In Memoriam Simon Vinkenoog (1928 – 2009)

Koning van Amsterdam

Simon Vinkenoog verpersoonlijkte de vrije oerkreten van Vijftig, de idealen van Zestig, van provo en kabouter. Hij was een chroniqueur van zijn tijd, bewogen, altijd bewogen, ook door kleine dingen.

IN TOSCANE, IN DE heuvels met uitzicht op een onwaarschijnlijk mooie tapisserie van kleuren, vertelt Simon Vinkenoog over een roman die hij leest, een verhaal over marteling en moord en doodslag in Irak. Hiertoe trekt hij zoals altijd alle registers open: voorover gebogen, blond haar wapperend in de wind, armen zwaaiend als windmolens om de woordenstroom nog meer vaart te geven, wat eigenlijk zelden of nooit nodig was wanneer Simon aan het woord was, maar wel altijd een meesterlijk dramatische touch was. En dan, niets. Stilte. Adem in, adem uit. Trek, diep en lang en nodig, aan een Gauloises Blondes. Dan peinst hij verder en dieper en komt er een verhaal over zijn jeugd uit, een intiem verhaal dat slechts van hem mag zijn, en hij staat op, geraakt door zijn eigen gedachten, en loopt rond op het terras waar we zitten te luisteren, en je ziet dat hij het moeilijk heeft, maar dat hij een essentieel punt maakt, een statement dat echoot door tijd en ruimte over leven en dood, over leven, en hij staat dan stil naast een bloembed of plant in bloei en hij buigt voorover en streelt er met zijn rechterhand over, opeens tot tranen toe bewogen door wat hij zojuist heeft gezegd of over wat hij op dat moment denkt en voelt.
Als ik me die scène voor de geest haal, dan raak ik er steeds meer van overtuigd dat niet het boek dat hij las of het verhaal over zijn jeugd Simon Vinkenoog emotioneerde, maar juist het moment, puur en simpel, van rust in de heuvels en het fysieke gevoel van de bloemen onder zijn vingers. Een moment van tederheid en inzicht.
De vakantie in Toscane, twee jaar geleden, was de laatste keer dat ik Simon zonder pijn zag bewegen. De problemen met de aderen in zijn been, die kort voor zijn dood tot een ernstige infectie en uiteindelijk amputatie leidden, waren nog hanteerbaar. Samen met echtgenote Edith Ringnalda trok hij eropuit in hun gehuurde auto, Simon stijlvol gekleed alsof hij naar een academische lezing ging, met sjaal en jasje en stadsschoenen en leesbril en leren tas overladen met dikke boeken. Ze gingen naar Urbino, geboorteplaats van Rafaël, en naar een ander stadje waar een museum is van een kunstenaar die Simon in de jaren zestig had ontmoet, een maker van obscure beelden en installaties die onbegrijpelijk zijn, behalve voor Simon die iets groots zag in de chaos van vormen.
Een paar maanden geleden gingen we weer naar Italië: Simon en Edith en twee van haar zusjes en dier echtgenoten en kinderen. Dit keer kon Simon nauwelijks lopen. We zaten in de heuvels bij de zee in de streek Cilento. Simon maakte geen uitstapjes meer, maar hij bleef het geestelijke centrum van alles wat er in en om de villa gebeurde. ’s Avonds was het er koud en kon Simon zich verkneukelen in een van zijn favoriete bezigheden: een vuurtje maken. Hij was er goed in, zeer goed, hij maakte er een kunstwerk van. Eerst organiseerde hij de hulptroepen: mijn kinderen van elf, acht en zes, die op zijn aanwijzing af en aan liepen om brandhout naar boven te sjouwen, waar Simon voor de haard zat, rokend en stokend, terwijl hij aanwijzingen gaf aan zijn helpers, die geïnspireerd door de magie van de meestervuurmaker de vlammen aanbliezen en papiertjes en stukjes aanmaakhout in de haard gooiden. De tovenaar zorgde ervoor dat het vuur lang brandde, de hele nacht door, onder een met sterren bezaaide hemel.

