Ludwig II van Beieren

Koning in een bord-kartonnen rijk

De meest beroemde koning van de wereld, Ludwig II van Beieren, heeft tientallen fanclubs. Talloze legendes omgeven zijn leven, vooral over de vermeende krankzinnigheid van de extravagante monarch.

Met Zuid-Duitse precisie arriveert Hanns Maier in wijnschenkerij Schwarzwälder, een elegante eetgelegenheid in de buurt van het Münchner National-Theater. Hij oogt als een moderne, zelfs ietwat mondaine jongeman, maar is niettemin voorzitter van een der vele Koning Ludwig-II-verenigingen die de vrijstaat Beieren telt.

De fles Spätburgunder is nog niet ontkurkt of wij zitten al midden in het gesprek. «De veelal sceptische, niet zelden protestante noorderlingen hebben van Ludwig geen enkel verstand», zegt Maier resoluut. Daarom hebben hij en zijn andere Ludwig-lievende collegae zich, kort en goed, ten doel gesteld «twee tot op de dag van vandaag voortlevende leugenverhalen» over Ludwig uit de wereld te helpen. Zij betreffen ’s konings vermeende homoseksualiteit en ’s konings beweerde krankzinnigheid. Met als derde programmapunt het verhaal over de zelfmoord die hij in 1886 zou hebben gepleegd, «maar die geschiedenis is met zoveel mythes en onduidelijkheden omgeven dat de waarheid waarschijnlijk nooit boven water zal komen», zegt Maier berustend.

«Het valt niettemin», zeg ik, «met de beste wil van de wereld niet te begrijpen hoe een volksverachtende hypochonder als Ludwig tot op heden zo extreem populair bij zijn landgenoten kan zijn.»

«Dat komt omdat wij in Beieren een tolerante kijk op de koning hebben», zegt Maier. «Natuurlijk had hij zijn eigenaardigheden. Dat zal geen redelijk mens ontkennen. Bovendien heeft hij zich begrijpelijkerwijze nooit kunnen schikken in een situatie waarin zijn land na de Duitse eenwording van 1871 alleen het recht had te beschikken over zijn eigen postzegels, zijn eigen spoorwegen en zijn eigen bierbrouwerijen. Die gedachte was voor een trotse man als Ludwig onverdraaglijk. Dus vluchtte hij in de kunst, in het toneel, in de muziek en vooral in de architectuur. Zonder hem was Richard Wagner een miskend componist gebleven en zonder zijn inspanningen waren al die prachtige kastelen nooit verrezen, waar heel de wereld voor naar Beieren pelgrimeert.»

«Dat je als koning één kasteel tot je beschikking wil hebben, is verdedigbaar», opper ik. «Maar wat moet je met drie, of vier, of vijf stuks, tegen een bouwsom waarmee je heel Beieren zou kunnen onderhouden?»

«Ons past hierover mijns inziens geen moralistisch oordeel», zegt Maier. «Deze kastelen, waarvan trouwens wel eens wordt vergeten dat Ludwig die uit zijn eigen zak heeft gefinancierd, pasten in het esthetische concept dat hij van zijn leven heeft gemaakt, afgezien van het feit dat de bouwkosten dankzij al die miljoenen jaarlijkse bezoekers al honderdvoudig zijn terugverdiend. Ja, hij was de laatste feodale vorst die kastelen bouwde. Na zijn dood waren het de betonvlechters die de toon begonnen aan te geven. Vindt u dat mooi? Ik beschouw dat niet als een vooruitgang.»

En al die kastelen bewoonde Ludwig, afgezien van het huispersoneel, in zijn eentje, omdat hij de gedachte niet kon verdragen dat het oog van het gemene volk deze geheiligde bouwwerken zou bezoedelen.

«Andermaal, ik ben niet blind voor ’s konings eigenaardigheden», zegt Maier. «Ludwig had, ook als volwassene, iets kinderlijks en, om Lessing te citeren, ‘nicht der Kinder bloss speisst man mit Märchen ab’.»

