Koning Arthurs tragiek

Hoe is het om nu, in deze tijd van Game of Thrones, T.H. White’s Arthur, de koning van eens en ooit te (her)lezen?

Fine Art Images/Heritage Images/Getty Images © King Arthur, Livro do Ameiro-Mor, 1509

In de literatuurgeschiedenis zijn er een aantal ontmoetingen die bijna te mooi klinken om waar te zijn. Op 18 mei 1922 dineerden Marcel Proust, James Joyce, Pablo Picasso, Igor Stravinsky en Sergej Djagiljev samen in het luxueuze Majestic hotel in Parijs. Daags na de bevrijding van Parijs trof sergeant J.D. Salinger Ernest Hemingway in de bar van het Ritz. Kort na de oorlog werd T.H. White – de auteur van een populaire hervertelling van de legendes over koning Arthur – uitgenodigd om een bijeenkomst bij te wonen van de ‘Inklings’, het literaire genootschap van academici met een passie voor oude mythen en fantasy. J.R.R. Tolkien en C.S. Lewis waren lid.

Op basis van persoonlijke brieven en dagboekaantekeningen hebben biografen geconcludeerd dat zowel de ontmoeting in het Majestic als die in het Ritz tam was. De modernistische kunstenaars leken door elkaar geïntimideerd en waren weinig spraakzaam, terwijl de beroemde Hemingway het gesprek met de onbekende Salinger eenzijdig domineerde, al schreef Salinger later dat hij Hemingway een stuk gevoeliger vond dan hij had verwacht.

Of White (1906-1964) ook daadwerkelijk op de uitnodiging is ingegaan zich bij Tolkien en Lewis aan te sluiten is vooralsnog onbekend, maar het is een heerlijk wat-als-beeld: de auteurs van The Chronicles of Narnia (Lewis), The Lord of the Rings (Tolkien) en The Once and Future King (White) bij elkaar in een schemerige pub in Oxford – de drie werken die samen de basis vormen voor het fantasygenre zoals we dat nu kennen. White liet zien hoe oude legendes hergebruikt kunnen worden om nieuwe verhalen te vertellen, Lewis creëerde met Narnia een stevig christelijke parabel over opoffering en verlossing en Tolkien zette de standaard voor wat je ‘world building’ noemt: schrijven op een manier waarop niet alleen de personages en de plot centraal staan, maar vooral alles eromheen, de flora, de fauna, de taal, de eindeloze achtergrondgeschiedenissen van de fictionele koninkrijken.

In de jaren veertig was White de voorloper. Hij zou in de Oxford de barrekening betaald hebben: zijn eerste Arthurvertelling, Het zwaard in de steen (1938; later bewerkt tot de Disney-tekenfilm), schreef hij vlot en werd direct een bestseller. Tolkien en Lewis zwoegden nog op hun eigen boeken: het eerste deel van The Lord of the Rings verscheen in 1954, het eerste deel van de Narnia-verhalen in 1949. Inmiddels zijn de rollen omgedraaid. Zowel van Tolkiens als Lewis’ werk zijn meer dan honderd miljoen exemplaren verkocht. Het gaat te ver om te zeggen dat White vergeten is – zijn boeken zijn nog in druk en Athenaeum heeft zojuist een gloednieuwe vertaling gepubliceerd. Maar waar heeft White de wedstrijd verloren?

Allereerst ligt dat niet alleen aan White. Het ligt net zozeer aan de mensen in wier handen hun nalatenschap is gevallen. De Narnia-boeken werden redelijk braaf door Disney verfilmd, maar haalden alsnog zo’n sloot omzet binnen dat Netflix ze nu laat bewerken tot een nieuwe serie. De populariteit van de reeks The Lord of the Rings behaalde zijn eerste hoogtepunt decennia na hun eerste publicatie, toen hippies en newage-adepten Tolkiens fantasiewereld omarmden. Het latere hoogtepunt kwam toen Peter Jackson in 2001 zijn entree maakte en de boeken bewerkte tot een trilogie films waarvoor geen hyperbool hyper genoeg is: de films wonnen een vrachtlading Oscars en behoren tot de meest succesvolle en geliefde films ooit. Zonder Jacksons film geen Game of Thrones. Amazon heeft inmiddels de rechten gekocht en plant de duurste tv-serie aller tijden.

