Dichter des Vaderlands gaat in de fout

Komrij, keer op je schreden

Ruim een jaar is Gerrit Komrij nu Dichter des Vaderlands. Het ganse land was verbaasd toen hij die functie met genoegen aanvaardde. Hoe kon een dichter met de poëticale opvattingen van Komrij dit narrenpak aantrekken?

«Over de steile en verlaten flanken van de Parnassus drijft een zoet verlangen mij voort.» Met dit citaat uit Vergilius’ Georgica begon Francesco Petrarca op 8 april 1341 zijn dankwoord toen hem door de Senaat van Rome, op aanbeveling van koning Robert d’Anjou, een lauwerkrans was toegekend. Petrarca, die zich buitengewoon vereerd voelde, greep de gelegenheid aan om een poëtisch manifest uit te spreken dat, afgezien van een obligate bede tot de Heilige Maagd, geheel van de Romeinse klassieken doordesemd was. Dichterschap is geen peulenschil, volgens de kersverse poeta laureatus: «Kan men bij andere kunsten met ijver en inspanning tot het beoogde resultaat komen, bij de dichtkunst ligt dit anders, want daarin bereikt men niets als er geen sprake is van een zekere innerlijke drijfkracht die van godswege in de geest van de dichter is ingegoten.» Ontbreekt die innerlijke noodzaak en tracht een dichter dit met noeste vlijt te compenseren, dan zijn «lachwekkende producten» het resultaat. Met instemming citeert Petrarca de Romeinse satiricus Juvenalis: «Die bijzondere dichter, wiens gaven hem van ieder onderscheiden, die geen alledaagse wegen bewandelt en geen triviale rijmpjes munt met een ordinair stempel, die bijzondere dichter wordt gevormd door een geest die vrij is van beperkingen (…) en capabel om te drinken uit de bron van de muzen.»

Noch Juvenalis, noch Petrarca was van mening dat een dichter zich nooit met de actualiteit zou mogen bemoeien, integendeel. Dat een goede dichter kon uitgroeien tot spreekbuis van zijn gemeenschap was bekend sinds de lofzangen op sporthelden van Pindaros, sinds het poëtisch commentaar op de Romeinse burgeroorlogen van Horatius en Vergilius. Er was niets tegen maatschappelijke betrokkenheid, mits de inspiratie het primaat behield. Latere lezers hebben echter wel opgemerkt dat Pindaros pas loskomt zodra hij het Olympisch worstelen uit het oog verliest, terwijl Horatius’ oden op keizer Augustus je met gekromde tenen doen huiveren. Ook de ideologische passages in Vergilius’ Aeneis slaan we liever over. Maar dat een dichter een belangrijke positie in het intellectuele leven van zijn vaderland kan innemen, daarover is men het tot ver in de twintigste eeuw eens geweest.

In navolging van de eretekenen die Petrarca werden toegekend, besloot men in Engeland in de zeventiende eeuw het instituut «Poet Laureate» in het leven te roepen. Ging het bij Petrarca nog om een eerbewijs, de Britse laureaat werd geacht na zijn bekroning voortaan nationale vreugde en rampspoed van passend poëtisch commentaar te voorzien. Je kunt je goed voorstellen dat menig hartstochtelijk dichter de moed in de schoenen moet zijn gezonken bij alleen al het idee tot gelauwerd poëet te worden benoemd.

Toen, in de tweede helft van de negentiende eeuw, de Europese poëzie met het oeuvre van Mallarmé een beslissende wending in de richting van autonomie en ontoegankelijkheid had genomen, was gelegenheidspoëzie uit de gratie. Poëzie stond op zichzelf en kon niet meer worden ingezet om standpunten te verdedigen, verjaardagen te bezingen of beoogde geliefden te versieren. Het gedicht was een ding geworden. Toch kroop bloed waar het niet gaan mocht. Lucebert schreef zijn minnebrief aan onze gemartelde bruid indonesia en de plotselinge dood van Herman de Coninck werd in tientallen gedichten herdacht. Voor al deze gelegenheidsgedichten geldt echter dat de dichters ze niet geschreven zouden hebben als ze niet tot in het diepst van hun ziel waren geraakt. Was dat niet het geval geweest en de dichters hadden zich toch verplicht gevoeld iets te schrijven, dan zou dat in jammerlijk maakwerk hebben geresulteerd. En maakwerk, daar zijn we tegen, nietwaar?

In 1999 kwam ook in onze moerasdelta het onzindelijke plan op een nationale dichter te benoemen. «Gelauwerd dichter», dat klonk niet, bovendien weet tegenwoordig niemand meer wat «gelauwerd» betekent. In de meest democratische aller staten kon zo’n orakelende oom of tante natuurlijk niet door de vorstin worden aangewezen, hoe kunstzinnig Beatrix ook schijnt te zijn. Aangezien geen politicus in ons land ooit een gedicht leest, was het eveneens ondenkbaar dat kabinet of parlement zich ermee zou bemoeien. Daarom werd er een verkiezing georganiseerd waaraan alle meer of minder weldenkende Nederlanders konden meedoen. Speculaties over de uitkomst deden vermoeden dat publiekslievelingen als Jean-Pierre Rawie en Anna Enquist hoge ogen zouden gooien. Kopland was ook niet gek geweest, Campert had goed gekund, jammer dat Vasalis en Annie M.G. Schmidt al dood waren. Niemand verwachtte dat auteurs van minder toegankelijke poëzie, zoals Kouwenaar of Ter Balkt in aanmerking zouden komen. Willem Jan Otten was niet nuchter genoeg, Driek van Wissen te lollig, Reve te ironisch. Iedereen onder de vijftig viel bij voorbaat af, want in Nederland word je als dichter pas bekend tegen de tijd dat je jezelf zo’n beetje overleefd hebt.

Dat uitgerekend Gerrit Komrij tot Dichter des Vaderlands werd uitverkoren, was verbazingwekkend. Nog vreemder was het dat hij, onze voormalige nationale kwelgeest, de functie met genoegen aanvaardde. Liefhebbers van Komrijs werk reageerden geschokt. Werd onze dierbare duivel definitief door het establishment ingekapseld? Hoe kon een dichter met de poëticale opvattingen van Komrij dit narrenpak aantrekken?

Hoewel Komrij zijn naam vestigde door in 1968, toen niemand erover peinsde traditionele versvormen te gebruiken, te debuteren met een bundel vormvaste verzen, verwierf hij pas landelijke bekendheid door zijn hilarische televisiekritieken en zijn vernietigende essays over architectuur in de jaren zeventig en tachtig. Op vileine wijze, vaak scherper dan W.F. Hermans in Mandarijnen op zwavelzuur, en altijd beter beargumenteerd, wist Komrij alles waaraan hij een hekel had kapot te schrijven. De oorspronkelijk als feuilleton verschenen roman Verwoest Arcadië werd alom geprezen, maar zijn nog immer rijmende gedichten bleven uitzonderlijk binnen de Nederlandse poëzie. Komrij maakte het pas helemaal toen hij in 1979 de eerste versie van zijn befaamde bloemlezing publiceerde. Hoe teleurgesteld enkele Vijftigers ook reageerden op Komrijs geringe belangstelling voor zogenaamd experimentele poëzie, binnen korte tijd had het boek Nederland veroverd. Al twintig jaar geldt de turf van Komrij als de bloemlezing. Wie er niet in staat, hoort er niet bij, zo eenvoudig is dat.

Als men Komrij vroeg aan welke voorwaar den een goed gedicht moest voldoen, gaf hij doorgaans ontwijkende antwoorden. Badinerend legde hij uit hoe je met enig vakmanschap ieder gedicht, hoe goed of slecht het ook was, de grond in zou kunnen schrijven dan wel de hemel in prijzen. Literaire smaak was, zo suggereerde hij, een kwestie van humeur. Door een bloemlezing van zijn eigen gedichten de provocerende titel Alles onecht mee te geven maakte hij duidelijk in literair opzicht geen enkel heil te zien in oprechte bedoelingen of intense gevoelens. Een gedicht was maakwerk, maar dan wel degelijk maakwerk: gewoon de juiste woorden op de juiste plaats, meer niet.

Dat Komrij inderdaad niet bezig was met het tot uitdrukking brengen van zijn allerindividueelste emoties, was zonneklaar voor ieder die zijn bundels las. Hoewel de gedichten er traditioneel uitzagen, leek het onmogelijk erin door te dringen: de teksten waren veelal virtuoos opgebouwd, maar bleven potdicht. Hoogtepunt in deze ontwikkeling was de bundel De os op de klokketoren uit 1981, die geheel bestaat uit onware mededelingen: «Wij lazen op een stenen bank van hout/ Een boek dat dicht was, langs de hemel dreven/ Dolfijnen, het was dertig graden koud./ Al honderd jaren waren wij daar even.» Dat zo’n dichter nooit een zinnig maatschappelijk standpunt zou innemen, leek evident, en niemand had erop gerekend dat Komrij ooit iets van zijn diepste innerlijk zou blootgeven.

In de loop der jaren is Komrij, hoe kan het ook anders, wat milder geworden. In 1982 schreef hij een gedicht waarin beweerd werd dat betekenis zoveel mogelijk uit poëzie geweerd moest worden. Een gedicht bestaat uit letters en schrijft zichzelf: «Het gaat vanzelf. Er slibben regels dicht.» Zodra de dichter iets als een mededeling begint te ontwaren, moet hij oppassen: «Doe dicht je ogen. Raak niet van de wijs./ Tart niet de woordeloze bliksemschicht./ Bepaal je tot je e’s en o’s en ij’s.»

Ook in zijn Albert Verwey-lezingen uit 1999 beschrijft Komrij het dichten nog als een min of meer autonoom proces. Maar er is wel iets veranderd. Hij stelt zich de staat van dichterschap voor als een moddervlakte waaruit gasbelletjes opborrelen. «Het gaat om het punt waarop de activiteit zó hoog is geworden dat er werk aan de winkel is. Dat de dichter zich uit zijn luie stoel moet hijsen. Het moment van ontploffende luchtbellen, modderfonteinen, hete spatten tegen je gezicht. Het moment waarop de werkvloer schokt en tiert en raast.» In deze metafoor lijkt dichterschap warempel iets met het onderbewuste te maken te hebben. Ook geeft de dichter toe soms een aanleiding uit zijn dagelijks leven voor een gedicht te gebruiken, «bijvoorbeeld het lezen van een krantenberichtje».

Vakmanschap, uit het onderbewuste opstijgende moerasdampen, herkenbare aanleidingen: het zijn elementen die de meeste dichters wel zullen herkennen. We zijn hier echter nog mijlenver verwijderd van de dichter die versjes op bestelling schrijft. Van Hans Faverey is bekend dat hij zichzelf op vrijdagavond in een bepaalde toestand wist te manoeuvreren die onontkoombaar tot een gedicht leidde. Dat resulteerde in vreemde, hoogst particuliere gedichten die inderdaad van een eigenzinnig vakmanschap blijkgaven. Dat Faverey die vruchtbare stemming zou weten aan te wenden voor heldere gedichten over alledaagse gebeurtenissen is moeilijk voorstelbaar.

Komrij moet een jaar of twee geleden hebben gedacht dat hij dat wél kon. In elk geval besloot hij het Algemeen Dagblad — of all papers — in 1999 iedere week een sonnet te leveren. Weliswaar ging het niet om gedichten over actuele onderwerpen, maar van enige geslotenheid was allang geen sprake meer: «Dit was de eeuw van profiteurs en rampen./ Van mijnen, bommenwerpers, vitamines,/ Van sellotape en concentratiekampen,/ Van psychiaters, hansaplast, doctrines.» Komrij-watchers beschouwden deze serie als een matig geslaagde grap, een ietwat uit de hand gelopen demonstratie van vakbekwaamheid. Niemand die er poëzie in zag, en toen de 52 sonnetten eenmaal gebundeld werden, besteedde geen serieuze recensent er aandacht aan. De dichter van Gesloten circuit (1982) en Ik heb goddank twee goede longen (1971) had zoveel krediet dat je zo’n geintje wel kon laten passeren.

Maar toen werd Komrij gelauwerd. Komrij lezers van Delfzijl tot Kaapstad, van Winterswijk tot Willemstad hielden hun adem in. Zou de eens zo cynische bespotter van alles wat riekte naar oplichterij zich weten te ontpoppen tot tolk van het Nederlandse Volksempfinden? Of zou hij zijn benoeming aanwenden om het hele instituut «Dichter des Vaderlands» definitief om zeep te helpen door de NRC de slechtste verzen uit de geschiedenis van de krant te laten afdrukken?

Op 1 mei sloeg Komrij toe met een vierluik over Beatrix. Met een mengeling van verwondering en afgrijzen lazen we hoe Hare Majesteit «zoals dat gaat bij manager en boss» zekerheid als haar handelsmerk was gaan beschouwen. De eerste regel van het gedicht bevatte een versvoet te veel, in het sextet van het sonnet bleek «onzekere tijden» te kunnen rijmen op «aan het spookrijden». «Ze zorgt ervoor dat Nederland bestaat», schreef Komrij, «ze is symbool, verbinding, kwintessens», wat dat ook moge betekenen. In het laatste gedicht adviseert Bea haar eerstgeborene niet te gaan buikdansen in stadions, wat ons een zinnige raad lijkt. Maar om nu meteen te veronderstellen dat als Alex dit advies in de wind slaat Nederland verloren is, gaat toch wat ver: «Dan worden we een dwergstaat, ben ik bang.»

Na de vuurwerkramp van 13 mei had Willem Wilmink, een man die werkelijk voeling heeft met wat er onder het volk leeft, zijn befaamde «Enschede huilt» geschreven: «Arm Enschede, verberg je in/ de armen van je koningin/ en huil, want daar is reden voor/ en huil dan maar aan één stuk door.» Een beroerd gedicht natuurlijk, maar van de eerste tot en met de laatste letter gemeend. Dat kon de Dichter des Vaderlands niet op zich laten zitten. Zijn sonnet «Leegte na de ramp» begint met de vaststelling dat er veel leed op deze wereld is: «Aardbeving, bankroof, bliksem, watersnood.» Vooral die bankroof spreekt zeer tot de verbeelding. Na afloop van zo’n rampzalige gebeurtenis, aldus Komrij, beloven de daders gedwee beterschap, terwijl de verminkte overlevenden bitter lachen. Maar soms «is er een klap,// Dan rest er niets dan echo en ellende.» Echo en ellende? «Naar daders kan alleen worden gegist.» De slotregels geven de lezer de genadeslag: «Je mist/ Heel erg de mensen die je niet eens kende,/ Alsof er in je ziel is ingebroken.» Wie is die «je»? Moeten wij geloven dat Komrij zelve bij zijn televisietoestel heeft zitten snotteren en in diepste ontreddering deze onbeholpen regels aan het papier heeft toevertrouwd?

In juli volgde een uitermate troebel gedicht over Srebrenica, in oktober bezong Komrij de jarige Jan Wolkers: «Vier zonen en een vrouw, het kan niet op,/ En tóch liefst voor het zingen uit de kerk.» Als dat laatste waar was, zouden die zonen er niet geweest zijn, lijkt me. Toegegeven moet worden dat de slotregel van het Wolkersgedicht heel goed is: «In winters laaien vuren extra sterk». Maar verder: uitzonderlijk slappe versjes die een zichzelf respecterend poëet niet in de krant zet.

Waarde Gerrit, stop alsjeblieft met deze smakeloze grap. Je hebt het een jaar volgehouden, het is leuk geweest. We weten nu, als we het niet al wisten, dat de instelling van het ambt van Dichter des Vaderlands een belachelijk idee was. Plaats je zotskap op het hoofd van een dichter die nog in de roeping van Pindaros en Petrarca gelooft. En trek je terug in Portugal om pas weer te voorschijn te komen wanneer je een echt gedicht hebt geschreven.