Hebben al die talloze Ludwig-verenigingen eigenlijk niet iets nuttigers te doen dan het imago van een tamelijk obscure vorst op te poetsen?

«Wij beschouwen Ludwig niet als een obscure vorst. Trouwens, hij was blijkbaar interessant genoeg om u helemaal naar het verre München af te laten reizen», zegt mijn gesprekspartner slagvaardig.

De dramatische wijze waarop Ludwig II aan zijn eind is gekomen — hij werd in de vroege morgen van 13 juni 1886 ontzield aan getroffen in het water van het meer van Starnberg — heeft ongetwijfeld veel tot de legendes rond zijn persoon bijgedragen. De meest waarschijnlijke oorzaak van zijn dood was een worstelpartij met een door de regering gehuurde psychiater die hem op de ochtendwandeling vergezelde. Daarnaast circuleren nog steeds de romantische theorieën over de geheimzinnige rol die de toenmalige, vijandig gezinde Beierse overheid, al dan niet in samenwerking met de Pruisische overheersers, zou hebben gespeeld. Nooit zullen wij het zeker weten. Tóch maar even bij de firma Hugendudl gekeken, de kapitale boekwinkel aan de Mariënplatz, of er recente lectuur bestaat die ons wellicht iets wijzer kan maken. Het is allemaal niks. De koning is inmiddels geheel door de toeristenindustrie geannexeerd, zodat er voornamelijk even kleurige als corrupte plaatjesboeken over hem voorhanden zijn.

Behalve het boek De waarheid over Ludwig II, het recentelijk uit de nalatenschap van dr. John H. Watson opgedoken verslag van de wijze waarop de Britse speurder Sherlock Holmes zich op verzoek van rijkskanselier Otto von Bismarck met de zaak heeft bemoeid. Dat is op het eerste gezicht een ontdekking van de eerste orde. Met kloppend hart installeer ik mij op een der nabijgelegen terrassen. Ik kan het niet laten met de ontknoping te beginnen. Helaas, de woordenrijkheid van het geschrift vermag niet te verhullen dat ook Holmes niet in staat is gebleken het verlossende woord te spreken. De voornaamste verdienste van het boek is eigenlijk het als een appendix afgedrukte hoofd stuk van de ongepubliceerde studie Der Weg ins Dunkel, geschreven door de criminoloog Karl Schmied, een der weinige intimi van de vorst. Hieruit blijkt dat Ludwig zich op zijn meer ontspannen momenten bediende van een soort allitererend jargon dat de invloed van zowel Wagners Rheingold als diens Tristan und Isolde verraadt. «Roemrijke Richard! Machtige meester van het magische rijk der klanken! Verre vriend! Prachtlievende partner in de strijd tegen het perfide Pruisen!»

Er moet onomwonden worden vastgesteld dat de grote verdienste van Ludwig II is geweest dat hij de wereldwijd uitgespogen Richard Wagner uit de goot heeft opgeraapt en hem vervolgens in staat heeft gesteld om, ongehinderd door materiële zorgen, het belangrijkste deel van zijn oeuvre te voltooien. Daarnaast was Ludwig ongetwijfeld verliefd op de «oude minotaurus» (Nietzsche over Wagner).

«Geliefde! Enige!» schreef de vorst aan de componist. «O, wat ben ik gelukkig! — Waar ben ik? Ik zie de zaligheden van het Walhalla; o, naar Siegfried, naar Brünnhilde! — Een stralenkrans rond Tristans stoffelijke overschot! Hemels leven — naar u te zweven! En daar de door God gezondene… Lohengrin! Er daalt een duif uit de hemel! Tannhäuser, bevrijd van alle aardse lasten. De liefde verlost de aardse zondaar! O, zij vermag alles! Nader tot u! Dank geliefde, dank, dank! Tot spoedig ziens! — Tot in de dood!» (was getekend Ludwig).

