Er werd hard gewerkt aan vertrouwen. Althans, er werd luid en duidelijk en vaak uitgesproken dat er onvoorstelbaar hard werd gewerkt aan vertrouwen, en op de een of andere manier leek de premier zelf wel te geloven dat dat toch wel ongeveer op hetzelfde neerkwam. Misschien was het niet helemaal hetzelfde, maar het was toch wel meer dan genoeg hetzelfde. Hij werd zelfs een beetje boos toen een van de fractievoorzitters hem niet op zijn blauwe ogen leek te willen geloven.

Het was een gekke dag want dat woord, ‘vertrouwen’, leek opeens overal op te duiken. Het lag vast niet aan het woord zelf, het gaat sinds jaar en dag in feite nergens anders over, het lag ongetwijfeld aan mij en aan dat ik er wel wat van kon gebruiken. Het begon me vanuit hoekjes op sociale media en gaatjes in de krant tegemoet te springen. Er leek soms iets bezwerends van uit te gaan, alsof mensen het in de mond namen om er een antoniem mee op afstand te houden. Het woord wantrouwen viel een stuk minder vaak, terwijl dat toch vaak het werkelijke onderwerp van gesprek leek te zijn. Ik weet niet zo goed hoe je een high trust-samenleving bouwt, maar ik kan me voorstellen dat eindeloos praten over de noodzaak van vertrouwen weleens minder effectief zou kunnen zijn dan men lijkt te hopen.

In Arnon Grunbergs voortzetting van zijn ‘Voetnoot’ met andere middelen, op Instagram, schreef hij dat Le Monde diplomatique meldde dat ‘voor het eerst minder dan de helft van de Amerikanen geen vertrouwen heeft in traditionele media’. Ik brak mijn hoofd vergeefs over die dubbele ontkenning, en kwam in mijn zoektocht naar duidelijkheid op de site van de krant niet voorbij ‘le paywall’, maar aangezien ik niet Rutger Pinker heet ga ik maar gewoon van het slechtste scenario uit: dat het vertrouwen voor het eerst tot minder dan de helft is gedaald. Het alternatief, dat mensen de krant meer zijn gaan vertrouwen omdat erin staat wat ze toch al denken, zoals Grunberg in zijn voetnoot lijkt te suggereren, is overigens niet veel bemoedigender.

Een gesponsord bericht bleef intussen nogal hinderlijk mijn tijdlijn binnenzeilen. Elke keer dat ik de pagina vernieuwde was de tweede of derde post afkomstig van Pfizer. De farmareus wilde mijn aandacht graag vestigen op een podcast van BNR Nieuwsradio. Ik klikte braaf door naar ‘De weg naar een vaccin’, maar ver voorbij de introductie kwam ik niet. ‘Deze podcast wordt mede mogelijk gemaakt door Pfizer’ was de eerste zin die ik hoorde, en binnen een minuut volgde: ‘Pfizer ontdekt, ontwikkelt en maakt geneesmiddelen en vaccins die mensen kunnen genezen, ziekte voorkomen of die de kwaliteit van leven kunnen verbeteren. Door het gesprek te faciliteren over het belang van vaccins hoopt Pfizer doorlopende innovatie van kwalitatieve preventieve zorg extra te onderstrepen.’

Ik dacht aan de massale ontslagen die waren gevallen bij BNR en de miljoenenwinst die moederbedrijf FD Mediagroep jaarlijks noteert.

Ik zit inmiddels niet meer te wachten op hoop

Ik dacht terug aan het RIVM-filmpje dat twee weken geleden voor enige consternatie zorgde. Milou Deelen, die zichzelf in het item introduceerde als journalist, ging in gesprek met een modelleur van het instituut. Dat met onafhankelijke journalistiek in dit land vooral geld wordt verdiend door FD Mediagroep en mensen die aandeelhouder zijn van een van twee Belgische concerns maakt het lastig om de freelancer die schnabbelt of anderszins bijklust veel aan te rekenen. Kwalijker is uiteindelijk de wijze waarop journalistieke schijn door een communicatieafdeling wordt ingezet: als een soort kleine witwasoperatie, in de hoop zo de eigen kijk op de zaak in de etalage te zetten of de meest welkome feiten van een beetje extra glans te voorzien. Ook als het met de beste bedoelingen gebeurt, zou het fijn zijn als men zich iets meer rekenschap gaf van het corrumperende effect op de maatschappelijke functie van de journalistiek. Met het verdwijnen van een groot deel van de advertentie-inkomsten en de komst van eindeloze bergen online infotainment is haar onafhankelijkheid zo ongeveer het enige wat de journalistiek nog te gelde kan proberen te maken.

Minister Hugo de Jonge twitterde intussen een hallucinante kaart van Nederland met tientallen pictogrammen die duidelijk moesten maken waar precies welk fieldlab-experiment zou worden georganiseerd.

Op het onvolprezen politicologenblog Stuk Rood Vlees beschreven vier wetenschappers van de Erasmus Universiteit onlangs hoe uit onderzoek was gebleken dat het begin vorig jaar niet de coronacrisis zelf was die voor een toenemend vertrouwen in de regering had gezorgd – er was zogezegd geen sprake geweest van het vaak gesuggereerde rally around the flag-effect – het waren de concrete maatregelen geweest die het vertrouwen destijds hadden versterkt.

Ik vroeg me af in hoeverre de lappendeken van probeersels op het kaartje van De Jonge vertrouwen wekte. Iemand opperde dat het wellicht vooral ‘hoop’ moest bieden, het idee dat ‘terug naar normaal’ geen illusie is.

Maar ik zit inmiddels niet meer te wachten op hoop. En al helemaal niet op hoop die ik moet halen uit een put die alleen om die reden is geslagen. Ik snak naar vertrouwen. Ik weet niet zo goed wat het precies is, het lijkt uiteindelijk vooral een bijproduct. Iets wat daar waar bepaalde dingen op het vuur staan te pruttelen, in ere gehouden professionele waarden, daadkracht zonder een schuin oog op de focusgroepen, belangeloze betrokkenheid of niet-belangeloze betrouwbaarheid, via verdamping in de atmosfeer terechtkomt.