Ger Groot

Komrijs aftocht

«Woorden, woorden. Het regent woorden. Het hagelt woorden», schreef hij. En verder: «Blitzkrieg. Blitzkrieg. Kom, zegt de oorlogshitser. Ze komen. Ga liggen, zegt de generaal met het houten been. Ze liggen al.» Is dat grote literatuur? Het zou de aankondiging kunnen zijn van talent, maar voorlopig is elke lettergreep nog een maatje te groot. Het is het heldhaftig gezwaai met houten sabeltjes dat je in de schoolbladen van ieder jongenslyceum vindt, tot in Winterswijk toe. Gerrit Komrij heeft het ooit geschreven en vond het dit jaar nog altijd goed genoeg om in zijn verzamelbundel Inkt (De Bezige Bij) als proloog te laten opnemen. Gerrit Komrij is niet zo’n beste lezer van zijn eigen werk.

Vorige week werd Komrijs poëzierubriek op de achterpagina van NRC Handelsblad volgeschreven door een zekere Rosa ter Beek. Zij babbelde over Komrijs gedicht De zittende politicus, dat diezelfde krant op 8 mei had gepubliceerd. Dat was twee dagen na de moord op Pim Fortuyn en Komrij dichtte: «Nadat de gek de nar had omgebracht,/ Kroop hij zijn bed uit, glimmend van de pret./ …/ Hij oefende het woord ‹geschokt› voor morgen/ …/ Daar klinkt verdomd weer zijn belegen lied.»

«Jip en Janneke-taal gebruiken om het gesundenes Volksempfinden een heldere vertaling te geven», heeft Pieter van Os dat een kleine week later in De Groene genoemd. Melkert een monster noemen: dat was wat Komrij deed en dat was in die dagen van hetze, hysterie en dreigementen niet zo’n goed idee.

Rosa ter Beek vindt dat een erg vreemde reactie. «De zittende politicus zou de heer Melkert zijn», hoe komt Van Os daarbij? Alsof zij nog nooit de woorden heeft gehoord waarvan het die week hagelde. «Melkert, eindelijk rustig slapen? Dacht het niet», stond te lezen op een spandoek waarvan de foto op dezelfde pagina als Komrijs gedicht was afgedrukt. Maar Rosa (die dus niet Komrij is) doet alsof haar neus bloedt en wast des dichters handen plaatsvervangend in onschuld. Wist Komrij veel; weet Rosa veel? Ook geen beste lezeres.

Als Rosa niet Komrij is, wie is ze dan wél? Ze is de fictieve hoofdpersoon van de kwasi-biografie Het korte leven van Rosa ter Beek van Guus Luijters (Veen) en ze noemt zich in Komrijs rubriek dichteres. Bij Uitgeverij 521 zijn zelfs haar Nagelaten gedichten uitgegeven. Want zelfs fictieve Rosa’s sterven. Een afscheidsinterview gaf ze in het laatste nummer van het maandblad Blvd. Komrij wordt intussen vanuit het hiernamaals in bescherming genomen.

Heeft die man iets met de dood? Een onheus stukje vlak voor het overlijden van Hans Warren was misschien nog een ongelukje. Maar sinds Komrij het verscheiden van de dichteres Gertrude Starink aangreep om ook haar werk onder de zoden te schoffelen lijkt er lijn in te zitten. «In de verkeerde tak van kunst verdwaald omdat ze haar hadden wijsgemaakt dat ze kon dichten», schreef Komrij over haar. Hij kon het risicoloos zeggen, want van gene zijde wordt toch niets teruggezegd.

Wie wel iets terugzei was Anneke Brassinga, zojuist onderscheiden met de VSB Poëzieprijs. «Wansmakelijk» vond zij Komrijs klompendans op Starinks graf in een ingezonden brief, en ze moest het prompt bezuren. «Zowel precieus als ridicuul», noemde Komrij haar drie weken later in zijn rubriek. «Ze dicht niet, ze olliebeebommelt.»

Het is Nederland op zijn allerwraakzuchtigst en allerbenepenst, nog net iets erger dan het gebalde vuistje van het Winterswijkse schoolproza. Het is «poep» roepen en dan hard weglopen, de achterbakse smoel vertrokken in een kramp van onschuld. Er stijgt de benauwenis uit op van een stad die aan drie kanten door grenzen is omsloten — zoals Komrij zijn geboorteplaats ooit beschreef — en aan de vierde nijd en kleingeestigheid afscheidt.

Dat Komrij superieure satire en polemiek zou bedrijven blijkt zo alsnog een misverstand. Zijn stukken zijn de rancuneuze kogelbrieven van een schrijver die nooit zijn verwachtingen heeft ingelost en in de steegjes van de literatuur nu leeft van afrekening en karaktermoord. Die oorlog hitst en op zijn houten beentje wegsluipt als het menens wordt. Die zijn heldhaftigheid bewijst met het gooien van modder naar de graven en onder dekking van andermans naam (want Rosa is natuurlijk Komrij niet) zijn aftocht camou fleert.