Kommaneuken

De soort wordt kommaneukers genoemd. Zij zijn van mening dat de komma, dit bescheidenste aller tekens, het verschil kan betekenen tussen waarheid en leugen, leven en dood.

Het vraagstuk duikt regelmatig op in het oeuvre van NRC-columnist J.L. Heldring, die het woord ‘kommaneuker’ inmiddels als een geuzennaam is gaan beschouwen. In zijn pasverschenen boek De taal op zichzelf is niets (Veen, 1994) citeert hij de Fransman Jacques Drillon, die constateerde: 'Van alle leestekens is de komma het interessantst, het subtielst en het gevarieerdst.’ Zoals decennia lang is betoogd door de Weense taalcriticus Karl Kraus die het kommaneuken tot zijn eigen, plaatsvervangende religie had verheven.
Over Kraus bestaat de navolgende anekdote. Hij zat in 1932 in zijn kamer te werken toen een vriend binnenstormde met de woorden: 'Heb je het gehoord? De Japanners hebben Sjanghai gebombardeerd!’ Toen Kraus taal noch teken gaf, voer de spreker uit: 'Je schijnt de juiste plaatsing van een komma belangrijker te vinden dan het feit dat Sjanghai is gebombardeerd!’ Waarop Kraus zei: 'Als alle komma’s op hun plaats hadden gestaan, was Sjanghai nooit gebombardeerd.’
Hij wordt in zijn gelijk gesteld door een andere anekdote, gereleveerd in het (eveneens pasverschenen) boek De geschiedenis van de komma (SDU, 1994), geschreven door Wim Daniels. Daarin wordt verhaald van een Russische gevangene die een verzoek tot strafvermindering indiende bij de tsaar. De schriftelijke reactie van de tsaar was: 'In geen geval, naar Siberie.’ De tsarina, die het vonnis toevallig onder ogen kreeg, werd echter door medelijden bevangen en wiste de komma, waardoor de tekst in 'In geen geval naar Siberie’ werd veranderd, hetgeen de delinquent waarschijnlijk het leven heeft gered.
Het zijn op het oog onbetekende voorvallen, behalve voor de inwoners van Sjanghai en de kandidaten voor de tsaristische gevangenenkampen. En voor ons, voetbalverdwaasden, die ons nu al wekenlang ergeren aan de stompzinnige televisiereclame van de verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden, in de rust van de diverse wedstrijden om het wereldkampioenschap. Gegeven is een trap vol jolige jongens en meisjes. Zij zijn in het rood-wit-blauw gestoken en zingen: 'Een groene mat, een leren bal,/ een stiftje of een harde knal./ Wie weet wat het lot ons brengen zal/ bij ’t vechten voor oranje./ Een strafschop tegen buitenspel,/ zit-ie niet of zit-ie wel?/ Wij staan achter het hele stel/ Oranje voor oranje, lalalalala.’
Tot vervelens toe tetter ik tegen iedereen die het horen wil: 'Maar dat is toch onzin! Een strafschop tegen buitenspel. Dat bestaat helemaal niet. Zit er op dat reclamebureau niet een persoon die de meest elementaire voetbalregels kent?’
Nee, blijkbaar.
Of toch wel?
Want in de rust van de wedstrijd Brazilie-Nederland keek ik eindelijk uit mijn doppen en las de, synchroon met het gezongene geprojecteerde, tekst. Die luidde: 'Een strafschop tegen, buitenspel…’, hetgeen plotseling, speltechnisch gezien, een wereld van verschil betekende. Grote poezie is het nog steeds niet. Niettemin moet worden vastgesteld dat de dames en heren verzekeraars toch meer verstand van voetbal hebben dan ik in mijn onbekooktheid dacht.