Mijn vriend Bas is tuinman; ik noemde hem eens ‘hovenier’ maar dat viel helemaal verkeerd. Het mooist vindt hij het leven — en het is volstrekt mijn interpretatie waar zijn leven zich nu maar naar heeft te buigen — als hij met net iets te weinig mankracht net iets te grote klussen moet klaren. Hij stuurt foto’s van graafmachines en takelwagens, van containers vol aarde, van allerhande leidingen en bedradingen die uit een stuk woest omgewoelde grond steken, van een tankwagen met 56.000 liter water voor een zwembad. Op veel van die foto’s staat zijn compagnon, Henk. Henk op een grasmaaier, Henk op klompen bij een stalen constructie, Henk met een zaagmachine, Henk met een tray van 25 eieren, Henk naast een draagbare grillplaat waarop zes van die eieren zijn stukgeslagen.

Bas houdt van de tegenstelling tussen het echte leven en gelul over het leven. De kleine teen van Henk, berichtte hij laatst na zes bier met Henk in hun stamcafé De Fluit, is interessanter dan al jullie schrijversvrienden bij elkaar.

Ik, altijd mijn heil zoekend in afgeleide varianten van het echte leven, moest denken aan Anton Valens’ novelle Vis. Een jonge kunstenaar en uitkeringstrekker gaat een week mee uit vissen op de boomkorkotter DH731 onder leiding van kapitein Warmgeffer. Met drie jongens, waaronder de zoon van Warmgeffer, moet hij ladingen schol uit de Noordzee opdiepen en die ontdoen van hun ingewanden. Op het menu staat niets anders dan slavinken met andijvie, het is loeiheet aan boord en twee van de drie jongens, Fred en Addie (bijnaam: Kratje), hebben een uitgesproken gruwelijke hekel aan elkaar.

‘Maandagochtend vroeg stapte je aan boord’, observeert de jonge kunstenaar, een alter ego van Valens, ‘en betrad je een tunnel van darmen, diesel, herrie, slavinken, stank en geweld, die voortduurde tot vrijdagavond (…) In het weekend maakte je een of twee nummertjes met de vrouw, wandelde een rondje met de hond, en dan begon het weer van voren af aan, het hele jaar door.’

De kunstenaar wringt zich in allerlei bochten om erbij te horen, om erachter te komen dat hij er alleen bij kan horen door zich níet in bochten te wringen, op te lossen in het geheel, en precies dat blijkt natuurlijk onmogelijk. Zeeziekte wordt erger als je je ertegen verzet, maar het alternatief, ‘bij windkracht 14 doen alsof het woest op- en neerklappen van de scheepsvloer volkomen in overeenstemming met het natuurlijk bewegingsritme is, vraagt erg veel van het aanpassingsvermogen’.

De kleine teen van Henk, berichtte hij, is interessanter dan al jullie schrijversvrienden bij elkaar

De kunstenaar is zozeer gepreoccupeerd met zijn buitenstaanderschap, dat hij niet ziet dat iedereen op de kotter een buitenstaander is; het ‘geheel’ waartoe hij wil behoren is een gelegenheidsgeheel, het hele idee van een dieper soort kameraadschap is vooral een romantisch cliché dat de kunstenaar van buitenaf op zijn medevissers plakt.

Op een middag zit er een stuk landbouwplastic tussen de mazen van het net. Als ze het er tussenuit hebben gepulkt, smijt Addie het weer terug in de zee (‘we zijn hier zo weg, wat kan mij dat stukkie plastic skele?’), tot woede van zijn nemesis Fred, die enigszins probeert de vervuiling van de zee tegen te gaan met de introductie van vuilniszakken aan boord — een concept dat Addie wezensvreemd is. ‘Milieus en homo’s, wat is het verskil?’ roept hij uit. ‘Dat is toch allemaal hetzelfde. Komkommerboy.’

De komkommerboy blijkt te verwijzen naar een jonge vissersknaap die de landelijke pers haalde nadat zijn aangifte van sodomie aan boord was uitgelekt. De gemeenschap had zich hierop tegen hem gekeerd, het huis van zijn moeder bekogeld met verfbommen en hem overstelpt met doodsbedreigingen. Hij was een verrader die de visserij in een kwaad daglicht had gesteld en verraders moesten, nou ja, dood.

Het is een kwestie van tijd voordat de vissers in de jonge kunstenaar ook een komkommerboy zien. Valselijk wordt hij ervan beschuldigd te kleine schollen te hebben gestript, waardoor de kapitein een ‘loei van een boete’ krijgt opgelegd. In de gezamenlijke vijandigheid jegens hem, ziet hij de saamhorigheid van de rest. Hij is de uitkeringstrekkende kunstenaar aan de zijlijn. Minder dan aan de vissers, pleegt hij verraad aan het leven zelf, het echte leven, waarbij je niet op een kotter zit voor zoiets frivools als zelfontplooiing, maar omdat dat is wat je doet.

Dat zo'n onderscheid vals is, is misschien alleen hier op papier waar. Niet dat die waarheid onderdoet voor waarheden als vissen, boten, graafmachines en trays met 25 eieren; het zijn waarheden van een andere orde. ‘Het was het jaar dat de geschiedenis ten einde kwam’, herinnert de jonge kunstenaar zich later over zijn week op de kotter. ‘Maar de geschiedenis komt iedere dag ten einde. En juist als de geschiedenis ten einde lijkt te komen, gaat ze gewoon verder, dat is ook zoiets mals.‘