De componist liet zich op zijn beurt niet onbetuigd. «O, ik kleinmoedige! Zelfs in mijn liefde voor Hem, de Enige, moet Hij mij steeds weer bemoedigen! Ik ben niets zonder hem! Zelfs de liefde heb ik pas door Hem geleerd! Ja, ja! In mijn diepste innerlijk voel ik echter steeds — Ook nu! — dat Hij verheven is boven elk gevoel van zwakte. Hij weet alles! God heeft Hem alles geopenbaard! O, mijn Koning! Gij zijt goddelijk!» (was getekend Richard Wagner).

In werkelijkheid beschouwde Wagner zijn goedgeefse koning als een «fantast», als een «dwaas» respectievelijk als een «crétin».

Ludwig II was nog banger voor vrouwen dan voor mannen. Hij was het type van de onzekere homoseksuele variant die slechts met laaggeplaatsten in zee durft te gaan (bedienden, stalknechten) en was daarnaast meer een toeschouwer dan een man van de daad geweest. De koning van Beieren was geen Lohengrin en geen Tannhäuser, hoe graag hij ook had gewild. In werkelijkheid was hij de Oscar Wilde van de Alpenweide, eveneens zo'n tandenklapperende imitatiehomo, die uit louter levensangst vastbesloten was van zijn existentie een kunstwerk te maken.

Met het verschil dat Wilde een beschaafde, volwassen man met smaak en distinctie is geweest, terwijl de niet minder kunstlievende Ludwig II in feite zijn leven lang met zijn beertjes is blijven spelen.

En, niet te vergeten, met zijn koninklijke lid. Ludwig masturbeerde, zonder daaraan overigens veel genoegen te ontlenen. Dat kwam door de rooms-katholieke schuldgevoelens waaronder hij gebukt ging. Zijn nachten moeten verschrikkelijk zijn geweest, een worstelpartij met zowel zijn geweten als zijn broedwarme onderbuik. Af en toe slaagde hij er waarachtig in van zichzelf af te blijven. «Handen geen enkele keer onder de lakens!» noteerde hij ’s anderendaags in zijn dagboek. «Door mijzelf met de zwaarst mogelijke straffen te dreigen!»

In een achterafbioscoop draait de Ludwig-film uit 1954 met O.W. Fischer in de titelrol, een van de vele filmische hagiografieën waarin de gelijkgeslachtelijke component in ’s konings karakter zorgvuldig is weggeretoucheerd. Er is reeds vanaf de uitvinding van het celluloid sprake van een cinematografische Ludwig-verering waarin onveranderlijk hetzelfde portret wordt getekend: een ongelukkige, onbegrepen vorst, met een bek vol rottende tanden, bezeten van zijn architectonische suikertaarten en in erotische zin (Sissi! Sophie!) vlekkeloos heteroseksueel.

Ook over de Ludwig van O.W. Fischer zal Z.H. de Paus, een geloofsgenoot van de vorst, tevreden zijn geweest. Er worden géén vieze, twijfelachtige, voor de reputatie van de koning schadelijke spelletjes gespeeld, afgezien van de scène waarin de koning, tot de heupen omspoeld door het zwarte water van het meer van Starnberg, zijn wurgende handen legt rond de hals van de psychiatrische kwelgeest die hem op last van de overheid krankzinnig moet verklaren.

«Dat was voor die tijd trouwens een vrij onverbloemde interpretatie, waarvan wij hier eigenlijk niet gediend zijn», zegt mijn Beierse vriend Max, zelf al jarenlang een specialist in de Ludwig-kunde.

