Konijnen, exen en economie

Waar gaat het eigenlijk over, Thé? De allesbeslissende vraag van de interpretatiekunde. Daar kun je nachten van wakker liggen. Boeken gaan ergens over, ze gaan van A naar B en de Z zie je meestal ver van tevoren al aankomen.

Jongen krijgt meisje, verliest haar weer, man jaagt op een walvis en die doodt hem, vrouw begint tegen wil en dank een affaire en sterft et cetera et cetera. De kern is de zoektocht. Het gaat niet om de afloop stupid, het gaat om de tocht er naartoe.

Maar wat als die zoektocht er helemaal niet is? Voor Nachoem Wijnberg is dit allemaal gesneden koek en juist daarom zet hij ons in zijn romankunst (overigens ook in zijn poëzie) keer op keer geen zoektocht voor. Bij hem geen zinderende liefde, doldwaze misverstanden, raadselachtige gebeurtenissen of ineens opduikende schatkaarten met een paar bladzijden verderop een ex-piraat met een houten been. Geen dieptepsychologie of een in een verhaal verpakte mening over de ondergang van iets. Een beetje jammer vind ik dat wel, ik zou er veel voor geven als deze uiterst inventieve schrijver op de proppen komt met een page turner van het zuiverste water. Verlangen! Avontuur! De Waarheid over Alles! Met alle eindjes aan elkaar geknoopt. Eerste zin: Noem me Nachoem!

‘Mijn man kan door de week alleen nog klaarkomen als ik een hoed opzet’

Toch schemeren in Alle collega’s dood, de nieuwe roman van Wijnberg, allerlei biografische elementen door. Hij speelt zich af in de academische wereld van marketing en management waarbinnen de schrijver al jarenlang een prominente positie inneemt. Als je op internet zijn naam intikt en een beetje doorzoekt, krijg je een stortvloed van gegevens. Hij is hoogleraar aan de Faculty of Economics and Business van de Universiteit van Amsterdam en werkt bij de Section Entrepeneurship Innovation, waar hij betrokken is bij het onderzoeksprogramma Strategy and Marketing. Je kunt zijn artikelen terugvinden in bladen als Journal of Organizational Change Management en British Journal of Management. Het gaat daarin vaak om empirisch onderzoek naar innovatieve strategieën binnen de ‘creatieve industrie’. Samen met dr. A.A. Witte is hij betrokken bij een langlopend onderzoeksproject naar bedrijfscollecties. Projecttitel: ‘Bedrijfscollecties als potentieel erfgoed: Kunstmarktdynamiek, bedrijfsstrategieën en publieke ondersteuning voor de kunsten’.

Aan honderden faculteiten op de wereld zijn marketingonderzoekers en andere economen bezig met dit type onderzoek dat uiteindelijk de wolk van mysterie die rond ‘het creatieve’ hangt, wil oplossen. Hoe werkt innovatie in de creatieve industrie? Op welke gronden besluiten managers in de creatieve sector (dat kunnen ook schrijvers zijn) tot verandering over te gaan? Hoe rationeel zijn die gronden? Welke strategieën zetten ze in? Je leest er, tot mijn spijt, in de dag- en weekbladen weinig over, ook al omdat academische onderzoekers geen ‘wetenschappelijke punten’ scoren wanneer ze over hun onderzoeksgebied in ‘lekenmedia’ publiceren. Alleen de peer group telt. Ze kijken dus wel mooi uit.

Medium hh 5833184.jpg

In Alle collega’s dood belanden we in een wel erg merkwaardige peer group van hoogleraren, onderwijzend personeel en studenten binnen een afdeling economie en marketing. Je hebt er een Coca-Cola-professor, de Grote Wanja en de Persoonlijkheidstestprofessor. De verteller is een gevorderde student die door zijn hoogleraar, ‘de Janprofessor’, wordt binnengevoerd in een fanclub van jonge vrouwen. De Janprofessor heeft goede hoop dat de verteller via hem de doden kan laten spreken, maar dat blijft bij plannen. De fanclub, onder leiding van de Janprofessor, komt bij elkaar, kletst over relaties, geeft elkaar Italiaanse les, waarbij vooral de onregelmatige werkwoorden het moeten ontgelden. Dante speelt een rol, goochelen komt voorbij en ook Emily Dickinson. Wijnberg laat overtuigend zien dat Dickinson in haar poëzie steeds werkt met economische toespelingen. ‘I gave Myself to Him –/ And took Himself, for pay –/ The solemn contract of a Life/ Was ratified, this way –’.

Allerlei principes uit de marketing- en managementwereld komen aan de orde, bijvoorbeeld het ‘endowment effect’: ‘Als je iets hebt, denk je dat het meer waard is. Dat is duizenden keren getest. Ook als je denkt dat je het gehad hebt, zegt Annika.’ Typerende Wijnberg-zinnen. Scherp, geen beeldspraak, en toch genoeg om er flink over te gaan peinzen. Vaak geestig, of doortrapt geestig. Hij werkt met uitermate duidelijke en concrete zinnen en dialogen. Geen stijlfiguren, geen stemmingsbeschrijvingen, geen diepte. Wel graag met redeneringen die net scheef staan (zie ook zijn poëzie). Alles is op het eerste gezicht glashelder en rationeel, als in een wetenschappelijk onderzoek. De diepte is het oppervlak. Men beweegt met en langs elkaar, de gesprekken hangen stuk voor stuk in de lucht, het gaat over konijnen, exen en economische principes.

Prachtig zijn de vele, vele namen van de vrouwelijke leden van de fanclub. Gabriëlle, Dieke, Annika, Liselotte, Chloë, Georgie, Marianne, Wendelien, Nenthe et cetera. En ondertussen sterven collega’s, houdt men een orgie, kletst iedereen de wereld aan elkaar en bediscussieert de fanclub klaarkomen. ‘Of er een verschil is tussen een groot klaarkomen en een klein klaarkomen.’ Wendelien kiest altijd voor het grote gebaar, ‘maar soms is het dan al te laat om nog te kiezen’. En Chloë zegt: ‘Mijn man kan door de week alleen nog klaarkomen als ik een hoed opzet.’ Dat ‘door de week’ doet ’t ’m.

De academische wereld ligt in deze roman duidelijk op het hakblok, maar een klassieke, uitgekauwde parodie, met geile professoren, luie studenten en flauwe grappen over academische lulkoek, wil het beslist niet zijn. Wijnberg eindigt tamelijk verrassend met een pijnlijk en precies verslag over de perikelen rondom de benoeming van een hoogleraar. Ineens geen zijpaden meer, geen gebabbel van de fanclub, maar harde, feitelijke kritiek op de gang van zaken. Hier klinkt authentieke woede door. Zou dat niet iets zijn voor een volgende roman? Expliciete woede?