Koning david

Hij mocht dan prachtig harp spelen, die Israelische ‘vader des vaderlands’, zachte handen had hij niet. Van de bijbelpagina’s die zijn daden beschrijven, spat het bloed af. Het verging hem dan ook slecht.
ONLANGS MAAKTE DE Israelische regering plannen bekend om volgend jaar een volkstelling te houden. Uit de fundamentalistische hoek van de joodse orthodoxie klonk onmiddellijk protest. De tegenstanders betoogden er zeker van te zijn dat een volkstelling niet in overeenstemming is met de joodse wet. Stond er immers niet geschreven dat koning David een volkstelling gehouden had en voor zijn hoogmoed was gestraft met een pestepidemie?

Er zijn veel Israeli’s die de geschiedenis minder letterlijk opvatten. Een enkeling denkt zelfs dat David niet werkelijk heeft bestaan. Maar koning David blijft voor iedereen de vader des vaderlands, de stedendwinger Jeruzalems. Hem is alles vergeven. ‘David, koning van Israel, leeft en bestaat’ is een volksliedje. Hij schonk zijn naam aan straten, pleinen, hotels, synagogen, winkels, kosjere produkten en niet te vergeten shoarma-zaken, zelfs tot in de meest afgelegen uithoeken van de diaspora.
David leefde van 1060 tot 970 voor Christus. Hij was in veel opzichten een modern leider, gewiekst in het delegeren, met begrip voor de eisen van de multiculturele Kanaanitische samenleving. Hij was goed voor zijn getrouwen, voelde zich net zo prettig in de woestijn als in een paleis en slaagde erin met vier zeer eigenwijze vrouwen tegelijk getrouwd te zijn. Daarnaast schreef hij poezie - de Psalmen - die in drieduizend jaar niet verouderd is en nog altijd wordt gelezen.
Deze joodse versie van Odysseus en Homerus verdiende een uitgebreide biografie. In de Bijbel zijn twee boeken aan zijn leven gewijd, wat iets minder is dan de ruimte voor Mozes en Jezus van Nazareth, maar meer tekst dan Abraham, Izaak of Jacob kregen.
DAVID WAS DE tweede koning van Israel. Hij belichaamde in veel opzichten de overgang van een op stamverbanden gebaseerde landbouwcultuur naar een centralistisch geregeerde staat. Hij moet worden gesitueerd in de late bronstijd, in de periode na de Israelitische kolonisatie van Kanaan, toen de oude machtsstructuren niet langer bleken te voldoen en het volk behoefte kreeg aan sterker seculier leiderschap.
De eerste keer dat David in de bijbel opduikt, wordt hij direct tot koning gezalfd. Op dat moment is koning Saul aan de macht, maar deze is psychotisch geworden. Hogepriester Samuel krijgt een goddelijk bevel naar Isai in Bethlehem te gaan, waar de nieuwe kandidaat voor het koningschap zich bij hem zal aandienen. Davids familie woont al generaties lang in Bethlehem en bezit daar land en een schapenfokkerij. Davids vader is Isai, een leider van de stam Juda. Hoe Davids moeder heet, is onbekend.
David is dan een jaar of veertien - rossig, sproetig en vrij klein, maar stevig gebouwd. Hij is de jongste van acht broers en om die reden de schlemiel van de familie. Als Samuel zich bij zijn vader laat aandienen, is David in de stallen met de schapen bezig terwijl de rest van de familie binnen aan tafel zit. Volgens het bijbelverhaal bekijkt Samuel alle jongens in de familie en laat hij David voor alle zekerheid ook roepen. Als hij hem ziet hoort Samuel een stem in zijn hoofd zeggen: 'Dit is hem.’
Er moet dan nog veel gebeuren alvorens David het koningschap daadwerkelijk verwerft. Over zijn carriereplanning bestaan twee lezingen, waarvan de ene Davids heldhaftigheid benadrukt en de tweede het toeval een grotere rol laat spelen. In de heldhaftige versie verslaat David, als eerste etappe op weg naar zijn lotsbestemming, tijdens een veldslag de Filistijnse reus Goliath door met zijn slinger een platte steen met grote vaart naar Goliaths keel te slingeren en zijn strottehoofd te breken. De minder sympathieke versie luidt dat David ooit gevraagd is harp te komen spelen voor de depressieve koning en nooit meer is weggegaan.
In beide versies trouwt David met Sauls dochter Michal en blijft hij in het paleis wonen. Saul vertrouwt David niet en tracht hem te vermoorden - het startsein voor een guerrilla tussen David en Saul die zich jarenlang voortsleept en die uiteindelijk wordt beslist in het voordeel van David, terwijl de familie van Saul gedecimeerd wordt.
Wanneer Saul en zijn oudste zoon Jonathan het leven verliezen tijdens een veldslag tegen de Filistijnen, laat David zich in zijn stamland Juda tot koning uitroepen. Hij verhuist van de woestijn naar Hebron, de hoofdstad van Juda. De overige elf stammen kiezen echter voor Isboseth, Sauls jongste zoon. De strijd tussen David en Isboseth blijft zeven jaar onbeslist, totdat Isboseth op een ochtend vermoord in bed wordt gevonden.