IK ONTMOETTE SIMON Vinkenoog voor het eerst in 1989, toen ik vanuit Johannesburg naar Amsterdam verhuisde, waar ik in het huwelijk trad met Fleur, de jongste zus van Edith. Overrompelend aan Simon was, van meet af aan, zijn enorme kennis. Het is nauwelijks overdreven als ik zeg dat hij mij, iedere keer als ik hem zag, een boek in de hand stopte dat hij op dat moment aan het lezen was, of waarvan hij vond dat ik het gewoon moest lezen. Hij kon soepel inspelen op de achtergrond van wie hij ook ontmoette. In mijn geval: feilloos citeerde hij de Zuid-Afrikaanse dichters N.P. van Wyk Louw en Breyten Breytenbach en Elisabeth Eybers en vertelde hij over zijn ontmoetingen met onder anderen de romanciers Jan Rabie en Abraham de Vries in de jaren vijftig en zestig in Parijs en Amsterdam. Zijn ogen gingen glinsteren als hij over het Afrikaans sprak, en zelfs een paar zinnen uit zijn hoofd wist samen te flansen.
In zijn appartement in de Sarphatistraat, waar constant de geur van marihuana hing en je langzaam kon zitten kijken hoe de avond over Amsterdam, over de Amstel, viel, spraken we over een gemeenschappelijke kennis, Vernie February, activist, dichter en academicus. Voorspelbaar: Simon sprong op en haalde een boek te voorschijn, Een kwestie van identiteit, proza van zwarte Zuid-Afrikaanse schrijvers, samengesteld door February. En nog een boek: The Puritans of Africa, door W.A. de Klerk. Om duidelijk te zijn: dit waren de jaren tachtig, en Simon Vinkenoog ontmoette een witte Afrikaner uit Afrika en zonder een seconde na te denken over de voor die tijd ideologische repercussies – het anti-apartheidsactivisme vierde hoogtij in Amsterdam – ging hij met mij in gesprek over de inhoud. In die tijd kon zoiets heel anders verlopen, zo’n ontmoeting met een Nederlander, en het verliep ook vrijwel altijd anders. Door mijn afkomst was ik in Amsterdam per definitie persona non grata. Dat Simon Vinkenoog met mij sprak, normaal, heb ik altijd als een bewonderenswaardige daad beschouwd. Hij deed dat namelijk niet omdat ik door mijn huwelijk familie van hem zou worden, hij deed dat omdat hij dat altijd deed, gewoon, het was voor hem normaal: niet oordelen, maar ondogmatisch met iemand praten. Dat tekende hem; hij was niet alleen een slimme man, een intellectueel, hij was op een verbijsterende wijze beschaafd. Die eigenschap, zou ik weldra aan den lijve ondervinden, was niet iets wat spontaan deel uitmaakte van de Nederlandse volksaard. Maar dankzij Simon dus toch weer wel; hij representeerde snel alles wat ik goed en deugdelijk en mooi en de moeite waard vond aan Nederland, mijn nieuwe thuis.
Voor mijn vrijgezellenavond, die geen vrijgezellenavond was, want op een gegeven moment waren we met z’n allen bij elkaar, regelden Simon en Edith een optreden in een café in het centrum. Simons vriend Wally Tax zong het nummer Springtime in Amsterdam voor Fleur en mij. Zo melancholiek. Zo mooi. De beslissing over waar Fleur en ik zouden wonen, hier of in Afrika, was snel gemaakt. Misschien wel in die nacht, in die kroeg.
Simon en Edith deden van alles om mij me thuis te laten voelen in hun Amsterdam. Ik, een vreemdeling. Ze namen mij mee naar cafés waar dichters voordroegen en naar optredens van Simon. In Paradiso stond ik als versteend naar hem te kijken en te luisteren. Ik snapte niets van dat Nederlands, maar de dichterlijke schoonheid van Simons taal en de kracht van zijn performance maakten diepe indruk op me. Eerlijk, krachtig, vol emotie.
Op een terras op het Hendrik de Keyserplein in De Pijp. Simon praatte over Roland Barthes. Hij wist er álles van. Jaren later, in het laatste grote interview voor zijn dood, raasde hij door over een obscuur onderwerp en het werd duidelijk dat de interviewer, Hugo Camps, geen idee had waar het over ging, en toen zei Simon maar: ‘Heb ik dat al eerder gezegd? Nou, dan is dat intertekstualiteit!’ De ‘r’ rolde van zijn tong om het woord extra lading te geven, een fijne ironische inslag die niet helemaal werd begrepen, getuige de volgende vraag.
Een andere middag ging ik met hem mee naar een boekenfestival, ik geloof ook in Paradiso, langs de tafeltjes van de uitgevers liepen we, Simon vooraan, fier in zijn lange winterjas en met boekentas, iedereen groetend, altijd klaar met een grapje of anekdote, constant met de sigaret tussen de vingers, ritmisch bewegend als een filmster, een popster, een merry prankster, maar bovenal supercool en jazzy, de Koning van Amsterdam.