De cineast Hans Jürgen Syberberg (Ludwig: Requiem für einen jungfraulichen König, 1972) was de eerste die het taboe rond ’s mans homoseksualiteit doorbrak. Het geschiedde echter zo hemeltergend vooruitstrevend dat slechts een enkeling zich aan de gang naar de bioscoop waagde, waarna de film definitief naar de cultvideotheken werd verbannen. In hetzelfde jaar 1972 volgde Luchino Visconti’s Ludwig II. De film werd ten behoeve van de kijkers tussen Maas en Memel in het Duits nagesynchroniseerd en de bondsrepublikeinse distributeur schrapte alle homoseksueel ogende scènes. Het zou tot 1979 duren voordat een complete, ongekuiste, door de regisseur geautoriseerde versie in roulatie werd gebracht, vergelijkbaar met de film Cabaret waaruit, om het publiek niet te mishagen, alle nazi-taferelen waren verwijderd.

Ludwig II had na een koninklijke praktijk van rond twintig jaar flink wat vijanden gemaakt, zowel op regeringsniveau, waar men hem als een spilzieke nietsnut beschouwde, als onder zijn hofpersoneel, dat hij behandelde met de willekeur van een duodecimovorst. Toen de tijd rijp leek, droeg iedereen het zijne bij aan het dossier dat uiteindelijk tot zijn onttroning zou leiden. Vier psychiaters, onder leiding van de Münchner specialist dokter Bernhard von Gudden, kwamen in de beslotenheid van hun behandelkamer tot de eenstemmige conclusie dat hun pa tiënt krankzinnig was, zodat de acte van abdicatie kon worden uitgeschreven.

Slechts een enkeling onder Ludwigs onderdanen was zo moedig te verklaren dat de koning zich ongetwijfeld af en toe wat vreemd gedroeg, maar voor de rest redelijk bij zijn hoofd was. «Ik herinner mij met het grootste genoegen de talrijke gesprekken die wij voerden over beeldende kunst, literatuur en theater. Er woonden twee zielen in zijn borst, die van een kind en die van een tiran. Juist door deze scherpe tegenstelling oefende hij op zijn eigen manier een hoogstpersoonlijke aantrekkingskracht uit», getuigde de voormalige hofsecretaris Ludwig von Bürkel. «Verward en ongedisciplineerd was hij alleen op de momenten dat het over zijn architectonische projecten ging. Dan verloor hij elke vorm van werkelijkheidszin uit het oog en ontpopte hij zich als een redeloze, in zijn eigenwaan verstrikte despoot.»

In Klaus Manns novelle Het getraliede venster doet Ludwig een poging om zijn verslaving aan mergel en baksteen uit te leggen. «Nee, in München heb ik niets meer te zoeken», overdenkt de vorst. «Ik voel mij alleen maar thuis in de weldadige eenzaamheid van mijn kastelen. Ik moet er nog een paar bijbouwen, als men mij de tijd gunt. Dat is uitermate belangrijk en dringend noodzakelijk. Zeker, ik weet het, de even goddeloze als onbeschaafde wetenschap beweert dat mijn passie voor kastelen een ziekelijk karakter heeft. Alsof het bouwen van kastelen niet al eeuwenlang de natuurlijke bezigheid van monarchen is! Als ik een dwaas ben, enkel en alleen omdat ik van kastelen hou, moet ook mijn grote voorganger en onvergetelijke neef, de goddelijke Bourbon en Zonnekoning van Frankrijk Louis XIV, een gek zijn geweest. Heeft deze verheven vorst zich soms door bekrompen bedenkingen van financiële aard laten weerhouden, als het om het uitvoeren van zijn projecten ging?»

Ik leg het vraagstuk voor aan mijn vriend Max, die is gezegend met veel Beiers gezond verstand. «Ik ga uit van de premisse dat Ludwig II niet zozeer een krankzinnige als wel een zonderling is geweest», zegt hij. «Niettemin ben ook ik van mening dat zijn enige, echte geestelijke afwijking die bouwneurose is geweest.»

