© Angel Boligan / Cagle

Voor de meeste mensen is een economische recessie een schrikbeeld. Voor centrale bankiers is het dezer dagen een oplossing. Zoals Jerome Powell, de grijze multimiljonair die de Amerikaanse Federal Reserve leidt. Zijn voornaamste dilemma is hoe diep het dal moet worden. Want dát er een einde dient te komen aan de huidige voorspoed, daarover is hij glashelder. ‘We moeten de inflatie achter ons laten’, zei hij in september al. ‘Ik zou willen dat er een pijnloze manier was om dat te doen. Die is er niet.’

‘Het is verre van zeker dat een milde recessie alleen voldoende zal zijn om de hoge inflatie te beteugelen’, zei ook voorzitter Klaas Knot van De Nederlandsche Bank (dnb) dit najaar bij een bezoek aan de Tweede Kamer. Vlak voor Kerst, in een vraaggesprek met De Telegraaf, herhaalde de doorgaans zo montere Groninger die sombere boodschap: ‘Je kunt inflatie niet met hocus pocus terugbrengen naar twee procent. Daar zal echt een afkoeling voor nodig zijn.’

Op dit moment bedraagt de inflatie nog tien procent. Dat betekent dat consumenten in 2022 bijna een tiende méér betaalden voor hun spullen en diensten dan twaalf maanden eerder. Keert het economische tij, dan zullen zij minder geld uitgeven. Door de dalende vraag wordt vervolgens alles – benzine, een knipbeurt, timmerlieden – minder schaars. Met als gevolg: lagere prijzen. In een uitleg op de eigen website erkent ’s lands centrale bank dat die aanpak de werkloosheid zal doen oplopen. Maar het is een noodzakelijk kwaad, om te zorgen dat de Nederlandse economie ‘weer met beide benen op de grond belandt’.

‘Afkoelen’, ‘niet pijnloos’, ‘met beide benen op de grond’. Het zijn understatements van jewelste. In gewonemensentaal betekent een recessie, zeker een zware, dat vele duizenden Nederlanders hun baan kwijtraken. Uitgerekend de generatie die al getroffen werd door de lockdowns zal na het voltooien van haar opleiding te maken krijgen met een hogere jeugdwerkloosheid. De lonen komen verder onder druk te staan. En dat terwijl de koopkracht afgelopen jaar al daalde met bijna zeven procent.

Daar blijft het niet bij. De huizenprijzen zullen in een recessie harder dalen. Daardoor komen steeds meer koopwoningen ‘onder water’ te staan. Raken de eigenaren hun werk kwijt of liggen ze in een scheiding, dan lopen ze het risico hun huis met verlies te moeten verkopen en achter te blijven met een restschuld van tienduizenden euro’s. En er is nog meer. Maakt het kabinet dezelfde fout als tijdens de eurocrisis, dan volgen bezuinigingen op publieke voorzieningen, van verzorgingshuizen en scholen tot de bibliotheek. Andere, opkomende economieën zullen het veel zwaarder krijgen. In combinatie met de stijgende rente kan een recessie het startschot zijn voor een nieuwe reeks schuldencrises. Lees: miljoenen mensen die in de armoede worden gestort.

Het is dan ook een duivelse keuze waar centrale bankiers voor staan. Worden we ook dit jaar berooid door de inflatie? Of is het de recessie die ons armer maakt? Getuige de reeks renteverhogingen opteren ze voor dat laatste. In de Verenigde Staten ligt de rente boven de vier procent. De Europese Centrale Bank is iets later begonnen. Afgelopen zomer was een van haar tarieven nog negatief. Geld sparen kostte geld. Inmiddels bedraagt deze depositorente twee procent, en de monetaire masters of the universe hebben duidelijk gemaakt dat het hier niet bij zal blijven.

Opvallend genoeg is er amper discussie over. Nu de pijn van duurdere boodschappen alom gevoeld wordt, wil geen beleidsmaker soft overkomen. Zachte heelmeesters, stinkende wonden: vanuit dat idee grijpen de centrale bankiers terug op wat zich misschien nog het best laat omschrijven als een soort monetaire chemotherapie. Het is afzien. Misschien gaat de patiënt eraan onderdoor. Maar hé, dan is die vervelende inflatie wel weg.

