Giotto, Joachim wordt uit de tempel gezet, ca. 1305 © Scrovegni-(Arena-)kapel, Padua, Italië

Veel canto’s in de Divina Commedia beginnen met een ruim, suggestief soort beeld. Daar maakten zich, met Dante’s rusteloze verbeelding, verdere stukken verhaal uit los. Op ’t midden van ons levenspad gekomen/ Kwam ik bij zinnen in een donker woud/ Want ik had niet de rechte weg genomen. Dat zijn regels zo breed als een landschap. Daarna komen we aan bij wat een plek is: Rondom mij dicht en doornig kreupelhout. De protagonist is middelbaar van leeftijd. Hij moet zich door ruig struikgewas heen wringen, er is nauwelijks zicht, geen wonder dat je daar de weg kwijtraakt, de ware weg verlaten. Het begon met verwarring en paniek. In een dicht donker bos heb je geen overzicht en geen horizon. Dan dwaal je zoekend verder. Hij was bij een hoge heuvel aangekomen/ Aan ’t einde van het dal dat mij met vrees/ Vervuld had en voor verdergaan deed schromen. Maar inmiddels was het niet meer donker. Hij zag de zon opkomen die de mensen steeds weer licht geeft en in een heldere richting wijst. De angsten die des nachts waren begonnen// Heb ik bij dag een weinig overwonnen. Zo begint het relaas, met wendingen in het landschap en met verschillen in stemming. Dit waren net negen terzinen waarin al veel te zien was. En dan, welgemoed: Na korte rust ben ik op weg gegaan/ Ik moest mij langs de helling voortbewegen.

De meeslepende reis begint: door de donkere krochten van de Hel, over de Louteringsberg waar de zon weer schijnt, tot in het hemelse Paradijs. In die glorie flonkeren ontelbare sterren. Het stuk is geschreven in strak gecomponeerde verzen, maar de vertelling is onophoudelijk wendbaar. Dante en Giotto waren tijdgenoten. De dichter schreef, de schilder schilderde. In de elfde canto van de Louteringsberg staat dit: Kreeg Cimabue eerst de grootste eer/ Als schilder, nu wordt Giotto meer geprezen/ En wie hem voorging weet men amper meer. Dante wist precies hoe het zat in de kunstwereld in Florence. Hij wist van het nieuwsgierige vindingrijke tekenen van Giotto naar de natuur. Dat tekenen kwam van kijken naar hoe in de wereld de dingen eruitzagen. Net zo werd bij Dante de gretige verbeelding voor zijn vertellingen gevoed door alerte waarneming van hoe het in de wereld toegaat.

Giotto, De ontmoeting bij de Gouden Poort, Jeruzalem, ca. 1305 © Scrovegni-(Arena-)kapel, Padua, Italië
Het lijkt of de kleuren ademloos beven: we zien ze als figuren van licht

Ik denk dat ze elkaar gekend hebben. Het waren, ook in de perceptie van toen, de twee grootste kunstenaars in Italië. Met hun werk hadden ze de kunst verregaand, voor altijd veranderd. Ze hadden zeker heel wat te bespreken. Kijk bijvoorbeeld hoe het gebouw van de tempel wat scheef geplaatst staat in de ruimte van het tafereel Joachim verjaagd uit de tempel. Het komt binnen van links, is dan open naar rechts waar Joachim, die weg moest, zelfs nog een trede af moet, in een ruimte van blauw. Ging op weg, ik moest die richting uit. Zo misschien zou Dante het gezegd hebben. De schilder moest wat daar gebeurde, woordloos, op eenvoudig leesbare wijze in beeld brengen. De scènes, een rij van zes, volgden elkaar op: het werkelijk wonderbaarlijke verhaal van Joachim en Anna die de vader en moeder werden van de Maagd Maria. Eerst kreeg Joachim geen toegang tot de tempel, vijf scènes verder zien we hun innige Ontmoeting bij de Gouden Poort.

Steven Aalders, Four Colours (Spring), 2018. Olieverf op linnen, 40 x 40 cm © Collectie ABN AMRO bank

Ik stel me voor dat elk tafereel, in opzet en manier van doen, vergelijkbaar is met een canto van Dante. Misschien heeft Dante Giotto ooit zien schilderen. In de eerste voorstelling schuift de strenge tempel vrij abrupt het beeld in. De architectuur is omgeven door blauw. Dat is Giotto’s handschrift. Waar Joachim wordt weggestuurd, is het beeld verder helemaal blauw. De schrijver Dante had hier een vinnig gesprek tussen Joachim en de priester geschreven. In die zin zijn schilderijen niet leesbaar. Je kunt kijken of je, in zijn eigen werkwijze, de verbeelding van de schilder kunt zien. Voor Giotto betekende dat lichtsterke blauw de ruimte van daglicht. In de Arena-kapel verliepen de overgangen van het ene naar het andere tafereel, en zo de voortgang van de vertelling, via passages van dat blauw. Giotto was een meesterlijke colorist. Na hem is het wat schilders altijd te doen staat. Op een of andere manier moeten kleuren in verf in beweging en tot licht gebracht worden. Samen worden ze dan eindeloos beeld.

Een klein schilderij van Steven Aalders heet simpelweg Four Colours. De kleuren leunen en staan tegen elkaar, in volgorde van links naar rechts. Het lijkt of ze ademloos beven: dan zien we ze onomwonden als figuren van licht. In de Ontmoeting bij de Gouden Poort komt Joachim van links, uit het blauw. Voor hem de strakke muren van Jeruzalem, een stad van steen gebouwd op rots. Familie en vrienden blijven in de poort staan terwijl Anna vooruit gaat om na al die tijd haar man terug te zien. Ze omhelzen elkaar aan het begin van de brug. Zo begint hun nieuwe leven. Links in het blauwe licht staat de herder die Joachim op zijn reis uit de woestijn begeleidde. Zwijgend neemt hij afscheid van zijn heer.


PS. Voor Dante heb ik de vertaling van de Goddelijke komedie gebruikt, van Ike Cialona en Peter Verstegen, verschenen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep