Komisch en kosmisch

ER WAART een stem door de Nederlandse poëzie die in weerklank toeneemt. Buitenstaanders merken er weinig van, want wat bij dichters klinkt blijft meestal in kleine kring hangen. Mooi zo, vinden sommigen. Leve de minderheid! Maar een criticus is een zieltjeswinner en wil elke minderheid groter maken.

De stem is te mooi om verstopt te blijven, en dit is het moment voor openbaring, want de eerste Nederlandse boekuitgave waarin ze klinkt is uit. Ze komt van de Amerikaan Wallace Stevens (1879-1955). Zijn pleitbezorger bij ons is Rein Bloem, poëziepionier bij uitstek. Ook deze uitgave, Blauwdruk voor de zon, naar een regel uit de 33 gedichten lange cyclus ‘Notes towards a Supreme Fiction’, getuigt van zijn kunde én liefde.
Misschien is wel iets té goed te merken hoezeer Bloem thuis is in dit water. Zijn vrolijke inleiding laat met een bijwoord als 'natuurlijk’ iets van ongeduld zien, waardoor een nieuwkomer zich buitengesloten voelt. Ooit - ik zal er nog uit putten - legde hij beter uit, de meester parafraserend zoals deze zelf het hele bestaan met poëzie parafraseerde.
Stevens’ gedichten zijn imperatieve lessen om meer leven uit het leven te halen. Zijn eerste gebod luidt: 'Het moet abstract zijn’, met andere woorden: kies niet voor vaste deelconcreties maar voor 'de gelaagde, verzamelde samenklank’. Beslist ingewikkeld. Een neutraler voorwoord was zo gek niet geweest, al is er ook iets voor te zeggen om Stevens voor zich te laten spreken en het inzicht tijdens het lezen te laten ontstaan.
IETS ANDERS: wordt Stevens inderdaad 'algemeen beschouwd als de grootste Amerikaanse dichter van de twintigste eeuw’, zoals de flaptekst zegt? Ik vind het goed, maar een ander zal zweren bij Ezra Pound, Hart Crane of T.S. Eliot, voor zover Amerikaan. Een apodictisch oordeel wekt wrevel bij met rede behepte consumenten, en aan snobs hebben we niks. Beter had benadrukt kunnen worden hoe bepalend Stevens voor veel Nederlandse dichters is geweest. Niet dat ze op hem lijken, want wie veel spinazie eet wordt nog niet groen. Bovendien kenmerkt streven naar verschil de kunstenaar. Toch zouden veel dichters anders hebben geschreven zonder Stevens. Zijn invloed is af te lezen aan zijn opmars hier te lande.
Het prille lag eerder, maar het begon naar mijn waarneming in 1983, in het laatste nummer van New Found Land, waarvan Hans Faverey redacteur was. Als mederedacteur bleek mij hoezeer Faverey aantrok, alsof hij honing was voor andere dichters. Op zijn instigatie was in dat slotnummer het Vertaallaboratorium gewijd aan Wallace Stevens, met als vertalers Willem van Toorn ('Dertien manieren om naar een merel te kijken’), Kouwenaar en Bloem. Geen commentaar, wel het Engels erbij en in de 'Bibliografische gegevens’ de opmerking dat Stevens’ taal werd bepaald door klank en kleur - 'blauw’ voor verbeelding, 'groen’ voor werkelijkheid -, een terloopse verwijzing naar het Franse symbolisme en de Engelse romantiek.
NEGEN JAAR later kwam De Revisor met een baanbrekend Stevens-nummer. De groep adepten was gegroeid, met Bloem onbetwistbaar als vaandeldrager. Hij opende met de integrale 'Aanzetten voor een supreme fictie’, op het kaft 'Aanzetten tot een opperste verbeelding’ geheten, want Bloem had de cyclus met anderen vertaald en was dus niet vrij in zijn keus. Uit de recente bundel blijkt hoe rijp de vertaling van toen was; er is verbeterd, maar ingrijpend anders is het niet. Titel van de cyclus nu: 'Draaiboek voor een meesterwerk’. Poëzie is in wording zolang zij wordt geïnterpreteerd.
