Gastcolumn

Kom op, christenen!

Christenen zijn meer dan andere gelovigen tolerant en barmhartig tegenover vreemdelingen. Hoe verzoent het CDA vreemdelingschap met islamhaat?
EIGENLIJK was het CDA-congres begin deze maand een bizar schouwspel, uit christelijk oogpunt bezien.

Er was Camiel Eurlings die de Fortuyn-groet uitbracht, waarmee hij zijn horigheid betuigde aan Maxime Verhagen, die op zijn beurt op het gemoed van de congresgangers probeerde te spelen door te snikken over zijn oude vader die het ook zou hebben gewild, samenwerking met de PVV (waarom is geen enkele tv-journalist op Maxime’s vader afgestapt met de vraag of hij echt meer gaf om de carrière van zijn zoon dan om de toekomst van het CDA?), en er was Ab Klink die zijn pleidooi beëindigde met ‘don’t do it’. Pardon? Waarom zei hij het in het Engels, omdat hij zo cool is? Klink is het tegendeel van cool, hij is de verpersoonlijking van nederigheid, een zekere argeloosheid, vertwijfeling zelfs.
Een lezer merkte op de site van De Groene over de bijeenkomst op: partijvoorzitter Henk Bleker citeerde selectief uit de preek van Augustinus. Blekers openingswoorden waren: 'Het zijn slechte tijden! Het zijn moeilijke tijden! Dat zeggen de mensen tenminste. Laten we liever goed leven, dan worden de tijden vanzelf goed. Wij zijn de tijden. Zoals wij zijn, zijn de tijden… Waarom teleurgesteld zijn, waarom mopperen?’
In werkelijkheid zei Augustinus: 'Waarom teleurgesteld zijn, waarom mopperen op God?’
Volgens de briefschrijver liet Bleker God weg uit het citaat om de indruk te wekken dat de CDA-dissidenten niet op God, maar op hun partijgenoten mopperden, waarmee ze hun gebrek aan loyaliteit aan hun fractiegenoten bewezen.
Het CDA lijkt sowieso van God los, wat behoorlijk tragisch is, gezien het gegeven dat christenen het altijd al moeilijk hebben met tegenstrijdige bijbelse ideeën als 'rentmeesterschap’ en 'wereldmijding’. Rentmeesterschap werd een paar keer genoemd op het congres, en het is een idee dat inderdaad aanspoort tot deelname aan de regering: hoe moet anders worden gelet op al dat aardse dat God ons ter beschikking stelde? We moeten waken over planten en dieren en het land en het water, we mogen Gods eigendommen niet verkwanselen.
Maar wereldmijding is ook een bijbels idee, een veel rigoureuzer idee eigenlijk, de rode draad in de tweeduizend jaren oude discussie waarin christenen met elkaar verwikkeld zijn. Wereldmijding is de gedachte dat wij ons niet moeten richten op dit tijdelijke aardse bestaan, maar op Gods Koninkrijk. Elk werelds genoegen dienen christenen te mijden, omdat het maar afleidt van het hogere doel: het bereiken van de hemelse heerlijkheid.
Daarmee hangt het idee samen van 'vreemdelingschap’. Het is een uniek idee, dat we in geen enkele andere godsdienst tegenkomen, en het is een beeldschoon Nederlands woord dat in alle andere talen minder poëtisch klinkt. In het Engels spreekt men van sojourning, te gast zijn, wat net iets anders betekent.
Onder meer in Hebreeën 11:13 staat dat christenen per definitie vreemdelingen zijn op aarde, omdat de hemel hun eigenlijke vaderland is. En in de brief aan Diognetus van 150 jaar na Christus staat: 'Christenen wonen in hun eigen land, maar als vreemdelingen. Elk vreemd land is hun vaderland en elk land is hun vreemd.’
Kan het dichterlijker?
Het is natuurlijk waar dat christenen dit idee van vreemdelingschap in het begin van het christendom nodig hadden, omdat ze zelf een vervolgde groep waren. Overigens verschilt hierin de ontstaansgeschiedenis van het christendom fundamenteel van die van de islam. De vroegste moslimleiders waren vervolgers die met geweld hun godsdienst verbreidden. De eerste christelijke woordvoerders waren zelf vervolgden, die op zachtaardige wijze te werk moesten gaan, en anders dreigden ze te worden uitgeroeid.
Maar het vreemdelingschap heeft een wel zeer bijzondere consequentie: in ons aller vreemdheid zijn wij aan iedereen gelijk. Naastenliefde heeft dan niet alleen betrekking op de directe naasten, ofwel de medechristenen, maar op alle vreemdelingen, uit alle landen en culturen.
Daarom was het voor mensen als Albert Schweitzer, Peerke Donders en Moeder Theresa de gewoonste zaak om hulp te bieden aan vreemden, alvorens ze te proberen te kerstenen. Eerst helpen, dan bekeren, was hun devies, waar in hun tijd al flinke kritiek op werd geleverd. Bij alle andere godsdiensten is het namelijk anders: eerst moet je één van hen worden, dan pas maak je aanspraak op zorg en bijstand.
In de omgang met vreemdelingen is het christendom dus onvergelijkbaar met andere godsdiensten: christenen zijn meer dan andere gelovigen tolerant en barmhartig tegenover vreemdelingen, wat verklaart waarom er in christelijke naties wel moskeeën voor kunnen komen, maar in fanatieke moslimlanden nauwelijks kerken staan.
Dat maakt de worsteling van het CDA met de samenwerking met een uitgesproken eng-nationalistische en antivreemdelingenpartij als de PVV juist zo boeiend. Hoe verzoenen christenen hun vreemdelingschap met de islamhaat? Men kan zeggen: door dat vreemdelingschap overboord te gooien, zoals dat in de tijd van de Kruistochten ook gebeurde.
Maar dat was wel duizend jaar geleden, toen de meeste christenen hun eigen bijbel nauwelijks konden lezen omdat ze het te druk hadden met het overleven in plaggenhutten en het verbranden van heksen.
De omarming van de vreemdelingenhaat van de PVV door het CDA kan niet gezien worden als een voortzetting van de Kruistochten met andere middelen. De meeste christenen kunnen nu lezen en interpreteren, en ze moeten dan ook diep nadenken over de richting die ze willen opgaan: willen ze vreemdelingen zijn of rentmeesters? Tot op zekere hoogte kun je die twee posities combineren, je kunt ook als vreemdeling een beetje letten op de eigendommen van de Heer; maar domweg in zee gaan met vreemdelinghaters, en dan aan het eind van het congres ook nog het Wilhelmus zingen - kom op, christenen, op die manier worden jullie inderdaad de slechte tijden.