John Julius Norwich

Koning Shakespeare

Historicus John Julius Norwich zoekt in zijn boek ‹Shakespeare’s Kings› het antwoord op vragen over de oude meester en zijn theaterstukken. Intussen speelt in Keulen Shakespeare’s 39ste: ‹The Raigne of King Edward the Third›.

In de eerste twee bedrijven van De regering van koning Edward de derde (1596) van William Shakespeare staat de handeling nagenoeg stil. Er is alle aanleiding tot rumoer: Frankrijk heeft een bondgenootschap gesloten met Schotland tegen Engeland, de adel is in rep en roer over een ophanden zijnde oorlog, de kroonprins legt zich iedere nacht in complete bewapening te ruste, maar koning Edward III doet niets. Hij is tot over zijn oren verliefd. Niet op zijn wettige echtgenote Phillipa, maar op een getrouwde dame van stand, de gravin van Salisbury.

De Edwards hadden daar een handje van. Edward II verliefde zich ook al buitenechtelijk, maar hij maakte het nog bonter door het object van zijn liefde: een jongeman. Met deze onverbloemde uiting van herenliefde zette Edward II zijn koningin en het complete hof te kijk. Hij heeft er zwaar voor moeten boeten: de koning werd in 1327 afgezet en acht maanden later vermoord ‘with a hoote broche putte thro the secret place posterialle’ (wat zoveel betekent als een hete speer die rechtstreeks in zijn achterste werd gestoken).

De buitenechtelijke escapades van Edward III verlopen kalmer. De vorst gaat zitten en dicteert aan zijn hofschrijver Lodowick een liefdesbrief. Ze komen niet verder dan de aanhef en zelfs die mislukt. Wanneer de koning onverrichterzake besluit de gravin van Salisbury zijn liefde rechtstreeks mee te delen, blijkt zij een dame met haar op de tanden die niet gediend is van halve maatregelen: eerst moet de koning zijn koningin om zeep brengen, vervolgens zal zij haar echtgenoot, de graaf van Salisbury, een kopje kleiner maken. De daaruit onvermijdelijk voortvloeiende burgeroorlog moet de majesteit maar voor lief nemen, als hij tenminste een kerel is. Dan besluit de koning het bij dit voorspel te laten en trekt hij naar het slagveld voor het echte kerelswerk: de Honderdjarige Oorlog tegen Frankrijk is begonnen. Dat we hier met een Shakespeare van doen hebben is ook zonder de computergestuurde tekstvergelijkingsprogramma’s van de Arden- en Cambridge-geleerden te merken. In de beschreven scène tussen de vorst en zijn hofdichter Lodowick herkent men de meester door de rake oneliners en geestige tekstwendingen. Zo ziet de geile koning zijn gravin liever als jachtprooi dan als kuise huisvrouw, 'For I had rather have her chased than chaste’. Het lijkt of William Shakespeare in de twee eerste bedrijven van Edward III afrekent met de manier waarop zijn grote concurrent op de Engelse toneelpodia, Christopher Marlowe, in 1593 het ongelukkige leven van de gelijkgeslachtelijke vorst Eduard II schetste. Om vervolgens met een groots project te beginnen: tussen 1589 en 1599 zou hij maar liefst negen avondvullende stukken schrijven over de geschiedenis van de Engelse vorsten.

Waarom die stukken in het laatste decennium van de zestiende eeuw werden geschreven en waarom ze meteen mateloos populair waren, wordt uit de doeken gedaan in het onlangs verschenen, vuistdikke boek Shakespeare’s Kings van John Julius Norwich. De auteur, een historicus van naam, voelt zich niet alleen als een vis in de oceaan van Shakespeares gefabuleerde histories, hij is ook nieuwsgierig naar het niemandsland tussen feit en fictie. 'Where did history stop en drama begin?’ Die vraag is bij Shakespeares koningsdrama’s relevant. Het geslacht der Tudors, met Elisabeth I als regerend monarch toen Shakespeare in 1564 werd geboren, had Engeland na anderhalve eeuw chaos en burgeroorlog vooral vrede en welvaart gebracht. Norwich: 'Maar welke gedaanteverandering had de middeleeuwse staat Engeland precies doorgemaakt, en hoe? Hoe kon een monarch een natie veranderen? En wat was een monarch precies? Dat waren belangrijke vragen die in de zestiende eeuw met name door het toneel effectief konden worden behandeld. Boeken waren nog een dure luxe, meestal het voorrecht van geleerden en rijke intellectuelen. Het theater sprak alle maatschappelijke klassen direct aan en kon door iedereen, behalve de allerarmsten, worden bezocht.’ Daar kwam bij dat de Grote Vertelling Over Chaos En Burgeroorlog een mooie uitdaging vormde voor iedere ambitieuze toneelschrijver.

