Koning

Vice-president van de Raad van State Tjeenk Willink spreekt zich uit tegen het doorgeschoten marktdenken bij de overheid. De gewone man en vrouw als burger zijn tot klant gemaakt. En een klant gedraagt zich anders dan een burger.

DAT DE BANK de gewone man of vrouw met alleen een salarisrekening en mogelijk een kleine spaarrekening en hypotheek niet meer zag als de klant die toch koning heet te zijn, heeft menigeen de afgelopen jaren aan den lijve ondervonden. Steeds minder service, minder filialen, minder op de persoon toegesneden adviezen en ook stilletjes minder rente op je spaarrekening.
Nu een commissie uit die bankenwereld tot de conclusie is gekomen dat als antwoord op de financiële crisis het belang van de klant weer voorop moet komen te staan, zouden die gewone man en vrouw dat natuurlijk met gejuich moeten begroeten. Maar het is een gelijk krijgen dat niet meteen vrolijk stemt. Dat is niet alleen omdat eerst de kwaadheid er nog uit moet over een constatering die voor de gewone klant zo’n open deur is dat hij niet snapt dat daar drie maanden op gestudeerd moest worden. Maar ook omdat niet aan de indruk kan worden ontkomen dat de voorzitter van de commissie, Cees Maas – oud-topman bij ING – en de andere commissieleden met hun adviezen toch vooral overheidsingrijpen en strengere wetgeving willen voorkomen.
De dag nadat de commissie-Maas de banken opriep bij hun doen en laten niet de aandeelhouders en de eigen bonussen voor ogen te hebben maar de gewone man en vrouw weer als klant in het vizier te krijgen, riep de vice-president van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, de overheid juist op de gewone man en vrouw niet als klant te zien. Voor de overheid moeten zij weer burgers worden.
In het jaarverslag van de Raad van State spreekt Tjeenk Willink zich uit, en niet voor de eerste keer, tegen het doorgeschoten marktdenken bij rijk, provincie en gemeente. De wet van vraag en aanbod, het denken in klanten, productgroepen, groei en efficiency heeft de gewone man en vrouw als burger verdrongen en hen daarmee hun medeverantwoordelijkheid voor de samenleving en de democratische rechtsstaat ontnomen.
Want een klant gedraagt zich anders dan een burger. Een klant is niet medeverantwoordelijk voor de winkel om de hoek, maar een burger is dat wél voor de veiligheid om diezelfde hoek. Een klant is niet medeverantwoordelijk voor de keuze van het bestuur van een bank, maar een burger is dat wél voor de keuze van het bestuur van zijn stad.
Zowel de commissie-Maas als de vice-president van de Raad van State zegt feitelijk: schoenmaker, ga terug naar je leest. Bij de banken moeten u en ik als klant weer koning worden, bij de overheid moeten wij als burger weer koning zijn. In het eerste geval houdt dat in dat wij door de banken weer koning worden gespeeld, zoals dat in de toneelwereld heet, maar in het tweede geval moeten wij ons zelf weer als koning gaan gedragen: noblesse oblige.
Hoewel kritisch naar de voorstellen van de commissie-Maas moet worden gekeken, is bij zowel dat advies als bij dat van Tjeenk Willink het algemene belang het achterliggende doel. Wat er met de samenleving gebeurt als de financiële wereld de klant uit het oog verliest, hebben we de afgelopen maanden gemerkt: wankelende banken, miljarden overheidssteun, oplopende werkloosheid, sociale spanningen en geopolitieke machtsverschuivingen.
Tjeenk Willink ziet deze lawine aan gevolgen niet los van de overheid die op haar beurt de burger uit het oog had verloren en zich had overgeleverd aan de tucht van de markt. Volgens hem kon de overheid daardoor geen tegenwicht meer bieden aan het marktdenken en de burgers op hun beurt niet meer aan de overheid, hetgeen samen de huidige crisis mede heeft veroorzaakt dan wel vergroot.
Tjeenk Willink hekelt in zijn jaarverslag de wijze waarop in Nederland bij de vele privatiseringen van overheidstaken altijd wordt geschermd met de Europese Unie. Alsof het een vloedgolf is die over ons heen komt en waarop Nederland geen invloed heeft.
Maar zoals Tjeenk Willink schrijft: ‘Meer dan andere landen heeft Nederland (met het Verenigd Koninkrijk) de liberalisering van markten verbonden met de privatisering van publieke diensten.’ Volgens hem schrijven de Europese wetten dat niet voor, maar is dat een binnenlandse keuze geweest. ‘Dat verklaart ook waarom binnen dezelfde Europese regels door de lidstaten zo verschillend wordt omgegaan met publieke taken.’
Zo is volgens Tjeenk Willink ook de afstand tussen de Nederlandse burger en de Europese Unie geen automatisch gevolg van de Europese eenwording, maar eveneens versterkt door binnenlands handelen. Waarom geen grote debatten in Den Haag over Brusselse onderwerpen, waaraan voorafgaand burgers hun zegje kunnen doen in de Tweede Kamer? Het is alsof Tjeenk Willink alvast waarschuwt voor een lage opkomst bij de komende Europese verkiezingen op 4 juni en ook alvast voor wil zijn dat bij het geklaag daarover de schuld eenzijdig op de schouders van de kiezer wordt gelegd.
Ook bij dit pleidooi van de vice-president is er een verband met de bankencrisis. Als de burger niet de kans krijgt zijn rol in de drie-eenheid overheid, burger, markt te spelen, ook niet op Europees niveau, dan zal er geen sprake zijn van het voor de democratie noodzakelijke evenwicht tussen die drie. Dan krijgen de internationaal opererende banken op internationaal niveau onvoldoende tegenwicht, alle mooie woorden van Maas en de zijnen over de klant die weer koning is ten spijt.
Die klanten moeten in hun andere rol, die van burger, via de politiek ook mee kunnen denken, praten en beslissen over de wijze waarop de overheid dat toezicht inricht. Dat laatste is niet een zaak die de banken even onderling kunnen regelen. Zij gaan weer voor de klant, dat is mooi. Maar de burgers gaan erover of dat voldoende is.