ALS HIJ OP DEZE wijze eenmaal koning van de twaalf stammen geworden is, heeft David een nieuwe hoofdstad nodig. De oude hoofdstad Gibea is in zijn ogen te veel het centrum van de aanhangers van Saul. In Hebron kan hij ook niet blijven. Hij begrijpt dat veel afhangt van de keuze die hij maakt. Daarom slaat hij een beleg om een eeuwenoude stad die nooit door de Israelieten is ingenomen: de Kanaanitische enclave Jebus of Urusalim in zijn eigen stamland Juda.
David neemt Jebus zonder veel problemen in door er een wedstrijd van te maken voor zijn militairen. Zijn neef Joab wint. Joab laat de andere aanvoerders de muren beklimmen, maar gaat zelf de stad binnen langs een onderaardse tunnel, die uitkomt op het waterreservoir. De Jebusieten zijn zo verbaasd dat zij zich onmiddellijk overgeven en de leider van Jebus David zijn plaats offreert. Minzaam biedt David op zijn beurt de priesters van de stedelijke Salem-cultus hun oude betrekking aan, mits zij bereid zijn de Israelietische gewoonten over te nemen. Als eerste beleidsdaad hebraiseert hij de naam Jebus in Jeruzalem.
David regeert van 1010 tot 970. Hij is zeven jaar koning van Juda in Hebron, zodat hij Jeruzalem verovert in 1003 - volgend jaar drieduizend jaar geleden. Na de inname van Jeruzalem begint zijn beste tijd. In Jeruzalem sticht hij een modern, centralistisch georienteerd bestuur dat het oude, op stammenrelaties gebaseerde systeem vervangt. Een voor een dwingt hij de Filistijnse steden aan de kust op de knieen. Daarna breidt hij zijn gezag uit over andere niet-Israelitische stammen. Op het hoogtepunt van zijn macht heeft hij zijn gebied uitgebreid tot de huidige Israelisch-Egyptische grens in het zuiden tot Tyrus in het noorden, en van Jaffa aan de kust tot zo'n veertig kilometer in Jordanie. Zijn politieke invloedssfeer strekt zich uit tot het noordwesten van Syrie.
Wat de Jebusieten van de inname vinden, vermeldt de geschiedenis niet. Maar het lijkt erop dat de politieke elite in de stad zich snel aanpast aan de nieuwe situatie. David omringt zich gaandeweg steeds meer met Jeruzalemmers, die hem adviseren in politieke en religieuze zaken. Hij laat zich door hen ook overtuigen van het belang van Jeruzalem als religieus centrum. Dat brengt hem op het idee om de ark des verbonds, die voortdurend op reis is langs vier Israelitische tempels, een vaste verblijfplaats te geven. Een onzalig plan, volgens de priesters. David drukt zijn zin door en haalt de ark naar de stad. Tot de bouw van een tempel komt het echter niet.
ALS HET WAAR IS dat mensen zich graag verlustigen in de ellende van anderen en daarbij een voorkeur aan de dag leggen voor koningen, verklaart dat Davids populariteit. Hij is - samen met Mozes - de enige Mensch in de bijbel.
De neergang in zijn carriere zet in als hij op zijn vijfenveertigste verschrikkelijk verliefd wordt op de blonde Jeruzalemse Bathseba, haar zwanger maakt en haar man uit de weg laat ruimen. Gods toorn is groot; het jongetje dat Bathseba ter wereld brengt, leeft slechts een paar dagen.
Daarna is het gelukkige gezinsleven in het koninklijk paleis voorgoed voorbij. Davids zoon Amnon verkracht zijn halfzusje Tamar. Als Amnons misdaad ongestraft blijft, slaat Tamars broer Absalom de hand aan Amnon. Later leidt Absalom een coup tegen zijn vader, waar hij zelf bij om het leven komt. Na de dood van zijn lievelingszoon interesseert David zich nergens meer voor. Er breekt een burgeroorlog uit, die hij laat neerslaan door zijn neef Joab. Tot zijn dood schrijft David alleen nog poezie.
Volgens sommige David-exegeten ligt de oorzaak van zijn ondergang in strategische fouten en slechte adviseurs. Andere David- watchers wijzen op de slechte invloed van Bathseba. Bathseba zou als Jeruzalemse, afkomstig uit de stedelijke elite, er baat bij hebben gehad de oude getrouwen uit Hebron zo veel mogelijk bij de koning weg te houden. Volgens deze redenering is het Bathseba die Absalom opstookt tot de bloedwraak op zijn broer Amnon.
Hoe loopt het af met de familie? Slecht, natuurlijk. Na de dood van haar eerste kind wordt Bathseba opnieuw zwanger. Zij krijgt een zoon, Salomo, en intrigeert net zo lang tot de erfopvolging in het voordeel van Salomo is beslist. Salomo laat zijn enige rivaal, halfbroer Adonia, vermoorden. Hij besluit dan verder te gaan met Davids tempelproject, op een landje dat zijn vader kort voor diens dood koopt.
Na Salomo’s dood weten zijn twee zonen geen overeenstemming te bereiken over de erfopvolging. Israel valt in twee koninkrijken uiteen, wat voor de nazaten van Saul aanleiding is ook een claim op de troon te leggen. Deze interne strijd duurt tot het begin van de zesde eeuw, wanneer de Assyriers Jeruzalem met de grond gelijk maken en de bewoners in ballingschap meevoeren naar Irak. Beide koninklijke families zijn sindsdien spoorloos.