Daar zat hij dan, de koning, moederziel alleen in slot Linderhof, slot Neuschwanstein of slot Herrenchiemsee en voerde al tafelende zijn imaginaire gesprekken met Louis XIV en Marie Antoinette, de echtgenote van Louis XVI, de Franse vorst die bij Ludwigs genade ook af en toe een vorkje mee mocht prikken. Ja, wat moest Ludwig met al die Ollie B. Bommel-kastelen? Was het in rustieke torentransen vertaal de nostalgie naar het verleden? Waren het vermomde liefdesbrieven aan het adres van zijn vaderlijke vriend Richard Wagner, die eveneens enige pompeuze pronk niet uit de weg placht te gaan? Ludwigs kastelen waren nog niet eens voltooid toen hij het bevel gaf wéér een ontwerp voor nóg zo'n sier kasteel te maken, een kasteel dat alle voorgaande kas telen diende te overtreffen. Het probleem was dat de koninklijke kas inmiddels leeg was en de bouwkosten dit keer op zeker 25 miljoen mark werden geschat. Dus stuurde Ludwig zijn gezanten naar de keizer van Oostenrijk, de koning van de dubbelmonarchie Zweden/Noorwegen, de sjah van Perzië en de sultan van Constantinopel, die stuk voor stuk wel wijzer waren. Wanhopig was Ludwig! Bij zijn eigen regering, die de geldoverdebalksmijterij sowieso met gemengde gevoelens bezag, hoefde hij niet aan te kloppen. Ludwig heeft in zijn verdwazing een moment overwogen om een Beiers elitecorps de banken van Frankfurt, Berlijn, Stuttgart en Parijs te laten overvallen. Gelukkig bleef het bij criminele dagdromerij, anders had de koning zijn glorierijke carrière niet in het gekkenhuis of in het water van het meer van Starnberg, maar in de Koninklijke Beierse Staatsgevangenis beëindigd.

«Als je er één hebt gezien, heb je ze allemaal gezien», zegt mijn Beierse vriend Max, die reeds menigmaal met buitenlandse gasten de kastelen langs is gesjokt. Er is inmiddels een vierde kasteel bijgekomen, even buiten het stadje Füssen: een voor tachtig miljoen mark gebouwde Disney-parafrase, waar je de kasteelheer zelf voor tweehonderd mark per toegangsbiljet kunt beluisteren in een verpopte potpourri van Wagner-fragmenten.

«Voor geen prijs!» huivert Max.

Wij koersen dus in de druilerige voormiddag naar slot Linderhof, met als hoofdattractie de beroemde onderaardse grot, waarin de koning over het werk van zijn Wagner placht te dromen. In het bijbehorende «Moorse paviljoen» rookte de koning in het gezelschap van enige uitverkoren onderdanen tsjiboek uit lange, Turkse pijpen, in een poging om de wondere wereld van duizend-en-één-nacht te reconstrueren. Jammer dat de zogenoemde «Hundinghütte» niet meer bestaat. Hier lag de koning met zijn personeel op een berenvel mede te drinken, zich verbeeldend dat hij zich in de mythische wereld van Die Walküre bevond. De bouwtekeningen van het kasteel droegen het opschrift «Meicost-Ettal», een op het oog onbegrijpelijke mededeling, behalve voor de puzzelaars onder ons, die in één oogopslag zien dat het een anagram is van «L'Etat, c'est moi», het credo van het totalitarisme.

De gids, een vrouw van een jaar of dertig, blijkt een gelovige. «Het is dat Ludwig toevallig koning van Beieren was, anders was hij misschien een van de grote architecten van de negentiende eeuw geworden», zegt zij. Het is gewijde grond, die slechts door de vorst mocht worden betreden. Zijn leveranciers kwamen niet verder dan de achterdeur. En na Ludwigs dood diende alles, de complete kastelencollectie, te worden afgebroken, een onheilig voornemen dat door het voortijdig overlijden van de koning werd doorkruist. Nu is (ook) het Linderhof overgeleverd aan de gunsten van het rugzaktoerisme, dat zich vergaapt aan een overdosis bladgoud en de vele portretten van de narcistische monarch hemzelve.