In die Revisor neemt Bloem wel degelijk de genadige moeite tot analyse. Bij de imperatieve reeksen uit het 'Draaiboek’, toen dus nog 'Aanzetten/Notities’ geheten, staat bij 'Het moet abstract zijn’: 'dichters staan voor de taak abstracties (…) in woord en beeld te concretiseren; die belichaming in schijngestaltes dient telkens plaats te maken voor nieuwe projecties, die stuk voor stuk maar een schaduw zijn van de eerste, oorspronkelijke idee’. Bij 'Het moet veranderen’: 'alleen door voortdurend te veranderen van positie tussen hemel en aarde, zon en maan, werkelijkheid en fictie is aan een fixatie van de idee, een zinloze herhaling te ontkomen’. Bij 'Het moet plezier geven’: 'als het mobiliteitsprincipe absoluut zou worden beleden, dan was er geen gein meer aan te beleven; alleen door uit alle tegenstellingen uiteindelijk het aardse te kiezen en de kosmische draaitol in een veelzijdig geslepen kristal onder te brengen is fundamenteel plezier gewaarborgd’. Te mooi om niet boven te halen, vind ik.
Faverey kwam in het Revisor-nummer zijdelings ter sprake. Hij hoorde er bij, maar hij was twee jaar eerder gestorven. Medewerkers aan het nummer waren behalve Bloem onder anderen Menno van Beekum, Stefan Hertmans, Kees ’t Hart, Jan Kuiper met een sterke 'Tombe’, C.O. Jellema, Tonnus Oosterhoff en Maria van Daalen. Ze strooien met Stevens-citaten, met beeldende paradoxen en aforismen die de denkdichter typeren. Bernlef ontbreekt, maar hij hoort erbij, evenals Martin Reints, die in een recente bundel beschouwingen zijn betoog over Faverey toespitst op diens verwantschap met Stevens, en Claus, aan wie Bloem zijn Blauwdruk opdraagt. 'H.C.’ heet hij dan. Een aardigheidje, want Stevens droeg zijn 'Notes’ eveneens op aan een H.C., te weten Henry Church.
STEVENS is een poets’ poet, maar deze tweetalige, verzorgd vormgegeven bundel is voor iedereen. De poëzielezer heeft de kans in één klap een meesterlijk dichter te leren kennen én in het hart van de Nederlandse poëzie te kijken; dat mag voorgaande vogelvlucht hebben aangetoond. Anderen hebben goedbevonden, maar iedere lezer van Stevens is de efebe tot wie hij zich richt, de leerling-dichter die zich moet meten met zon en natuur, de eerste idee moet invullen als ware hij een abstractie van vlees en bloed. Stevens wil ordenen. Zijn beelden (zie een titel als 'Het gedicht dat in de plaats kwam van een berg’) zijn komisch en kosmisch; zijn hang naar alles is doordrenkt van individualisme en, in Bloems idioom, gein.
Een blauwdruk voor de zon bevat een Nederlandse 'The man with the Blue Guitar’ en nog veel meer, maar de kern blijft 'Notes towards a Supreme Fiction’ in vertaling. Daaruit komt ook bijstaand homerisch begingedicht van 'Het moet abstract zijn’, waarin de titel van de bundel. Er is immers geen enkele reden om Bloems voorkeuze af te vallen.
Begin, efebe, met het zien van de idee Van dit verzinsel, deze verzonnen wereld, De onvoorstelbare idee van de zon.
Je denkt opnieuw een onwetende te worden, Opnieuw de zon te zien met een onwetend oog En hem helder te zien in zijn idee.
Veronderstel geen vindingrijke geest als bron Van zo'n idee en schep voor deze geest Geen lijvige meester gevouwen in zijn vuur.
Hoe schoon de zon gezien in zijn idee, Gewassen in de verste schoonheid van een hemel, Die ons verdreven heeft en onze beelden…
De dood van één god is de dood van alle. Laat donkerrode Phoebus in de omberoogst, Laat hem sterven slommerend in herfstig omber,
Phoebus is dood, efebe. Maar Phoebus was Een naam voor iets dat nooit benoemd kon worden. Er was een blauwdruk voor de zon, er is.
Er is een blauwdruk voor de zon. De zon Dient zonder naam, gouden bloeier, toch te zijn In de moeizaamheid van wat het is te zijn.