Koning in het eigen rijk

Een debutant kun je proberen te plaatsen door hem te verbinden aan zijn literaire voorgangers, of je kunt hem zo onbevangen mogelijk proberen te bekijken als iemand met een nieuwe, eigen stem. De verhalen waarmee Merijn de Boer debuteert zijn dermate vreemd, en ogen tegelijkertijd zo zeer niet naïef, dat het moeilijk is niet op zoek te gaan naar houvast: hebben we hier te maken met een nazaat van W.F. Hermans, of is Maria Stahlie ook al oud genoeg om voor nageslacht te hebben gezorgd? Of moeten De Boers inspiratiebronnen buiten de landsgrenzen gezocht worden, zonder nu weer meteen bij Kafka uit te komen…

Medium 15504820 nestvlieders merijn de boer

Wat voor de onbevangen blik pleit - behalve de titel, ik heb het maar even suf in het woordenboek opgezocht: een nestvlieder is een jonge vogel die vroeg het nest verlaat - is dat deze verhalen zich volstrekt origineel aandienen. Sterker nog: op alle mogelijke niveaus - compositie, stijl, perspectief, zeggingskracht, geloofwaardigheid - gaat De Boer aan de haal met de verwachtingshorizon van de lezer. Hij vermomt zich als een oerverhalenverteller, die vanuit een dagelijkse, realistische uitgangspositie van wal steekt, waarna onverhoeds het ontsporen begint. Eerst zo klein dat het nog mogelijk is dat je je vergist - bewoog daar nu wat in je linkerooghoek? - allengs onmiskenbaarder - hier kruipt toch echt iets ondefinieerbaar geleedpotigs over de vloer - tot het zaakje gewoonweg behoorlijk begint te stinken en te schuiven. Want ja, De Boer komt ook nogal eens uit bij gorigheid.

Oké, even concreet nu. Nestvlieders bestaat uit vier verhalen, waarvan twee een novelle-achtige lengte hebben. In het eerste verhaal, Overal leegte, bespiedt de werkloze verteller een medeflatbewoner, die in het dagelijks leven fiscalist zou zijn maar in de avonduren een andere identiteit aanneemt. ‘De meeste mensen hebben alleen belangstelling voor anderen wanneer die iets voor ze kunnen betekenen. Maar ook verveling kan een drijfveer zijn.’ Erg sterk weet De Boer een landerig gegeven een stevige suspens te geven, en zelfs de dramatische ontknoping bijna terloops aan te stippen.
Dat spanningsveld tussen drama en landerigheid blijkt kenmerkend voor ook de andere verhalen. Wat dat betreft had De Boer voor het tweede, lange, verhaal, Balthasar Tak, geen veelzeggender motto kunnen vinden. Het is een fragment uit Siegfried van Mulisch, waarin de verteller iets uitlegt over de urgentie van dromen, vergelijkbaar met die van mythen. Als in een droom, of liever gezegd: een nachtmerrie, begint in dit verhaal de titelheld aan een eindeloze reis, zonder duidelijke reden, maar wel met heel veel complicerende omstandigheden, variërend van een kapotte tas tot een sprinkhanenplaag en een onbedaarlijke kotspartij. Aan de oppervlakte is alles normaal en op orde, maar bij nader inzien is alles aan bederf en erger onderhevig. Weer die typische manier van vertellen, die mij eraan herinnert dat iedere schrijver een oplossing moet zien te vinden voor het probleem: hoe laat ik mijn personage van a naar b gaan. Af en toe slaat De Boer in zijn onorthodoxe vertelstijl een beetje door, waardoor het moeilijk wordt oorzaak en gevolg te onderscheiden, en het verhaal ook iets wezenloos begint te krijgen. Hoe urgent verteld ook, dromen zijn voor de niet-dromer vaak nogal saai, en apocalyptische visioenen leveren niet per definitie de meest indrukwekkende scènes op. Waarbij misschien opgemerkt moet worden dat ik De metamorfose van Kafka ook altijd een hinderlijk betekenisvol verhaal heb gevonden.

Het laatste verhaal in de bundel, Kraaien in de schoorsteen, is de perfecte illustratie van het vermogen van de schrijver om een licht, kabbelend gegeven ronduit griezelige allure te geven. Een verhaal dat mij eraan herinnert dat er nog een ander probleem is waarvoor iedere schrijver zich vroeg of laat geplaatst ziet: wat vertel ik wel en wat vertel ik niet. De clou wordt nu iets te nadrukkelijk prijsgegeven; naar mijn smaak had De Boer zijn verhaal iets ambivalenter mogen houden, zodat we hadden kunnen blijven raden wie of wat er nu echt dood is. In zijn walgelijkheid heeft dit verhaal echter een Edgar Allen Poe-achtige kwaliteit.

Resteert het mooiste verhaal, de kleine novelle Luchtkasteel, met de fantastische openingszin: 'Hoewel hij eigenlijk Paul heette, noemde iedereen hem Prince.’ Een van de raadsels van dit verhaal is dat je na zestig bladzijden nog niet weet of deze Prince nu een meelijwekkend figuur is dan wel een ellendeling. Zoals de verteller droogjes opmerkt: 'Hij was een voorbeeld voor veel mensen, vooral overigens voor mensen die hem niet zo heel goed kenden.’ Behalve dat het onmogelijk is dit verhaal anders dan heel kort samen te vatten als het verhaal van een ongevraagde vriendschap, zou het zonde zijn om al te veel prijs te geven van de vele verrassende wendingen die De Boer voor zijn lezers in petto heeft. Een sprankelend, grappig verhaal, waarin de schrijver zoals het een sterke debutant betaamt met alle zogenaamde vertelwetten volkomen de spot drijft. Zo zeer dat zowel het denken aan schrijversproblemen en -oplossingen als aan eventuele literaire voorgangers ver, ver op de achtergrond blijft. De Boer toont zich hier zoals zijn personage Prince zichzelf het liefst zou zien: koning in een door hemzelf gesticht rijk.


MERIJN DE BOER
NESTVLIEDERS: VERHALEN
Meulenhoff, 191 blz., € 17,95