«Maar het is allemaal zwendel!» zeg ik, ondanks alles enigszins ontsteld. «Allemaal neprococo, belegen ridderromantiek, Disneyland avant la lettre, bedden waarin niet werd geslapen en een 'Audienz-Zimmer’ waarin niemand in audiëntie werd ontvangen omdat Ludwig zo de pest aan zijn medemensen had. En het is allemaal te lelijk voor woorden.»

«Wat maak je je druk?» zegt mijn Beierse vriend Max. «De smaak van Ludwig was nu eenmaal de wansmaak van de negentiende eeuw.»

De gids heeft net de biografische schets van de hoofdbewoner voltooid. «And in 1886 he drowned, the poor man», zegt zij met grote tragediënne-ogen. «You know the horrible story. There is still a mystery about his death.»
Zij gaat ons voor naar de onderaardse grot, die op zijn beurt bijna mooi van lelijkheid blijkt te zijn. In het onderaardse meer drijft de reuzenschelp waarin Ludwig zich vergeestelijkt liet ronddobberen.

«Zijn plan was om hier de voornaamste Wagner-opera’s te laten opvoeren», zeg de gids, «een plan waarvan om tal van redenen nooit iets terecht is gekomen.»

«Erg muzikaal kan die kerel niet zijn geweest», fluister ik tegen mijn Beierse vriend Max. «De akoestiek van de gemiddelde badkamer is beter.»

«Wagner was niet toevallig zijn favoriete componist», zegt mijn Beierse vriend Max, enigszins boosaardig.

De gids loodst ons naar de uitgang. Bij het verlaten van de grot tikt mijn Beierse vriend Max met de knop van zijn paraplu tegen de stalactieten en stalagmieten. Bordkarton!

«Ik zei het je toch! Het is allemaal zwendel!» verzucht ik.

Buiten is inmiddels een waterig zonnetje gaan schijnen. De goudvinken op het gazon worden ongetwijfeld met een sleuteltje opgewonden en de bergen, achterin het Graswangdal, lijken vervaardigd van papier-maché.

In de officiële diagnose van dokter Bernhard von Gudden en zijn drie collega’s werd Ludwig «in vergaande mate zielsgestoord» genoemd. «Om precies te zijn lijdt onze hooggeboren patiënt aan een vorm van geestelijke ontregeling die ervaren psychiaters als 'paranoia’ (een vorm van krankzinnigheid) omschrijven. Omdat dit in de loop der jaren slechts kan verergeren dient deze ziekte ongeneselijk worden verklaard. Er valt zelfs een verder verval van geestelijke krachten te verwachten. Zijne Majesteit is vanwege zijn ziekte niet meer tot zelfstandig handelen in staat, laat staan dat hem de zorg voor het landsbelang kan worden toevertrouwd.»

Zij namen geen enkel risico, de Beierse regering noch de psychiaters die de regering had gehuurd. Ludwig diende van het toneel te verdwijnen, liever vandaag dan morgen.

Von Gudden kwam de koning hoogstpersoonlijk het slechte nieuws overbrengen.

«Maar hoe kunt u mij in alle redelijkheid krankzinnig verklaren?» vroeg de vorst onthutst. «U hebt mij nog nooit gezien, laat staan ooit onderzocht!»

Zo gek was Ludwig dus óók weer niet.

Behalve paranoïde, beweerden zijn psychiaters, was hij schizofreen, leed hij aan chronische depressies en was hij zowel aan medicijnen als aan alcohol verslaafd.

Misschien. Misschien ook niet. Ondertussen is de diagnose te smal, lijkt het, om iemand krankzinnig te verklaren. Zo abnormaal waren en zijn deze afwijkingen niet. Als zij serieus dienen te worden genomen had half vorstelijk Europa, geteisterd door incest en hoogmoedswaanzin, in de dwangbuis gezeten.

