Zuid-Afrika is niet blij met bloemlezing

Komrij-boycot

Gerrit Komrij’s bloemlezing van de Afrikaanse poëzie ligt in Zuid-Afrika onder vuur. En wordt zelfs geboycot door de uitgever.

Oudtshoorn, Zuid-Afrika, eind maart. Een gedrongen vrouwtje schuifelt omzichtig op Gerrit Komrij af. Ze wacht tot hij zijn gesprek heeft afgerond. Dan, op fluistertoon: ‘Meneer Komrij, meneer Komrij. Mag ik u vragen…’ Onder haar arm heeft ze Komrij’s bloemlezing van Afrikaanse poëzie, die onlangs ook in Zuid-Afrika op de markt kwam. 'Mag ik uw handtekening misschien? U moet weten, meneer Komrij, ik ben Salomi Louw en u heeft een klein gedichtje van mij opgenomen.’ Ze slaat het boek open en wijst het enkele, ogenschijnlijk verdwaalde versje 'Jy het alles’ aan. Op luide toon, ten overstaan van de beschroomde dichteres, declameert Komrij de hilarische slotregels: 'Jy het alles/ en hare op jou bors.’ Even eerder, na een voorleessessie in Oudtshoorns bib-saal, de lokale bibliotheek, had Komrij het aan zo’n veertig toehoorders al uitgelegd: 'Niks zo interessant als een bloemlezing samenstellen wanneer je de verhoudingen van de literaire wereld niet kent. Ik kende de gedichten, niet de gezichten. Ik hoefde dus slechts rekening te houden met kwaliteit, niet met statussen of een voorgeschiedenis.’ En dat heeft hij geweten. In de schaduw van het C.P. Nelmuseum, dat dienst doet als regelcentrum van het Klein Karoo Nasionale Kunstefees, bereidt de dichter zich voor op een confrontatie later die dag met Naspers, de uitgeverij die in de Afrikaanstalige media vrijwel een monopolie heeft en volgens Komrij waarachtig een 'boycot’ tegen de bloemlezing is begonnen. Dat is althans de indruk die hij kreeg toen hij een dag eerder in Oudtshoorn arriveerde en zag voor welk enorm bedrag zijn bloemlezing daar werd verkocht. De eenvoudige pocketuitgave kostte 200 rand, zo’n zeventig gulden – voor veel Zuid-Afrikanen een vermogen. Via Daniel Hugo, dichter en presentator van een wekelijkse literaire radiorubriek, had Komrij bovendien vernomen dat de uitgever van de Zuid-Afrikaanse editie van De Afrikaanse poësie in ’n duisend en enkele gedigte, ook contact had met de gearriveerde Zuid-Afrikaanse literator André P. Brink. Die zou, na heftige kritiek van de gevestigde literaire orde op het gegeven dat een Nederlander met de Afrikaanse poëzie in de weer was ('neokolonialisme’), de opdracht hebben gekregen het in 1984 voor het laatst bijgewerkte traditionele Groot verseboek van wijlen D.J. Opperman te herzien. Een boze Komrij op het terras in Oudtshoorn: 'En Brinks bloemlezing wordt natuurlijk goedkoper. En mooier uitgegeven. Maar minder vernieuwend, omdat hij veel te veel verstrikt zit in de oude literaire verhoudingen. Hij kent wél de gezichten, hij weet wél welke dichters hij niet passeren mag. Maar ik laat niet over me lopen, ik zal de boel hier eens flink opschudden.’ En dat heeft de Zuid-Afrikaanse literaire wereld geweten. De schrijvers, toneelspelers en volkszangers hebben Oudtshoorn weer achter zich gelaten. De vette rookgordijnen van gebarbecuede boerewors, die elk Afrikaner samenzijn op kilometers afstand verraden, zijn opgetrokken – het kunstenfestival is ten einde. In het stadje midden in de droge dorre Klein Karoo is de rust wedergekeerd. Maar het dispuut over Komrij’s bloemlezing gaat door. Vooral in het Kaapse dagblad Die Burger leek de afgelopen weken een heuse literaire polemiek losgebarsten. Professoren, dichters en dichtende professoren kritiseerden Komrij’s selectie. Waarom maximaal tien gedichten per auteur? En waarom heeft de Nederlander niet meer respect getoond voor het Zuid-Afrikaanse literaire establishment? Waarom is van 'de grote drie’ (Eybers, Opperman en Van Wyk Louw) een even groot aantal gedichten opgenomen als van nikszeggende, jonge dichters? De canon is niet geëerbiedigd. In de woorden van Lina Spies van de universiteit van Stellenbosch: 'Die onderbeligting van gekanoniseerde digters en meermale Komrij se keuse uit hulle oeuvres het tot gevolg dat sy bloemlesing nie ’n ontwikkelende poësietradisie laat blyk nie.’ Op 8 april publiceerde Die Burger een brief van Daniel Hugo, de radioman, Komrij’s steun en toeverlaat in Zuid-Afrika. Hij vroeg zich af hoe het kan dat een commercieel bedrijf, dat te pas en te onpas uitlegt dat poëzie niet te verkopen valt, in een tijdsbestek van een paar maanden liefst twee nieuwe bloemlezingen uitgeeft. 'Is Tafelberg se dubbele bloemlesing-aanbod swak beplanning of ’n doelbewuste ondermyning van ’n boek wat die nie gevestigde waardes van die literêre laer eerbiedig nie?’ Hannes van Zyl, bovenbaas van Naspers, reageerde diezelfde dag met een groot artikel. De bloemlezingen kunnen elkaar aanvullen, schrijft hij. En van een complot tegen Komrij is zeker geen sprake. Komrij, enige dagen later in een ingezonden brief: 'Waarom hoorde ik pas in Oudtshoorn, een dag of tien geleden, voor de eerste keer dat Oppermans lijk opnieuw tot leven was gewekt en dat het verse oude Groot verseboek, dat bastion en boegbeeld van al wat blank en bejaard en bang is, al bijna klaar was?’ Die vraag heeft Van Zyl vooralsnog niet beantwoord. Komrij, afgelopen maandag even in Amsterdam, resumerend: 'De tachtigers, de vijftigers – bij ons blaast iedere literaire stroming zich op een gegeven moment op. In Zuid-Afrika hebben ze zulke relletjes nooit echt gehad. Zodra een buitenstaander zich met de literatuur gaat bemoeien voelt men zich daar buitengewoon bedreigd. De geïsoleerdheid van de culturele boycot onder de apartheid is omgeslagen in isolationisme.’ In de loop van dit jaar verschijnt het Groot verseboek, bijgewerkt door André P. Brink. Zeker tot dat moment zal het in de Zuid-Afrikaanse literaire wereld rumoerig blijven. Maar Komrij heeft zijn sporen nagelaten. 'Al zegt die affaire meer over Zuid-Afrika dan over mij.’