Larry Summers – econoom, oud-minister van Financiën, Democraat en toch heel erg rechts – heeft zelfs betoogd dat de Verenigde Staten ‘vijf jaar nodig hebben met een werkloosheid van boven de vijf procent om de inflatie te beheersen’. Maar, voegt hij er zonder blikken of blozen aan toe: het mag ook één jaar zijn waarin één op de tien Amerikanen zonder inkomen thuis zit.

Wie dit monetaire masochisme wil begrijpen, moet terug naar het einde van de jaren zeventig. De westerse landen worstelen met een tweede oliecrisis. Het zorgt voor een combinatie van lage groei en hardnekkige inflatie. Stagflatie dus. In de Verenigde Staten roept president Jimmy Carter de hulp in van een twee meter lange econoom, tevens fervent visser. Als om zijn zuinigheid te benadrukken draagt deze Paul Volcker slechtzittende pakken en rookt hij goedkope sigaren.

In Europa klinken de laatste weken opvallend veel voorzichtig hoopvolle geluiden

Amper twee maanden na zijn benoeming tot voorzitter van de Federal Reserve, op 6 oktober 1979, doet Volcker iets wat op dat moment hoogst ongebruikelijk is voor een centrale bankier. Hij belegt een persconferentie. Het kost zijn medewerkers de nodige moeite om de verslaggevers te overtuigen dat het de moeite waard wordt. Voor de camera’s van ABC News heeft Volcker het luchtig over wat ‘lastige aanpassingen die in het verschiet kunnen liggen’. Maar wat de nieuwbakken monetaire hogepriester op deze zaterdagavond aankondigt, is niets minder dan een aardverschuiving. Volcker wil de hardnekkige verwachting dat de prijzen blijven stijgen uit de hoofden van de Amerikanen beuken. Om dat voor elkaar te krijgen, is hij bereid een crisis te veroorzaken.

In de daaropvolgende maanden verdubbelt de rente naar maar liefst 21,5 procent. Hetzelfde gebeurt met de werkloosheid. Bij Volckers aantreden zit een kleine zes procent van de beroepsbevolking zonder baan. In november 1982 is dat bijna elf procent. Bedrijven vallen bij bosjes om. Dat merken ze ook op het hoofdkwartier van de centrale bank in Washington D.C. Er arriveren – inderdaad, toen ook al – boze boeren met tractoren in de hoofdstad. Autohandelaren sturen uit protest sleutels op van voertuigen die door de economische malaise onverkocht blijven. Bouwbedrijven schenken Volcker houten tegeltjes. Zelf hebben ze er weinig aan, want met deze rente kan geen gewone Amerikaan meer een huis financieren.

Niets wijst er in eerste instantie op dat de ‘Volcker-schok’ een succes is. De hoge rente drijft buitenlandse overheden, die miljarden hebben geleend op Wall Street, in het nauw. Dit is het begin van de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis. Ook in eigen land heerst twijfel. Het duurt langer dan verwacht om de inflatie te temperen. Ondertussen moet Carter, mede door de beroerde economie, het veld ruimen voor de Republikeinse kandidaat Ronald Reagan. En dat terwijl er achteraf gezien aanwijzingen zijn dat de inflatie sowieso al op het punt stond te dalen. Niet door het rentewapen, maar dankzij de globalisering. Vooral de opmars van goedkope Chinese export zal vanaf de jaren tachtig neerwaartse druk uitoefenen op de prijzen, van speelgoed tot computers.

Voor Volckers hedendaagse faam lijkt het weinig uit te maken. Onder centrale bankiers geniet hij regelrechte cultstatus. Op conferenties leukt menig spreker zijn bijdrage op met een anekdote over wat die boomlange inflatievreter gezegd of gedaan zou hebben. ‘Hij was de personificatie van het idee dat je politiek impopulaire maar economisch noodzakelijke maatregelen moet nemen’, vatte Ben Bernanke, Fed-voorzitter tijdens de bankencrisis, het sentiment samen. Volcker als de stoïcijnse, technocratische hoeder van de ‘harde munt’. En zeg nou zelf: straalt die term op zich al niet potentie en viriliteit uit?

