendiensten bijna ondoenlijk om een goed beeld van het rebellenlandschap te krijgen. Laat staan om groepen te infiltreren.

R_ob de Wijk:_ «Ze kunnen hier niet meer uitkomen. De enige mogelijkheid voor de Amerikanen is het vaststellen van een duidelijke exit-datum – er wordt al gesproken over 2006 – en alles op alles te zetten om zo veel mogelijk Iraakse veiligheidstroepen op te leiden en te bewapenen. Het is bijna onmogelijk dat de komende verkiezingen een regering opleveren die door de Irakezen als legitiem wordt beschouwd. Ik vrees dat er een sterke man zal opdoemen die rücksichtslos zal optreden tegen de rebellen. Dan is alles verloren waarvoor de Amerikanen ten strijde trokken en zijn die honderdduizend Iraakse doden voor niets geweest. Het land heeft nu zelfs de rol van Afghanistan onder de Taliban overgenomen als praktijkschool voor internationale islamitische terroristen. Het beste waar we op kunnen hopen is dat die sterke man een verlicht despoot zal zijn.»