IN VRIJ NEDERLAND, een jaar of twee geleden, verscheen een artikel over de vraag of kunstenaars wel goede vaders kunnen zijn. Ook Simon Vinkenoog kwam aan de orde. Bij hem bleek het oordeel negatief, althans, de strekking was dat hij in ieder geval geen traditionele vader was, vanwege bewogen leven en kunstenaarschap. Zeg dan maar: afwezige vader. Ik heb zo mijn twijfels. Wat zijn precies de regels en conventies wat dit betreft? Zorgzaamheid? Kun je ook zorgen voor de ziel van iemand? Iemands geest? Eruditie, intelligentie, stijl: kun je ooit iets meer, iets beter doen, als vader, dan je kind een boek in de hand te stoppen of aan een stuk door te vertellen over een boek dat je hebt gelezen en dat je tot in je ziel heeft geraakt en waarom dat is gebeurd en waarom het belangrijk is? Vertellen over schoonheid? Dan was Simon Vinkenoog een geweldige vader, niet alleen voor zijn eigen kinderen en zijn symbolische kinderen, dat wil zeggen iedereen die ooit een optreden van hem heeft bijgewoond of in intiemere setting naar hem heeft geluisterd, maar vooral ook een geestelijke vader voor een stad, een land.
Met reden maakte Simon in de laatste jaren een glorieuze comeback, met verzamelbundels, een biografie en bovenal zijn samenwerking met Spinvis. Simon voelde aan dat de tijdgeest schreeuwde om actie. In de bange dagen na 11 september 2001 en terwijl het conservatieve Nederland van Jan Peter Balkenende in de maak was – hij heeft het nooit zo gezegd, zou het ook nooit zo zeggen – verkondigde Simon Vinkenoog zonder een seconde dogmatisch te zijn dat liefde, vrijheid en verdraagzaamheid meer nodig zijn dan ooit. Wat hij zei, vloeide altijd, spontaan als de muziek van zijn poëzie.
Niemand is en was beter gekwalificeerd dan Simon voor de titel ‘Dichter des Vaderlands’. Hij leefde als weinig andere dichters in de wereld, die hij vervolgens tot in de kern beschreef en bezong. Neem de documentaires die hij lang geleden in Marokko maakte voor de VPRO: aan alles proef je dat Simon zich wérkelijk het lot van de armen aantrok. Misschien is er tijd nodig eer de impact die hij had helemaal duidelijk wordt. De tekenen zijn er, getuige de aantrekkingskracht die hij de laatste jaren had op vooral jonge dichters, kunstenaars en filosofen. Simon was Nederland, Nederland was Simon. Hij verpersoonlijkte de vrije oerkreten van Vijftig, de idealen van Zestig, van provo en kabouter, maar – hierin was hij de enige van zijn generatie – hij wist zich tot op de dag van zijn dood aan te passen aan de huidige tijd, die tijd te becommentariëren als chroniqueur, door die tijd te worden geïnspireerd en bewogen. Hij verknipte elke dag stapels kranten en weekbladen, maakte knipselmappen, hield een archief bij, bewogen, altijd bewogen, ook door kleine dingen.

HET IS EEN STRALENDE dag als Fleur en ik en onze drie kinderen, zeg maar het legertje pyromaantjes uit Toscane en Cilento, Simon en Edith bezoeken in het Overtoomse revalidatiecentrum. De kinderen zijn een beetje nerveus, want de magiër van de vuurhaard ‘heeft geen been meer’. Dat valt, voor hen, heel erg mee. Want Simon ziet er niet uit alsof hij herstellende is van een zware operatie en dus niet meer kan lopen, nee, hij zou wel een marathon kunnen rennen. Nou ja, rijden. Hou hem tegen, hou hem tegen! Hij borrelt en bruist, doet push-ups in zijn rolstoel, een roze gloed op zijn wangen. Hij traint met zijn rolstoel en illustreert hoe je het best het terrasje waar we zitten, naast de tennisbanen van het Vondelpark, op kunt rijden.
Voor Ediths verjaardag – over een paar dagen is ook Simon jarig – hebben we cadeautjes bij ons. Simon ziet het al en glimt. ‘Ah, boekjes…!’
Simon kijkt nooit naar boeken, hij bladert er nooit doorheen, nee, hij voelt aan boeken, hij ruikt aan boeken, hij streelt over boeken, en dan pas gaat hij erin lezen. Maar nu is hij terughoudender. De middag is toch vermoeiend. De pil die ik hem geef, Roberto Bolaño’s 2666, zou eens te veeleisend kunnen zijn, zo vlak na de operatie. Maar toch, ik opper, eigenlijk meer richting Edith, dat ik het een geweldig boek vind, en dat ik al lezende heel erg moest denken aan de verdwenen schrijver B. Traven en dat die misschien model heeft gestaan voor Bolaño’s excentrieke literaire legende Archimboldo… Simon trekt zijn adem in. ‘Ben Traven! O, prachtig, prachtig! Die Mexicaanse verhalen waarin hij het altijd opnam voor de onderdrukten…’ Zijn stem wordt zwaar van de emotie. ‘… o, prachtig, prachtig… dat verhaal over het schip… prachtig…’
Terug naar Toscane. Op het terras waar Simon vaak met een honkbalpet op in de zon zit te lezen, waar hij geraakt wordt door een verhaal op papier over onmenselijkheid en dan opstaat om aan de natuur om zich heen te voelen met zijn vingers vol nicotinevlekken en zo met een eenvoudige, maar radicale daad iets diep in zich te voelen, over lang geleden, over zijn eigen leven, en wat een leven, en dat hij, als de anekdote voorbij is en de tranen bedwongen zijn, voor nu, iets doet wat kenmerkend voor hem is: adem scherp naar binnen trekken, ogen groot, overrompeld door een diepe waarheid ergens in het universum, een allesverzengend feit, een feit en niets dan een feit, dat alleen hij op dat moment ziet, en dan zucht en zegt: ‘Ach ja.’