Logisch dus dat centrale bankiers nu de inflatie piekt – voor het eerst sinds het begin van het huidige tijdperk van globalisering, van dalende prijzen en spotgoedkoop geld – teruggrijpen op de methode-Volcker. Toch klinkt hier en daar ook voorzichtige kritiek. Om te beginnen worden er kanttekeningen geplaatst bij het democratische gehalte van deze aanpak. Stefan Eich, een Duitse politicoloog die doceert aan Georgetown University, vindt dat ongekozen centrale bankiers die een recessie uitlokken zich wel erg diep in verdelingsvraagstukken mengen. ‘Ze wisten dat dit zou leiden tot een hogere werkloosheid’, zei hij onlangs over de Volcker-schok in een interview met het FD. ‘Dus was het verhaal: we nemen hier geen omstreden politieke beslissing, maar we volgen een vaste, bijna wetenschappelijke regel. (…) Terwijl die centrale bankiers heel goed weten wie de winnaars en verliezers van zo’n beleid zijn.’

Misschien nog belangrijker is de vraag of het werkelijk niet anders kan. Is er geen derde weg, te midden van inflatie en recessie? Denkers als Isabella Weber wijzen erop dat de huidige inflatiegolf heel andere oorzaken heeft (Russische energie-chantage, aanbodproblemen door de lockdowns) dan de geldontwaarding in de jaren zeventig. De loon-prijsspiraal van toen is nu in geen velden of wegen te bekennen. De politiek econoom, verbonden aan de universiteit van Massachusetts Amherst, pleit daarom voor een tweetrapsraket.

Eerst, tijdelijk, moeten regeringen voor enkele goederen prijsplafonds instellen. Denk aan de (grotendeels mislukte) poging om tot een Europese maximumprijs voor gas te komen. Prijscontroles hebben een slechte naam. Het is dan ook vaak misgegaan, maar Weber wijst liever op de episodes dat het wél een succes was. Zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen het in de Verenigde Staten voedsel en andere levensbehoeften betaalbaar hield. Om de prijzen ook op de langere termijn in toom te houden is een tweede maatregel nodig: strategische investeringen vanuit de overheid. Een actueel voorbeeld is het versneld isoleren van huizen en aanleggen van extra windmolenparken en zonneweides. Op die manier kunnen landen als Nederland zich minder afhankelijk maken van gas. Dat zal de vraag doen dalen, en dus ook de energieprijzen.

Daar zit volgens Weber meteen nog een probleem met de huidige inflatie-inpak. Elke keer dat centrale banken de rente verhogen, maken zij het duurder om in alternatieve energiebronnen te investeren. Economisch historicus Adam Tooze formuleerde het in The New York Times net iets anders: ‘Rentetarieven verhogen gaat niet meer gas of microchips op de markt brengen, integendeel. Het ontmoedigen van investeringen zal de toekomstige capaciteit beperken, en dus ook het aanbod.’

Voorlopig verkiezen de centrale banken het bot geworden rentewapen boven zulke experimentele benaderingen. De wereld moet serieus rekening houden met een recessie. Al is er, heel misschien, nog een andere uitweg. Eerder deze maand waarschuwde Alan Blinder, hoogleraar economie aan Princeton, dat we ons niet blind dienen te staren op het gebruikelijke inflatiecijfer. Die statistiek drukt de prijsstijgingen over de afgelopen twaalf maanden uit. Maar, legt Blinder uit in The Wall Street Journal, dit verhult dat het leven het voorbije half jaar een stuk minder snel duurder is geworden: zo’n tweeënhalf procent op jaarbasis. Dat ligt amper boven het inflatieniveau van twee procent dat zowel de Amerikaanse Fed als de Europese Centrale Bank nastreven.Ook in Europa klinken de laatste weken voorzichtig hoopvolle geluiden. De gasprijs heeft een duikvlucht gemaakt, olie is een stuk goedkoper dan een jaar geleden. Net als, om maar wat te noemen, scheepscontainers en tarwe. Gaat het dan toch pijnloos? Het valt te hopen. En verder moeten zowel centrale bankiers als de bevolkingen voor wie ze zeggen te werken maar duimen dat Russische fratsen of een strenge winter de prijzen niet opnieuw doen exploderen.