Die arme White had minder geluk. De Arthurlegendes werden veel vaker verfilmd, maar zonder uitzondering veel slechter. In bioscoopfilms als First Knight (1995) en King Arthur (2004) lopen Hollywoodacteurs in Intertoys-harnassen vertwijfeld door het beeld, meer op zoek naar hun loonstrookje dan naar de Heilige Graal. In de recentste verfilming heeft regisseur Guy Ritchie van Arthur een soort ‘chav’ gemaakt, type tasjesdief, en wordt er zo veel met kruisbogen geschoten dat je je afvraagt of Ritchie niet liever een gangsterfilm had gemaakt – zoals hij altijd doet.

Je moet ver teruggaan om een beetje fatsoenlijke Arthurverfilming te vinden. Waarschijnlijk was dat John Boormans Excalibur uit 1981 – en zelfs die film is twijfelachtig. Merlijn zag eruit alsof hij synthesizer speelde in een newwaveband en elke veldslag vond plaats in de mist (die nevelen van Avalon) zodat de kijker niet door had dat het budget niet meer dan een handjevol figuranten toestond. Maar de film had een verrassende intensiteit, de acteurs renden rond met de grote ogen van godsdienstwaanzinnigen, iedereen schreeuwde zijn tekst en Helen Mirren zweefde als tovenares Morgan Le Fay door haar scènes heen als een Kate Bush in Wuthering Heights, maar dan halfnaakt. Het voelde alsof de film een noodlot met zich meedroeg, alsof de personages heel goed wisten dat ze ten onder zullen gaan in de vortex van verraad, overspel en Mordred.

Wat T.H. White lukt is van Arthur een echt personage te maken

Die impopulariteit ligt waarschijnlijk ook aan koning Arthur zelf. Hij is altijd meer een doek geweest waarop je iets projecteert, dan dat hij een interessante eigen kern heeft. De regisseur die weinig zelf te vertellen heeft, kan niets met hem. Zijn eerste golf van populariteit kwam dan ook met het verschijnen van Le Morte D’Arthur van Sir Thomas Malory, de cpnb-bestseller van het jaar 1485. De schrijver-soldaat Malory componeerde het boek in gevangenschappen tijdens de Rozenoorlog en bracht voor het eerst uitgebreid allerlei reeds bestaande verhalen bij elkaar: hoe Arthur het zwaard uit de steen trok, met Guinevere trouwt en op Camelot zijn Ronde Tafel begint. Hoe Tristan en Isolde hun ondergang vonden, hoe Parsifal de Graal bereikte, hoe Lancelot en Guinevere overspel pleegden en Arthur uiteindelijk werd gedood door zijn verbitterde zoon Mordred – waarna hij naar het eiland Avalon werd gebracht, waar Arthur nog steeds zou liggen te wachten, om weer op te staan als zijn rijk hem echt nodig heeft. Dus de koning ‘van eens en ooit’. Als de Brexit nog langer door sleept, kunnen we hem vast vlug verwachten op Downing Street.

Op het moment van Malory’s schrijven, zo ongeveer tijdens het herfsttij der Middeleeuwen, was de cult van de nobele ridder te paard aan het uitsterven en maakte plaats voor een meer cynische, realistische manier van oorlogvoering. Dus dat is precies het ideaal dat Malory creëerde – de nobele, wijze ridderlijke Arthur, die draken doodde en jonkvrouwen uit torens bevrijdde.

In de eeuwen daarna raakte Arthur weer uit het zicht, om tijdens de Romantiek in de negentiende eeuw weer op te duiken. Toen stonden vooral de gedoemde en verboden geliefden als Tristan en Isolde en Lancelot en Guinevere centraal: de prerafaëlieten maakten enkele iconische schilderijen van de ‘vrouwe van Shalott’, die opgesloten op een eiland zat en zodoende vervloekt was haar grote liefde, Lancelot, alleen van afstand te aanschouwen. Tijdens de oorlogsjaren – de tijd waarin T.H. White schreef – stond de Ronde Tafel voor nationale eenheid en opoffering voor het gezamenlijke doel. In de jaren tachtig werden de Arthursagen het feministische discours in getrokken door Marion Zimmer Bradley (1930-1999). Haar reeks boeken rond De nevelen van Avalon speelde met de toen populaire spirituele newagetheorieën over gaia en reïncarnatie, maar waren vooral hervertellingen van de legendes waarin deze keer de vrouwen centraal stonden. Bradley’s verteller was Arthurs halfzus Morgaine (Morgan Le Fay), die nu eens geen kwade heks is, maar een verkeerd begrepen eigenzinnige jonge vrouw (inmiddels is Bradley uit de gratie: na haar dood heeft haar dochter bekendgemaakt jarenlang door haar misbruikt te zijn).

