Media

Komrij’s gesel

Bij de dood van een schrijver, regisseur of musicus begraaft elke generatie ook een stukje van haar eigen geschiedenis. Voor iemand als Gerrit Komrij, lange tijd zo zichtbaar en tegen de keer aanwezig in het openbare en culturele leven, geldt dat in ieder geval, zoals blijkt uit tal van artikelen bij zijn overlijden afgelopen week.

In die stukken ging het net zo vaak over zijn essays en kritieken als over zijn werk als dichter en bloemlezer, te beginnen met zijn legendarische televisierecensies in NRC Handelsblad, in 1977 gebundeld onder de titel Horen, zien, zwijgen. Vreugdetranen over de treurbuis.

Maar die besprekingen, nog altijd hilarisch om te lezen, vormden niet meer dan een klein deel van zijn enorme productie in de tweede helft van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig. Zo verzorgde hij, naast de rubriek ‘Een en ander’ in NRC Handelsblad, geruime tijd ook gesproken columns, plechtig voorgedragen met zijn onmiskenbare, sonore stemgeluid, onder meer in het roemruchte VPRO-radioprogramma Welingelichte kringen, onder leiding van Joop van Tijn, of het ‘lunchpauzeprogramma’ van dezelfde omroep, Piet Ponskaart Presenteert.

In vrijwel alle necrologieën van de afgelopen week wordt uitgebreid stilgestaan bij Komrij’s ongenadige oordelen over allerhande zaken en personen, vervat in vlammende, hyperbolische beschouwingen, waarbij vergeleken de columns van vakgenoten als Blokker of Scheepmaker geheel en al verbleekten. Komrij leek geen blad voor de mond te nemen; niets of niemand was hem heilig. De reacties waren ernaar: gelovigen en deftige burgers, links en rechts, er werd met afschuw over zijn werk gesproken. Een ‘giftige orchidee boven een mestvaalt’, zo luidde het oordeel van Pieter Nouwen, journalist van Elsevier, terwijl zijn collega van De Tijd, de dichter en criticus Gabriel Smit, Komrij’s werk kwalificeerde als ‘kotsend, stakerig geconstrueerd gelamenteer’. Dat waren nog eens tijden.

Het zichtbare genoegen waarmee de afgelopen week die meedogenloze ironie ten aanzien van tv-sterren, politici en andere publieke persoonlijkheden werd gememoreerd, zou ons gemakkelijk doen vergeten wat de impact daarvan was en hoeveel mensen Komrij met zijn tirades tot razernij bracht. En dat was begrijpelijk, want het ging in deze stukken om meer dan Spielerei of oefeningen in ironie. Komrij’s essayistische werk uit deze jaren had onmiskenbaar een politieke en culturele betekenis – en daarmee een belangrijke historische waarde. In de eerste plaats fungeerden zijn columns en kritieken als een gesel tegen de tijdgeest, zoals deze, in de gedaante van allerhande varianten van dogmatisme en zelfingenomenheid, hoogtij vierde, in alle sectoren van de samenleving, zowel bij rechts als – vooral ook – links. Zalvende priesters, afvallige en rechtzinnige dominees, gestaalde communisten, idealistische hervormers, radicale feministen, managers, buurtwerkers, krakers, politici – ze moesten er stuk voor stuk aan geloven. In die zin vormden Komrij’s stukken één langgerekte aanklacht tegen politieke correctheid, ruim voordat die term – als kritische aanduiding voor het krampachtige streven om verschillen in sekse, klasse, geestelijke vermogens, religie of culturele en etnische achtergrond in woord en daad toe te dekken – zijn intrede deed. Dat gebeurde immers pas begin jaren negentig. Komrij was zijn tijd dus in veel opzichten vooruit, maar tegelijk radicaler en minder selectief dan veel van de latere, overwegend conservatieve critici.

Iets dergelijks geldt ook voor de dagelijkse beschouwingen die hij in 1976 voor NRC Handelsblad over de Nederlandse televisie schreef. Aan de ene kant moeten die worden bezien vanuit het perspectief van de tijd: kijkend Nederland was indertijd aangewezen op slechts twee televisiekanalen, zonder video, computer of dvd. Het medium verkeerde nog in een mythische fase, en bracht programma’s en personen die vrijwel iedereen ook kende. Dat zou daarna pas geleidelijk veranderen, met de doorgifte van buitenlandse zenders, de opkomst van de video en later de commerciële omroepen. Vooralsnog vormde de televisie een doeltreffend object om de heersende gemakzucht, platheid en zelfingenomenheid aan de kaak te stellen.

Tegelijk lijkt achter Komrij’s boutades tegen de televisie een dieper inzicht schuil te gaan: hij had een scherp oog voor de culturele en politieke impact van de visuele media op de samenleving als geheel. Jaren voordat Neil Postman zijn boek_ Amusing Ourselves to Death_ schreef, signaleerde Komrij vergelijkbare tendensen, in wat we de opkomst van de televisiedemocratie zouden kunnen noemen. Daarin zou de inhoud het afleggen tegen de vorm, zouden suggestie en vermaak het winnen van ernst en realiteitsbesef. In zo’n democratie – aldus Komrij meer dan dertig jaar geleden – zou de kiezer zich ten slotte laten leiden door de vraag of hij op politici kan vertrouwen, zoals hij vertrouwt op het A-team als de nood gestegen is.