Komplot

Hoe komt het dat de wereld maar niet op Nederland wil lijken? Wordt het niet eindelijk tijd dat de rest van de mensheid zich realiseert hoe fijn en klein het zou kunnen zijn om het poldermodel in zijn totaliteit voor eens en altijd binnen de eigen muren te halen? Dit teneinde de Nederlandse beschaving inclusief morele codering, normen en waarden, gewoontetjes, hutspot en, natuurlijk, fietspaden tot universele maatstaf te verheffen? Dan zou de wereld er een stukje minder gecompliceerd uitzien, zeker vanuit een Nederlands perspectief. Maar het buitenland is doof, blind en dom. Het persisteert in zijn koppigheid, hanteert zijn eigen normen en, bovenal, blijft hartstikke groot, want het weigert al eeuwen zo minuscuul als het zelfgeproclameerde model te worden.

Op zich niets nieuws. Paul Scheffer schreef in zijn boek Een tevreden natie dat ‘van andere naties wordt verwacht dat ze zich spiegelen aan het Nederlandse zelfbeeld’ en socioloog Hans van de Braak stelt in zijn essay 'Homo Neerlandicus’ dat 'Nederland de neiging heeft het buitenland op te vatten als een vergroot Nederland’. Deze curieuze tendens mondt vanzelfsprekend meer dan eens uit in zware teleurstellingen.
Hoe vaak tijdens een zomerverblijf in Frankrijk heb ik me niet, in mijn hoedanigheid van natuurlijke vertegenwoordiger van het lokale barbaarse volk, ten overstaan van verbouwereerde, ja soms zelfs woeste Nederlandse vakantiegangers moeten verontschuldigen voor de afwijkende attitudes van hun Gallische gastland ten aanzien van het universele Bataafse voorbeeld? Zo was ik niet bij machte dikbuikige en in bloemetjesbermuda gestoken Nederlanders duidelijk te maken waarom je in het land van Descartes niet een eenvoudige kroket uit de muur kon trekken, De Telegraaf op iedere straathoek kon scoren of ketchup en mayonaise bij een civet de marcassin opgediend kon krijgen. Waarop de Hollanders boerend en blèrend van mij wegliepen om hun blaas in de dichtstbijzijnde Franse lavabo te ledigen. Descartes was toch in Amsterdam geweest, hadden de meest gecultiveerden onder hen fijntjes opgemerkt, en mayonaise was, evenals trottoirs en portefeuilles, toch een exponent van de Franse vindingrijkheid?
Afgelopen zaterdag, aan de vooravond van de grote vaderlandse uittocht richting zee, zon en zuid, heeft de Volkskrant het uitstekende idee gehad om een lange beschouwing te publiceren over Frankrijk en zijn duistere codes die door hun ondoorgrondelijkheid nieuwkomers afschrikken. Een waarschuwing is inderdaad op zijn plaats. Uit het stuk van correspondent Martin Sommer blijkt dat 'Frankrijk niet voor buitenstaanders is bedoeld’. Lees: 'niet voor Nederlanders’. Ik kan Martin geruststellen: Frankrijk is ook niet voor Fransen bedoeld, en ik ben daar het levende voorbeeld van.
Zijn voorganger Freriks had ook al zoiets, dus moet deze gemeenschappelijke belevenis een kern van waarheid bevatten. Kort samengevat komt de sensationele constatering erop neer dat Frankrijk geen Nederland is. En, zou ik vanuit mijn gespiegelde positie willen berichten: het tegendeel is ook waar. Volgens het artikel kun je in Frankrijk bijvoorbeeld geen giro-enveloppen krijgen, en ook geen pasje bij de bank zolang je geen geld op je nieuwe rekening hebt gestort. Nog erger: secretaresses nemen de telefoon op met de woorden 'ja’ of 'ik luister’ of beide: 'Oui, j'écoute.’ Ik heb trouwens zelf ontdekt dat het in Italië ook totaal anders gaat dan in Mokum. Daar zeggen secretaresses 'Pronto, chi parla.’
Andere bewijzen van het obscure on-Nederlandse gedrag van de Fransen worden in het stuk geleverd door een voorlichtingsdirecteur. Die man bleek extreem hoffelijk, wat voor een van nature argwanende Nederlander al verdacht is, en gaf in plaats van de lunch waar de buitenlandse journalist op had gehoopt maar een kopje thee weg. Een paar conciërges, bankemployees en ambtenaren verder rest voor de lezer alleen de conclusie dat Frankrijk een vleesgeworden komplot moet zijn. Een land van mysterieuze netwerken en ondergrondse sekten die je eerst op kousenvoeten moet binnendringen om bijvoorbeeld een vlezige krop sla te kunnen bemachtigen, of bij de caissière van de supermarché een vaste munt van 10 francs voor je boodschappenkarretje. Gelukkig is het de Volkskrant-redacteur na drie maanden gelukt een van die geheime loges te infiltreren. Eerst gaf de krantenverkoper hem een hand, vervolgens werd hij op de confidenties van de bakkersvrouw en de bediende van het buurtrestaurant getrakteerd. 'Nu, na een half jaar, ben ik verwikkeld in mijn eigen kleine buurtnetwerkje, gericht tegen de rest van de wereld’, bericht onze man in Parijs.
Geschrokken door deze opeenstapeling van onthullingen heb ik een snelle maar uiteraard geheime enquête uitgevoerd. Aan Parijse bakkers, groenteboeren, toiletjufs en glazenwassers heb ik gevraagd wat zij van Nederlanders vonden. Het antwoord luidde: allemaal grappige typetjes die aan een vreemd soort achtervolgingswaanzin lijden.