Hoe is het om dan nu Arthur, de koning van eens en ooit te (her)lezen? Nu, dat wil zeggen in 2019, de tijd waarin Game of Thrones wereldwijd het grootste culturele verschijnsel is, een serie waarin de wijze, nobele, arthuriaanse Ned Stark in het eerste seizoen zijn hoofd op het hakblok verliest? Waarin Jaime Lannister – de knappe, heroïsche ridder die in veel gebaseerd is op Lancelot – al in de allereerste aflevering zonder enig pardon een klein jochie uit een torenraam gooit?

Het voelt vreemd. Dat voorop. Je bent zo gewend geraakt aan cynische, machtsbeluste koningen dat wanneer Arthur een hal binnenloopt waarin verrader Mordred vecht met de hondstrouwe Gawaine, en Arthur ze met een glimlach uit elkaar haalt en omarmt, je denkt dat hij een grap maakt. Is hij niet bang dat er tegen hem wordt samengespannen? Wat mankeert hem?

Sowieso is het een verbazingwekkend boek om te herlezen – de vertaling van Jolande van der Klis is vlot en soepel en als die soms anachronistisch aanvoelt, is dat omdat White verbluffend anachronistisch schrijft. Midden in het verhaal weidt hij uit om commentaar te geven op de bronbehandeling van Malory; wanneer hij de fjorden beschrijft haalt hij de negentiende-eeuwse reisschrijver en ornitloog W.H. Hudson aan. Hij laat een middeleeuwse ridder ineens uitweiden over hoe ze het volk achter zich kunnen krijgen en komt met een heldere uiteenzetting van wat we nu populisme zouden noemen. Hij zegt monter: ‘We hebben een vlag nodig, en een insigne. Bijvoorbeeld de swastika. Communisme, nationalisme, zoiets.’ Zonder terughoudendheid durft White van zijn Arthursaga een boek van zijn tijd te maken – de jaren dertig en veertig – en daarmee gek genoeg ook een boek van onze tijd nu.

White’s vorm is vaak speels, afwisselend, regelmatig op het meta-fictionele af. Een hoofdstuk begint met ‘Lancelot en Guinevere keken vanuit het torenraam hoe de zon onderging over het riddertijdperk.’ Wat? Hoe weten zij dat?

Er zit een natuurlijk verloop in het boek, dat in feite uit vier boeken bestaat. Het eerste, Het zwaard in de steen, voelt het meest aan als een kinderboek – dat Disney er een tekenfilm van maakte is begrijpelijk. Maar gaandeweg voelen De koningin van lucht en duisternis, De mismaakte ridder en De kaars in de wind steeds zwaarder aan, misschien omdat je weet hoe het gaat aflopen. Maar ook omdat de personages ouder worden, ze voelen het einde naderen. In het slotdeel zijn Lancelot en Guinevere van middelbare leeftijd, ze verwijten elkaar dat ze te veel drinken. Arthur heeft zich, uitgeblust, neergelegd bij hun affaire. Hij leeft zelfs mee met Lancelot en verplaatst zich in diens schaamte dat hij zijn erewoord heeft gebroken. Met een zekere wijsheid kijken de personages terug op hun levens, mismoedig over de daden die een paar honderd pagina’s terug nog als heroïsch werden beschreven. De koning staat op het punt ten strijde te trekken tegen Mordred en bedenkt dat hij diens verraad niet eens echt kwalijk neemt: Mordred was ook maar het resultaat van bedrog en rancune door de jaren heen. ‘Zusters, moeders, grootmoeders: iedereen wortelde in het verleden! Het handelen in de ene generatie, van welke aard ook, kon totaal onvoorziene consequenties hebben in een volgende (…) Het leek wel of de enige optie was om helemaal niets te ondernemen, om nergens meer het zwaard meer voor te trekken, om jezelf stil te houden als een steen die niet gegooid wordt. Maar dat zou walgelijk zijn.’

Ik had niet verwacht dat het slotdeel zo ontroerend zou zijn. Wat T.H. White lukt is van Arthur een echt personage te maken. Wijsheid is een moeilijke eigenschap om over te schrijven, omdat het zo eendimensionaal positief is. Maar White maakt Arthurs wijsheid tragisch. Hij denkt dat hij en zijn vrienden en vijanden ‘niets anders zijn dan de boegbeelden van complexe krachten die ergens anders door lijken te worden aangezwengeld. Alsof er een drijvende kracht zit in de structuur van de samenleving zelf.’ Juist omdat hij zoveel begrijpt, zich zozeer in zijn landgenoten verplaatst, snapt hij hun fouten en komt hij niet tegen ze in beweging. Maar hij is de koning, hij moet de drijvende krachten vormgeven. Zijn wijsheid is zijn ondergang.