Ja, de koning was extreem mensenschuw. Een toneelvoorstelling of opera-uitvoering bezocht hij bij voorkeur in zijn eentje. Men stelle zich voor: Wagners Tristan in het verduisterde Münchner National-Theater met zegge en schrijve één man in de loge: Zijne Koninklijke Hoogheid Ludwig II van Beieren.

Inderdaad, de koning was genadeloos in zijn voorkeuren en afkeuren. Hij vereerde Wagner als een god… totdat de componist een gewoon mens met de bijbehorende hebbelijkheden bleek te zijn en onmiddellijk in ongenade viel. Illustratief is ook het verhaal over Ludwigs vleugeladjudant Freiherr Lambert von Varicourt. Twee dagen na de benoeming liet Ludwig de jonge cavalerist schriftelijk weten desnoods voor hem te willen sterven. Ludwig las zijn favoriete militair ’s avonds een paar verheven bladzijden voor… waarbij Varicourt per ongeluk enigszins in slaap sukkelde.

«Varicourt!» riep Ludwig. «Je slaapt in het gezelschap van je vorst!»

Varicourt was met onmiddellijke ingang vleugeladjudant b.d. en de koning heeft hem nooit van zijn leven meer willen zien.

«Het is het gedrag van een zonderling, niet het gedrag van een krankzinnige», zegt mijn Beierse vriend Max, filosoferend achter het autostuur. «Al die laat-negentiende- eeuwse vorsten konden niet wennen aan de gedachte dat zij niet meer zo feodaal als vroeger konden opereren en zoiets onpraktisch als een parlement naast zich moesten dulden. Ludwig vond dat allemaal verschrikkelijk. Als hij zijn zin had gekregen was Beieren met behulp van een gewapende legereenheid weer in een koninklijke eenmansdictatuur veranderd. Ook dat is geen bewijs dat die man niet goed bij zijn hoofd is geweest. De gekroonde hoofden uit die tijd dachten nu eenmaal langs deze lijnen. Wat dat betreft was onze Ludwig geen haar normaler of abnormaler dan mannen als Franz-Jozef en Wilhelm II.»

Ons einddoel is slot Berg aan het meer van Starnberg, de villa waar Ludwig de laatste dag van zijn leven door zou brengen. De ramen waren van tralies voorzien. De deuren waren vergrendeld. Eerst had de koning, in een diepe depressie, om cyaankali gevraagd. Later leek hij zich in zijn lot te schikken. Dokter Von Gudden, toch al opgelucht dat zijn delicate missie redelijk goed leek af te lopen, liet zich zand in de ogen strooien en stemde toe in een ochtendwandeling, deux à deux, zonder pottenkijkers en paleiswachten. Toen sprintte Ludwig plotseling het water in, door de dodelijk geschrokken Von Gudden op de hielen gezeten. Wat was de koning van plan? Lagen achter de rietpluimen zijn redders gereed? Of hoopte hij als ervaren zwemmer de overkant van het meer te halen? Of is hij vanuit de bosschages door een Pruisische scherpschutter neergeschoten? Er zijn duizend onbewezen verhalen in omloop, terwijl de enige redelijke verklaring de charme van de eenvoud heeft. De doldriftige koning (42) heeft zijn psychiater (62), die zich eveneens te water had begeven, als een kat verdronken, waarna hij, ontzet over zijn gedrag, zich om het leven heeft gebracht óf die verlossende hartaanval heeft gekregen.

De plaats des onheils, drie meter van de wallenkant gelegen, is door een soort kruis gemarkeerd. Er is altijd wel een Ludwig-fanclub die zorgt dat er een krans aan het staketsel hangt. Even verderop staat een kapel ter nagedachtenis van de gestorvene. Een oude man verhandelt wat prentbriefkaarten. Wij kopen er drie: een van het kruis, een van de kapel en een van de koning in de rol van de zwanenridder Lohengrin. Misschien was hij tóch krankzinnig, wellicht was hij slechts een zonderling, maar in elk geval was hij een schlemiel, die recht heeft op een minimum aan mededogen.