Toen de Engelse vloot in 1588 met veel machtsvertoon de Spaanse Armada vernietigend had verslagen en de chauvinistische Britse vrolijkheid haar hoogtepunt naderde, was de tijd gekomen om tot in detail het maatschappelijke moeras te beschrijven waaruit Engeland naar boven was geklommen. Mindere goden dan Shakespeare (nu volledig onbekende auteurs als John Bale, Anthony Munday en George Peele) leverden een enorme productie aan historische stukken. Shakespeares vriend en rivaal. Marlowe kwam niet verder dan dat ene meesterwerk, Edward II (hij werd kort na voltooiing daarvan vermoord). Voor William Shakespeares genie lag een gebied braak dat hij tussen zijn 26ste en 35ste levensjaar grondig ontgon. Aangezien de toneeldichter het aan zijn schrijftafel ruimschoots van de historicus won, veroorloofde hij zich vele vrijheden. Zo goochelde hij met de factor tijd: de gebeurtenissen in zijn schurkenstuk Richard III duurden in feite enkele jaren maar werden door hem teruggebracht tot die ene fatale week voorafgaand aan Allerzielen 1485. Ook maakte hij van relatief verlichte despoten ware politieke moordenaars en maffiosi, geheel naar de geest van de tijd – de voorgangers van het zittende regime waren immers altijd ‘fout’. Waarmee overigens niet wordt beweerd dat Shakespeare in zijn koningsdrama’s uitsluitend politieke propaganda bedreef. Hij schuwde risico’s geenszins. Zo voerde hij in Richard II een impeachment-procedure voor een zittend monarch ten tonele, compleet met de dramatische en onbloedige afzetting van de koning, waarvoor het volledige vierde bedrijf werd ingeruimd. Dat werd als zo schokkend ervaren dat het stuk meteen na de première op 7 februari 1601 door de censuur van het toneel werd afgevoerd. Pas ver na de dood van Elisabeth I kon het in 1607 weer worden gespeeld.

In Richard II vond John Julius Norwich trouwens ook een ander motief voor zijn verrukkelijke boek Shakespeare’s Kings: de vraag naar wat William Shakespeare niet vertelt. De koning wordt in Richard II zo snel geconfronteerd met zo veel vijandigheid ineens dat de jonge kijker Norwich (hij zag een aantal koningsdrama’s op zijn vijftiende) zich begon af te vragen wat Richard II had uitgespookt in de jaren voor het moment dat het stuk begint. Dat leek hem op zijn zeventigste een aardig onderwerp voor een boek.

En zo gaat hij ook te werk: we volgen de vorsten op hun historische pad en daarna laat Norwich steeds per koning liefdevol en nauwgezet zien wat de dichter Shakespeare met de feiten deed. En hij beschrijft dat de histories na hun korte bloeitijd op de 'Elisabethaanse’ plankieren voor eeuwen naar de planken van bibliotheken werden verbannen. Pas in de negentiende en vooral in de twintigste eeuw werden ze herontdekt en in volle glorie opgevoerd – zoals enkele jaren geleden in het Vlaams-Nederlandse megaproject van Tom Lanoye en Luc Perceval, Ten oorlog!, waarvan de Duitstalige

versie zoveel aandacht trok dat de marathon Schlachten binnenkort op het Berlijnse Theatertreffen is te bezichtigen.



En daar staat ook Shakespeares 39ste, The Raigne of King Edward the Third uit 1596. De Keulse enscenering heet Die Regierung des Königs Edward III en is een voorstelling van het Schauspielhaus Köln, in de regie van Frank-Patrick Steckel, een in Nederland nagenoeg onbekende, strenge maar fantasierijke Brecht-leerling.

Wat bij binnenkomst in de (ondergrondse) Keulse toneelzaal meteen opvalt, is het merkwaardige decor: drie witte, over de volle breedte van de toneelopening, evenwijdig achter elkaar geplaatste muren van ongeveer een meter hoog, met ingebouwde klapstoeltjes, waarop alle personages – van ons wegkijkend – voor aanvang alvast zijn gaan zitten. Ze zijn gestoken in strak afhangende, rijk geborduurde fantasiekostuums van middeleeuwse ridders, in hun vorm ontleend aan Japanse of Chinese toneelkleding. De stoeltjes in de muur maken een vervaarlijk geluid als de acteurs opstaan, en dat droge gekletter wordt inventief gebruikt als suggestie van naderend oorlogsgeweld of een in woede dichtgeslagen paleisdeur. De tekstbehandeling is fabelachtig in haar onnadrukkelijkheid – kalm besproken, amoureuze perikelen in de 'liefdesacten’ een en twee, onderkoelde onderhandelingen of ferme krijgstaal in de 'oorlogsbedrijven’ drie, vier en vijf.

Er wordt tussen die streng-witte muren een aanstekelijke voorstelling neergezet, een melting pot aan stijlen ook: de oorlog strak gechoreografeerd als een demonstratie van martiale vechtsporten, het inkijkje bij de tegenstanders Frankrijk en Schotland als brutale vaudeville. Met name de parodistische manier waarop de Schotse koning David en zijn trawanten worden weggezet als onverstaanbaar Nedersaksisch herkauwende alcoholisten is zeer genietbaar. Dáárom is dat stuk ook zo lang verdwenen, besef je opeens: de opvolger van Elisabeth I, de van oorsprong Schotse vorst James I, zorgde ervoor dat de tekst onvindbaar ver werd weggestopt.

De Keulse voorstelling van Frank-Patrick Steckel toont haarscherp aan hoe onterecht dat is geweest. Het mag dan geen meesterwerk van William Shakespeare zijn, het voegt wel een bijzonder nieuw geluid toe aan zijn oeuvre. Om koning Edward III zelf te citeren: 'Marsmuziek gebouwd uit zuchten.’


De voorstelling Die Regierung des Königs Edward III is in mei nog te zien in Keulen (info: 0049-221-22128400) en tijdens het Theatertreffen Berlin (info: 0049-30-25489269).

De studie Shakespeare’s Kings van John Julius Norwich is een publicatie van Viking Press, Penguin Books, ƒ75,—